BACKLASH ANDROID MEDIA
Tune in deep reading and listening


bet with android


Extase
HENK OOSTERLING

PHILOSOPHY ART MUSIC
POETRY & FILM
De kunst van het leven
Henk Oosterling
Het leven als kunst
ACTE DE PRÉSENCE
 
On the Border
Hollandia's hypocritical theatre.

Twee mannen zitten aan een tafel. Ze kijken door de lijst van het keukenvenster en staren over de weilanden die zich achter de bijkeuken uitstrekken. Links aan de horizon verschijnt een witte driehoek. Een grootzeil schuift langzaam van links naar rechts door de vensterlijst. Het komt tot stilstand en blijft een tijdje klapperend in de wind liggen. Plotseling verdwijnt het onder de horizon, als werd het door de aarde verzwolgen. Na enige tijd verschijnt het opnieuw rechts in beeld om onverstoorbaar zijn weg te vervolgen. Dan verdwijnt het uit de lijst van het venster. “Dat is theater”, zegt de ene man tegen de andere. Danser, acteur en regisseur Johan Simons ontmoet slagwerker Paul Koek in 1982 bij De Appel. Simons leidt daar een workshop, Koek speelt dan al een kleine acht jaar mee in voorstellingen van Erik Vos. Koek, voorstander van associatief theater, is de oprichter van het Nederlands Rok Ensemble en maakt dan deel uit van het Hoketus-ensemble van Louis Andriessen. Vanuit een kritiek op minimal music streeft deze groep een aardsere vorm van de repetitieve muziek na. Simons maakt deel uit van het acteurscollectief het Wespetheater, dat zich definieert als een groep die “geëngageerd theater maakt met zelfgeschreven scenario’s uit de actualiteit, over de historische setting van locaties, gespeeld op plaatsen waar nooit theater komt, met de plaatselijke fanfare erbij”. Het schrijven van eigen scenario’s wordt losgelaten als Simons in 1983 het Regiotheater opricht, waarvan hij regisseur en artistiek leider wordt. Na Golven over Breesaap (1983) van John MacGrath - een enscenering van een locale geschiedenis rond het graven van het Noordzeekanaal - en Koninkrijk IJmond (1984) van Edgar Caïro, waarmee ze de locale bevolking in hun tent proberen te lokken, maakt hij met Koek Cakewalk (1984) van Hugo Heinen. Uit een fusie van het Regiotheater, waar Johan Simons aan het hoofd staat, met de Noord-Hollandse theatergroep Acht Oktober, onder leiding van Gerrit Dijkstra en Jan van Galen ontstaat in 1985 Theatergroep Hollandia, waarvan Simons artistiek leider wordt. Hij begint met Bruidssuikers (1985) van Karl Valentin. Koek voegt zich definitief bij hem in La Paloma van Louis Ferron, de zomer van 1986 gespeeld in een sluis in Zaandam. De eerste jaren speelt Koek, die inmiddels deel uitmaakt van Muziekgroep LOOS van Peter van Bergen, nog regelmatig in stukken van Gerardjan Rijnders bij Toneelgroep Amsterdam, onder andere in Bakeliet (1986). Hollandia groeit in vijf jaar uit tot een werkverband, waarin sociaal-politieke betrokkenheid en vormexperimentele benadering een volstrekt nieuwe verbintenis aangaan. De aandacht voor locale geschiedenissen keert nog terug in Noordpunt-Zuidpunt projecten die Simons in handen legt van jonge, aankomende regisseurs. Uitvalsbasis is een oude school in Zaandam die in 1997 verruild wordt voor een nonnenklooster. Simons neemt het spel en de beelding, Koek het tactiel-ritmische klankconcept voor zijn rekening. Simons is de boer die over het land kijkt, Koek luistert naar de granulaire structuur van de kluiten. Met generaties jonge acteurs en locatiemedewerkers, met dramaturgen Tom Blokdijk en Paul Slangen, decorontwerpers als Leo de Nijs, kostuumontwerpers en gelijkgestemde ‘kunstwerker’ Dick Raaijmakers bouwt Hollandia haar theaterwerk uit tot – zoals het in termen van de Europese Unie heet die hun werk in april 2000 bekroont – een ‘new theatrical reality’.


Border
TIME TEMPORALITY
 
In Intercultural Perspective
(Co-ed. D.Tiersma)

Intercultural Perspective


A CULTURE OF
THE INTER
Sensus Communis in Multi- and Intercultural perspective
On the Possibility of Common Judgements and Politics.
Japanese Notions ma and basho

This lecture is the Henk Oosterling (Gepubliceerd in: Sensus communis in Multi- and Intercultural perspective. On the Possibility of Common Judgements in Arts and Politics. Heinz Kimmerle & Henk Oosterling (eds.), Königshausen & Neumann, Würzburg 2000,  Foreword Heinz Kimmerle, Zoetermeer / Henk Oosterling, Rotterdam The contributions of this volume are the revised versions of lectures on a conference on `Sensus communis in multi and intercultural perspective. On the possibility of common judgments in arts and politics' in November 1997. This conference had been organized by the Dutch Flemish Association of Intercultural Philosophy in cooperation with the Faculty of Philosophy at Erasmus University Rotterdam. The Trustfund Erasmus University Rotterdam had given a subsidy to make the conference possible. The organizers of the conference and the editors of this volume are thankful that the Trustfund and the Faculty of Philosophy have also subsidized the editing of the revized conference papers.
I, WE AND THE BODY

Oedipus and the Dogon
Myth of Modernity interrogated
H. Kimmerle (ed.)

This lecture is This lecture is the result of a longlasting fascination, which concerns a title and a picture that for several years I have been confronted with. Both are in a book written by the French philosopher Gilles Deleuze and the Lacanian oriented psychiatrist Félix Guattari, that is called Mille Plateaux and was published in 1980. It forms the second part of a book entitled Capitalisme et Schizophrénie 1. The heading of the article reads as follows: 28 novembre 1947 Comment se faire un Corps sans Organes? (November 28th, 1947. How to make a Body without Organs?) 2. And under this curious title stands the following drawing, with the caption: L'oeuf dogon et la répartition d'intensités. (The dogon egg and the repartition of intensities).
I, we and the body

THE QUEST FOR MAN

The Topicality of
Philosophical Anthropology

 Given a limited time on the one hand, and the complexity and range of Holensteins theses on the other I'd like to concentrate my comment on two issues only. First I would like to question the content of his attack on two alleged opponents of his project to synthesize universalism with pluralism: Michel Foucault and Roland Barthes. Both French scholars are identified by their critics as post structuralists and by their 'followers' as thinkers of difference, who in their efforts to dismantle the universal pretentions of the mainstream of western thought have stressed the irreducable particularity of cultures and, as far as it concerns Foucault, within the western culture of different historical periodes. Holenstein accuses them of an intolerable form of cultural relativism. By implication this issue touches upon the philosophical anthropological consequences of his effort to integrate universalism with particularism. This implication raises a lot of questions, that can't be answered here. For instance: to what extent does Holenstein's intended synthesis, in spite of his critique on the relativists, save the modern project of philosophical anthropology, that is the quest for man as a autonomous subject?
THE QUEST FOR MAN

ART OF GAMBLING

Meidam de Kroon a painting
Characters, reduced to barely recognizable shapes, seated behind or leaning against empty tables. More often than not they are staring fixedly straight ahead or looking away apparently indifferent. Sometimes however there is a somewhat uneasy, averted glance. Often both at the some time. Explicit facial expressions are not to be found, although unconsciously male determination, more than female hesitance imposes itself. In the beginning, before there were seperate identities, food was provided. As a matter of course dinner guests presented themselves. Seated in a tilted perspective, they are about to consume The last supper. In this ritual of eating and drinking they will fuse with the spiritual body. Their separate identities will be nothing but changing moments, attached to arbitrary names. But these names are just as volatile as the foam on the crest of waves, that a turbulent sea leaves behind on the beach: the sole proof of their ever changing existence. During this feast the inner self becomes susceptible to divine law or truth. As drinks turns itself against the drinker and the excessive eater becomes prey to his own gluttony, the individual is turned inside out. Precisely in and through this dissipating violence, so characteristic of every feast, reconcilation takes place. Identities spin around and around in a whirling dance of heated bodies, as snowflakes during a blinding storm. This communion realizes itself as a sacrifice of personal identities.
Meidam de Kroon

NO(W) HERE ALS DE IDEALE PLAATS

No(w)Here as the ideal place
Dutch version

Concepten, percepten en affecten bij Deleuze De ideale plaats vormt een bezwangerde leegte binnen iedere cultuur. De westerse, democratische traditie wordt erdoor bespookt sinds Plato. Zijn speculaties over Atlantis en de ideale staat hebben latere generaties denkers steeds weer geïnspireerd. Zo vertaalt Thomas More beide elementen in zijn Utopia (outopos), een 'nergensland' dat louter aan de fantasie zou zijn ontsproten. Met het aanbreken van de moderne tijd krijgen deze hersenspinsels een aardser karakter. Zodra het autonoom handelende, rationeel calculerende individu de spil van de geschiedenis wordt en het politieke vertoog dat ook onze tijd nog steeds bepaalt tijdens de Verlichting aan het eind van de 18e eeuw geleidelijk aan vorm krijgt, wordt de ideale plaats een projectie in de tijd. Als toekomstbeeld geeft zij de collectieve missie van zich emanciperende burgers en arbeiders zin en richting. In de loop van de 19e eeuw beginnen kunstenaars zich eveneens te bevrijden van de kluisters van machthebbers, wat er tenslotte toe leidt dat de kunst zich opwerpt.
No(w)Here as the ideal place
No(w)Here

AAN HET LIJDEN KUNT
GE ONTKOMEN


door toeschouwer te worden
van uw eigen leven

Extatische lichamen/Ecstatic bodies

with photographer
Desirée Dolron and visual artist
Anne-Mie van Kerckhoven

Met deze uitspraak van Oscar Wilde zet Anne-Mie van Kerckhoven de toon voor het laatste hoofdstuk in haar in 1993 uitgekomen boekje Paradogma. Aan het eind van de vorige eeuw vond Wilde in een decadent estheticisme een artistieke uitweg om de aperte zinloosheid van het burgerlijke, victoriaanse bestaan zo vorm en inhoud te geven dat dit op z'n minst dragelijk werd. Voor hem waren boeken dat, wat het portret voor Dorian Gray was: een spiegel van zijn ziel. De ondragelijke lichtheid van het bestaan kon toentertijd nog door de kunst worden getorst. Wilde's flamboyante dandyisme waarin kunst en leven nagenoeg naadloos op elkaar aansloten, kreeg in het door de bohemien Baudelaire belichaamde dandyisme zijn continentale tegenhanger. Meer dan zijn Engelse kunstbroeder benadrukt Baudelaire de schaduwzijden van het findesiècle bestaan. Maar ook Baudelaire was de toeschouwer van zijn bestaan. Als dichtende, syfilitische, drankzuchtige junk leefde hij in een urbaan nomadisme zonder enige terughoudendheid de oppervlakkigheid van het hem omringende burgerlijke leven uit. Dat wat door anderen als vunzige perversie of als gedegenereerd afval naar de marges van het burgerlijk bestaan werd verbannen, werd door hem als de geurige bos rozen aan de borst gedrukt. Het vervloekte deel deelde hij mede, de bloemen van het Kwaad, 'Les Fleur du mal' waren een onmiskenbaar deel van een geësthetiseerd, decadent leven. Deze esthetisering van het kwaad vinden we terug in de roman van KarelJoris Huysmans: A rébours, Tegen de keer. De hoofdpersoon is zoals dat heet een puissant rijk, maar door het te rigoreuze fokgedrag van zijn adellijk voorgeslacht fysiek degenereerd. De neuroticus Des Esseintes is van een andere wereld. Hij verschaft zich niet vanuit zijn redelijke inzichten, zijn rationaliteit, maar vanuit zijn overgevoelige zintuigen een toegang tot en een omgang met een wereld, die hij zelf heeft ontworpen. Hij is één met zijn wereld en belichaamt derhalve het mystieke ideaal, waarvoor Huysmans later daadwerkelijk zal kiezen. Het leven van Des Esseintes is letterlijk kunstmatig. Hij heeft de ondragelijke lichtheid van het bestaan in opperste verveling door een hyperesthetisering getoonzet. Maar in Tegen de keer vindt niet alleen de decandentie en het dandyisme een van zijn meest subtiele uitdrukkingen, het is vooral een statement van een esthetisch verzet tegen de tijdgeest: het modernisme. Met zijn optimistische geloof in een nimmer te stuiten vooruitgang was een versnelling van de tijd in gang gezet, waaraan ook nu nog geen einde lijkt te zijn gekomen. Reeds in de 19e eeuw blijkt de keerzijde van deze culturele acceleratie een methodische onverschilligheid te zijn ten aanzien van allerlei remmende factoren. Dat wat het bestaan zwaar en beladen maakt, wordt steeds meer aan het oog onttrokken: wreedheid, lijden en hartstocht. Deze krachten krijgen echter in de decadente kunst alle ruimte. Zij tekent zo verzet aan tegen onverschilligheid en gelatenheid waarmee een zich in toenemende mate rationaliserende en industrialiserende samenleving zich wel moest wapenen om het tempo bij te houden en om het verlies van substantiële waarden te compenseren. Kunst tegen de keer, tegendraadse kunst. De kunstwerken die in deze traditie het levenlicht hebben gezien, zijn geen venster meer op de wereld, zoals in de premoderne werken nog het geval is. Ze getuigen niet meer van de gruweldaden en weldaden van de soevereine vorsten en prelaten, waaraan het volk zich kan vergapen. Meer dan een venster op deze soevereine wereld zijn werken als The Portrait of Dorian Gray, A rébours en Les fleur du mal spiegels van zielen van een getormenteerde kunstenaars. Geheel conform het 19e eeuwse geniebegrip legt de bohemien kunstenaar, die opzettelijk iedere band met de wereldlijke macht heeft doorgesneden en die dan wel niet voor, maar toch minstens aan zijn kunst wil sterven, zijn hart en ziel in zijn werk. Maar dit verzet tegen de wereld komt niet in eerste instantie voort uit een sociale bewogenheid, zoals misschien bij Zola het geval was. Het is veeleer een gevoeligheid voor de wreedheid van een per definitie miserable bestaan.


THE EXPULSION OF
THE STRANGER/XENOS


Fascism as the looming Shadow of
Democracy
 
A Critique of Xenophobic Reason

Heinz Kimmerle/Franz M. Wimmer (eds.)

What Bataille is describing is a peculiar entanglement of the fear for a desintegrating force that threaten the identity of a community and at the same time a fascination with it. The popular expression of this affect is horror. This fascination with purifying violence by the masses is in a sense exploited by fascism and national socialism. When Bataille wonders, around 1933, why the masses fall for the leaders and crypto "rituals" of Italian fascism and German national socialism, he reshapes the regular social economic and political explanations from his so called "mythological anthropological" of "heterological" perspective.[vi] According to him, Hitler and Mussolini embody the pre modern sacrosanct, from which they derive their charisma. Feared and adored they are positioned above the law, which they, like their pre modern predecessors, ultimately embody entirely. They can even by their own decision enforce it. Because of their questionable courtship with democratic politics and their connection to the military apparatus, Bataille believes that both autocrats are a "ghostly return of imperial sovereignty". Hitler and Mussolini appeal to a pre modern subversive sensitivity and a religious susceptibility. In addition, the charisma of the Führer and the Duce is magnified by the ritual character of party meetings, that achieved a hypnotic effect by making cunning use of the mass media. In this sense the modern society with its humanist legitimation we must realize that the racism the nazi's adhered to is bread by 19th century antropological and filological theories is still determined by this ambivalent affect of fascination and repulsion. Both nations, Italy and Germany, were desintegrating and only by a purifying violent sacrifice this desintegrating could be stopped. As the heretics and criminals, what is punished and ostracized is the Stranger, the Xenos. From the Bataillean perspective, the expulsion of gypsies, communists, homosexuals and Jews can be understood as the necessary sacrifice for the establishment of a new, national socialist or fascist identity and a new collective experience in distraught Germany and Italy of after World War I. However, this appeal to racial purity appears to be a function of the democratic aspirations to freedom, the pivotal idea of modern life. This aspiration, on which political parties survive, concerns the establishment of a non violent situation free of heteronomous influences in which everyone who meets the requirements of rationality can enjoy their freedom. The purified situation is represented by the various utopias which offer a humanist variation of the Christian idea of deliverance. In this sense socialist or liberalist utopia are but theoretical extrapolations of ecstatic experiences. Since their is no longer a transcendent power, only in the violent transgressions purity can be experienced, as a liberating ecstasy. Yet this freedom can be realized only through the disciplined struggle against and the emancipation from the violent.[vii] The "purity", Bataille seems to implicate, only exists in a total, all encompassing experience that coincides with the short lasting destruction of the order, that is in the revolt. When this revolt becomes a revolution, terror lies in wait to secure the purity of the community from within. Only terror seems to be the alternative in a world without transcendency. But this unchained violence must finally become catastrophic, because it will intensify itself by lack of aim and restraints. Purity doesn't exist either before or after the violent transgression. Therefor purity as an idea is theatrical and as an experience is cruel and even deadly. Something which fascism knows unconsciously, and on which it depends, but which finally also implicates her decline and ruin.


PERFORMANCE
TRANSFORMANCE
INFORMANCE

Installing and informing the public body
Still the museum Steall, the museum
A. Balkema/H. Slager (eds.)

De installatie van het publieke lichaam. Is, achteraf bezien, de avantgarde van weleer niet een allesverslindende Moloch gebleken? Toegegeven, zij deed inderdaad afstand van een slaafse dienstbaarheid aan iedere sacrale of wereldse autoriteit. Eveneens werd ze door de fotografie ontslagen van de plicht de autoriteit van een reeds gegeven werkelijkheid te accepteren. Maar openbaarde zich in het paradoxale verlangen om de universaliteit van het unieke op materiële wijze te realiseren, niet opnieuw een totalitair principe: het autonome werk als absolute autoriteit? 2. Erkent een artificiële levensdrift materiële begrenzingen? In ieder geval wordt iedere afsluiting doordacht (reflected), herdacht en in de materiële termen geherformuleerd. Aanvankelijk leidt dit tot steeds weer nieuwe formaliseringen. Zo versterkt een systematische vernietiging van iedere begrenzing (systematical negation of every limitation) een onstuitbaar transformerende werking de autonomie van het werk. After incorporating de subjectiviteit van de kunstenaar daagt de avantgarde achtereenvolgens de institutionele werking van de museale ruimte, de nivellerende werking van de reproduktie en de banaliserende werking van de markt uit. Ook deze incorporeert ze. In de vertering (consumption) ervan transformeert ze zichzelf voortdurend.






THE REALIZATION
OF THE IDEAL


Idealisme idee ideaal
ideologie ideelogistie

De wereld moe(s)t anders
Grafisch ontwerpen en idealisme
Leoni ten Duis/Annelies Haase (eds.)


As a concrete and unavoidable historical project however, the ideal is articulated in the absolute idealism and the political philosophy of Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831). Kant argues the necessity of the Idea and the ideal from a systematic analysis of the rational selfconsciousness, Hegel proceeds to base this necessity on an exhaustive and coherent analysis of historical processes. The interactions which occur within and between subjects are reflected in world history. Hegel calls this atuning of subjectivity and objectivity Absolute Spirit. By means of a dialectical dynamic Spirit is realized in and as History: complexes of ideas, negating and sublating each other, eventually manifest themselves as cultural, religious, legal and political institutions and as scientific, moral and political interactions. With his philosophy of history Hegel is the first to offer a dialectical guideline for the future with a scientific substructure. The present can now be analyzed from the conformity between subjective and objective processes. As a result, the literally discovered order can be extrapolated in the future: it becomes knowable and makable. In this way, Hegel closes the Kantian gap between perceptions and concepts on one side, and ideality and reality on the other. At the highest level of understanding the absolute Idea as final point of his totalizing, allencompassing philosophy the rational becomes real and reality rational. Aesthetically speaking, Hegel's philosophy is the first Gesamtkunstwerk. Within this Gesamt or system freedom of action is no longer a regulative idea: freedom is realized that is, acknowledged and practised by an insight in the necessary patterns of World history towards which collective behaviour will unavoidably be directed. Plato's 'knowledge is virtue' is given a modernistic translation. But gaining such a complex insight demands systematic training: the people have to be educated. Not by one man, Socrates, but within a complex of institutions. Kant's selfrealization of the individual becomes Hegel's project for political emancipation: a cultural, pedogogical Bildung that for the most part still pervades our current educational system. The end of this dialectically structured, emancipating collective selfrealization 'the end of History' is realized by the politicojuridical institutionalization of the Absolute Idea in the civil state and constitutional monarchy.



INDIVIDUAL GESAMTKUNSTWERK
 
Philosophy Art and Politics as Interesse

Towards a Lyotardian
post kantian aesthetics


life as a work of art On a individual scale the Gesamtkunstwerk has had more impact, given the romantic overtones of the 19th century cult of the suffering genius. Whereas Wagner tried to inspire collective life, in that same period artists like Charles Baudelaire and Oscar Wilde focus on an aesthetization of the individual life. Does Wagner mix and integrate all sorts of artistic media and disciplines, in his poetry Baudelaire aims at an interplay of all senses: a synaesthesia. While the theatrical composer Wagner projects a mythical and heroic past into the future, the dandy poet Baudelaire affirms modern city life with its excessive, dark and sublime aspects and its specific public performance: strolling the Parisian boulevards. Although the scale and the content of Wagner's and Baudelaire's Gesamtkunstwerk differ, both endeavour to reconcile life and art. The 20th century life as a work of art becomes more public than the century before. Marcel Duchamp 'politicizes' the museal space and art institution by transforming banality and conceptuality into fundamental characteristics of a work of art: a urinal. This unparalleled artistic gesture nihilates the aesthetic judgment of the beautiful. The shock of sublimity becomes the normative criterion of art practices. The most important question is from then on: “Is this art?” Duchamp's main work of art finally is his entire life. This goes for artists like Kurt Schwitters, Joseph Beuys, Andy Warhol and Hermann Nitsch. They all have their 'bedding' in large scale projects, that form a critical potential and no longer strive for totalization in a political sense: Bauhaus, Fluxus, The Factory and Orgien Mysterien Theater. For Schwitters life is a Gesamtkunstwerk: Merzbau. Beuys' social sculpture everyone is a artist Warhol's Factory everyone is a star and the Aktionen at Prinzendorf, all these experiments have a common approach: a cooperative 'entreprise' between media, disciplines and artists wherein the audience is incorporated as a constitutive part of the work of art and everyday life is taken as the point of departure. As a result the borders between art and life are problematized.


CONNECTIES
INTERACTIVITEIT
ENTERTAINMENT


Aan de toekomstige bewoners
van de huisstijl

De heterogeniteit van het Rotterdamse samenleven, misschien is het beter van nu af aan iedere abstractie af te zweren en niet langer over dé Rotterdamse samenleving maar over daadwerkelijk samenleven te spreken deze heterogeniteit treedt naar voren in openbare manifestaties: festivals. 2001 is vanzelfsprekend meer dan een feestje of een incidentele festiviteit: er valt iets meer te vieren dan knellende sociaaleconomische banden. Het gaat om een dubbelzinnig `entertainment': hoe onderhoudend dit festival ook moge zijn, hoe stichtend en leerzaam het ook moge doorwerken, voor alles dient duidelijk te worden dat entertainment niet alleen bestaande sociale relaties onderhoudt, maar ook een andere betrokkenheid en interesses initieert.


REFLECTIONS OF
THE INBETWEEN


catalogue text for
Jean-Marc Spaans

The enlightenment of Jean-Marc Spaans Is this photo the visualized result of a process wherein lightabsorbing objects are artistically framed? Did the photographer take a picture of an existing object: a bedside lamp? At first sight it is, but on closer inspection it appears to be a registration of photography lightwriting understood in its most basic impulse: as the manipulation and framing of unbearable bodies of lightness. In the final analysis this photo is the visual result of the act of photography as such: a photo of the performance of projecting light as objective matter. That is why JeanMarc Spaans both in a technical and a intellectual sense is a reflective photographer: as a lightwriter he opens a reflective space inbetween light and matter.


FREDERICH NIETZSCHE
 
Een en twintig filosofen in Bronze
Eric Claus

Nietzsche Foucault
Nietzsche was born in 1844 as the son of a minister in Rocken near Lützen in Saxony. After beginning a study on theology he changes to filology. His studies resulted in a professorat in Basel in 1896. There he met Wagner. His first book The Geburt der Geburt der Tragödie (1872) however had a cool reception. After he had to stop his military service as a result of falling of his horse, his headaches and bad sight worsened that bad that he had to retire already after 10 years. Travelling up and down from Swiss to Italy he wrote six books, namely Die fröhliche Wissenschaft, Jenseits von Gut und Böse and Zur Genealogie der Moral until in 1889 he mentally collapsed in Turin. Nursed by his family, but completely in comunicado, he lived on until the end of the century. In 1900 he died in Weimar. If ever there has been a life of a tormented soul, the life of Friedrich Nietzsche is a candidate. Not only because of his chronic headaches and as a result of lack of recognition during his life, but also because of the radicality of his philosophy. Nietzsche's philosophical life was governed by a total rejection of the intellectual, cultural and emotional achievements of christian culture. He focuses on a revaluation of all values. Initially inspired by Schopenhauer and filled with enthousiasm of Wagner's musical ideas and music he already takes his distance from both in order to systematically dismantle philosophical notions of the `true', `good' and `beautiful' and pulverize the metaphysical foundation of reality and the world The One and God with blows of his philosophical hammer. Travelling between Italian and Swiss cities, living from one New Years depression to the other, during hours long moutainwalks in the light headed mountain air Nietzsche devotes his time to a double task: on the one side the destruction of christian values and description of the nihilism that is inherent to it, on the other side the articulation of his abyssal insights: the Will to Power, the Eternal Return and the Superman. According to the philosopher with the hammer human will and action are not constituted by the autonomy of the subject God on earth but by a dynamic field of forces. Even less the order of things is determined by an quest for a heavenly or worldly paradise, but rather by the return and embodiment of the same intensities that every being unwillingly has to recapture again and again. And finally the autonomous subject is not the ultimate being that crownes evolution as most 19th century scientists stated, but this yet has te be transgressed into another form of life. In Also sprach Zarathustra Nietzsche explains these endterms of his philosophy as abyssal thoughts in what seems to be a parody of the Bible. The entanglement of his thought within itself comes to the fore in a On vision and riddle”. Zarathustra is climbing the mountain to the gate on top of which is written: `Augenblick' (Moment) As a transgression of everything that already happened and all that yet is to come, this moment destroys liniair time as the imprisonment of modern man. The Moment as momentum contains everything that has happened and still has to happen. Even the very thought Zarathustra has of this very moment: “Aand this sluggish spider that crawls in the moonshine, and this very moonshine, and I and you standing at this gate, whispering together,whispering of eternal matters have not we been here before already? (more)


MANIFEST FOR THE
DESIGN ECONOMY



In 2001 BIS published the first Everyone is a Designer, Manifest for the Design Economy

Now this little bestseller of the beginning of this millennium is out of print for several years. The editors Mieke Gerritzen en Geert Lovink now revisit the subject based on the assumption that since 2001 the proposal of the democratization of the design world has become reality in 2010. This completely new version of the book will look at the position of design itself in the ever expanding areas it finds itself in. The growth of design schools seems unstoppable. The designers born after 1980 have a total different view on visual culture, on esthetical products, visions and history than the people born before the eighties. The (communication) esthetics are in constant temporary state, design became a dynamic and unstable area. All these developments poses new questions on the status of the designer and its trade. With visual contributions, quotes and short essays from dozens of international designers, thinkers, critics and strategists this new booklet present a new Manifest for the design economy of 2010 and beyond. Mieke Gerritzen (NL) graduated at the Gerrit Rietveld Academy in 1987. In the early nineties Gerritzen was one of the first creative people involved in the development of digital media in the Netherlands. At this moment she makes films, books and organizes public events like “The International Browserday” in New York, Berlin and Amsterdam and more recently “The Biggest Visual Power Shows.”. Gerritzen creates networks with many different designers, writers and artists. Gerritzen is currently (since 2009) director of the Graphic Design Museum in the Netherlands (the only one in the world). Mieke Gerritzen received many prizes and gives lectures and presentations worldwide. Geert Lovink (NL) is a media theorist and activist, Internet critic and author of Dark Fiber, Uncanny Networks, and My First Recession. He worked on various media projects in Eastern Europe and India. He is a member of the Adilkno collective and co-founder of Internet projects such as The Digital City, Nettime, Fibreculture and Incommunicado. He is founder and director of the Institute of Network Cultures, professor at Interactive Media (Hogeschool van Amsterdam) and associate professor at the Media & Culture department, University of Amsterdam. ISBN: 978-90-6369-227-8 Design: Mieke Gerritzen Format: paperback Dimensions: 19 x 13 cm Pages: 144






MACHT UND WIEDERSTAND
IM DENKEN MICHEL FOUCAULTS


Widerstandsmomente als Elemente
eines neuen Lebensstil

H.Kimmerle (Hrsg.)

Das Andere und das Denken der
Verschiedenheit


Seit dem Erscheinen des Buches Surveiller et punir im Jahr 1975 wird Michel Foucault als der Philosoph der Macht angesehen. In diesem Buch vertritt er die Ansicht, dass die Milderung im Strafvollzug der letzten Jahrhunderte in erster Linie kein moralisches Phänomen ist. Diese kann nicht als Folge einer humanitären Entwicklung aufgefasst werden. Eher ist sie durch eine fundamental andere Wirkung der Macht seit dem Anfang der modernen Zeit, d.h. seit etwa 1800, zu erklären. Ein Jahr später beschriebt er in La volonté de savoir unsere Sexualität als eine Folge positiver und produktiver disziplinärer Machtwirkungen statt bürgerlicher Repression. Die vermeintliche Allgegenwart der Machtwirkungen lässt den Verdacht entstehen, dass Widerstand gegen diese ungreifbare Macht unmöglich geworden ist. Foucault beschränkt sich im Hinblick auf möglichen Widerstand auf sehr allgemeine Bemerkungen. Diese Behutsamkeit ergibt sich aus seiner Verweigerung, im Namen deren zu sprechen,die sich gegen die Macht empören. Doch kreist sein Denken im Sprechen über die Macht fortwährend um den Widerstand. Die Erfahrung des modernen Menschen in seiner Innerlichkeit die Subjectivität ist ein Produkt der disziplinären Macht. Sie wird durch eine Wechselwirkung zwischen der disziplinären Macht und des anthropologischen Wissens, das sich erst im Laufe der 19. Jahrhundert artikuliert, produziert. Die Analyse Foucaults scheint für seine Gegner die Unvermeidlichkeit dieses Folgezusammenhangs zu bedeuten. Er is für sie in fast macchiavellistischem Sinn der Philosoph der Macht: zynisch, fatalistisch und konservativ. In seinem Denken ist ihrer Meinung nach kein Platz für die Veränderung der Gesellschaft durch Widerstand. In diesem Text wird versucht das Argument der Gegner Foucaults zu widerlegen. Das bedeutet, Foucault wird präsentiert als der Philosoph des Widerstands. Es wird also ein anderes Wahrheitsspiel gespielt. Dazu erörtere ich zunächst die Beziehung zwischen Macht und Freiheit. Weiter analysiere ich in systematischer Weise den Begriff des Widerstands, der implizit im Denken der Macht anwesend ist. Danach wird met Hilfe dieser neuen Begriffe eine sehr beschränkte Analyse neuere gesellschaftlicher Entwicklungen in der abenländischen Kultur ausgeführt. In dieser Analyse wird Foucaults Einsatz als Historiker als Hersteller "einer Geschichte der Gegenwart" gepruft. Zum Schluss skizziere ich eine Perspektive für ein positives Verständnis der Momente des Widerstands. Dazu benütze ich einen Begriff aus den letzten Büchern Foucaults, nämlich den Begriff des Lebensstils.


PHILOSOPHIE
ALS SCHEINMANÖVER

 
Metapher

Metamophose und Ironie in despäteren
arbeiten Jean Baudrillards



Metapher, Metamorphose und Ironie in den späteren Arbeiten Baudrillards Das Schallen der Sturmglocken, das besonders in den seit 1976 publizierten Büchern Baudrillards aufklingt, hat für viele Leser einen unheimlichen Klang. Trotz der Tatsache, daß dieses Glockengeläut den Philosophen inzwischen bekannt vorkommt Denker wie Nietzsche, Heidegger und eine große Anzahl französicher Philosophen haben vor ihm schon dauernd Lärm geschlagen erregen der scheinbar satanische Spaß, womit Baudrillard extreme Ereignisse mit einander verknüpft und die lähmende Aussichtlosigkeit, die dadurch erweckt wird auch bei Ihnen Widerwillen. Trotz seiner meistens absurdistischen Stellungnahmen kann man sich nur mit Mühe dem Eindruck entziehen, daß beängstigende Aspekte unseres (post)modernen Lebens ans Licht gebracht werden. Die Kritik lenkt sich vor allem auf den aporetischen Karakter der Arbeiten Baudrillards, und auf das Fehlen einer neuen kritischen, sozialtheoretischen Perspektive. Sein Gesamtwerk würde die absolute OGrad kritischer Theoriebildung sein. Indem er kritischer als kritisch, daß heißt "hypokritisch" ist, untergräbt er seine eigene Thesen. Jenseits jeder politischen Ansicht, stellt er sich "transpolitisch" hinterlistig und entgegengesetzt auf. So fragt er sich am Ende des Buches Les stratégies fatales (1983), ob die fatale Strategien nun wirklich existieren? Und wenn er folgert daß es "vielleicht nur eine fatale Strategie gibt: die Theorie"(SF 201) und anschließend behauptet, daß "die Hypothese einer fatalen Strategie selbst ebenso fatal sein sollte"(SF 210) erregt er unvermeidlich die Frage, ob es nach diesem Buch noch ein philosophisches Leben geben könnte. Es sieht so aus, als reproduzierte Baudrillard als radikaler Nihilist in den retorischen Bewegungen seiner Texten nur die selbstverständliche Nichtssagendheit unserer abendländischen Kultur. Damit wir ein wenig Einsicht in die Terror seiner 'fatalen' Theorie enthalten, lese ich Baudrillards spätere Arbeiten im Hintergrund einer philosophischen Debatte in Bezug auf der Wert der Metapher und ihrer Funktion innerhalb des postmetaphysischen Denkens. Seine Bemerkung, daß "die Verführung die Seienden dem Reich der Metapher entzieht, damit sie dem Reich der Metamorphosen ausgeliefert werden"(SF 159), kann meiner Meinung nach nur von einer zweispurigen Problematik aus verstanden werden. Die erste Spur fängt mit Nietzsche an und führt über Heidegger zu Derrida. Sie betrifft besonders die De(kon)struktion der Metaphysik. Die zweite Spur fängt mit der Zeichentheorie De Saussures an und bekommt ihre Entfaltung in der Lacanischen Transformation der psychoanalytischen Diskurs. Darin spielen Metapher und Metonymie eine führende Rolle. Indem ich Baudrillards These, als hätte die Metaphysik ein Ende genommen und hätte die Metapher keine Beredsamkeit mehr, mit diesen Spuren verbinde, möchte ich nachweisen, daß seine Diskurs die Tätigkeit der Metapher eher voraussetzt als verneint. Zunächst pflichte ich so weit wie möglich seiner Ansicht bei, dann schlage ich eine mögliche Auslegung seines Metamorphose-Konzeptes vor, um schließlich seine These an beide Spuren anzuschließen. Dies mündet in eine Kritik an den von ihm beabsichtigten Übergang von Metapher nach Metamorphose aus. Diese Kritik richtet sich hauptsächlich auf die Verwendung einer retorischen Figur: die Ironie. Diese sprachliche Strategie wird von Baudrillard nicht Subjekten, sondern sogenannten reinen Objekten zugeschrieben. Diese fremdartige Antropomorphisierung erweckt beim Leser vielleicht einen ersten Eindruck der doppeltdeutigen
Zeichenproduktion der er ausgeliefert wird.

PHILOSOPHIE ALS KUNST?

Die Kunst der Sprache
und die Sprache der Kunst.

Kunst als Poros, Aporie als Kunstgriff Nietzsches philosophisches Werk ist voller Gegensätze. Es wimmelt von Paradoxen und Widersprüchen.
Ausdrücke, Redewendungen, ja, sogar ganze Argumentationen scheinen absichtlich paradoxal oder aporetisch konstruiert oder komponiert zu sein. Nicht nur Ausdrücke wie "wie man wird, was man ist", "ein Buch für Alle und Keinen", 'Dionysos oder der Gekreuzigte' oder Behauptungen von der Art "alles ist perspektivisch", "Sein ist Schein", "die Wahrheit ist eine Lüge" und "die Wahrheit besteht nicht" sind ein Beweis dafür, sondern es treten auch allerlei Widersprüche in und zwischen den Gedanken des Willen zur Macht, des Übermenschen und der Ewigen Wiederkehr auf. So herrscht zum Beispiel eine Spannung zwischen dem 'Ewigen' und der 'Wiederkehr' und lässt sich der evolutionäre Aspekt, der im 'Übermenschen' durchklingt, nicht mit dem zyklischen Gedanken der Ewigen Wiederkehr reimen. Wenn Karl Löwith recht hat und diese 'formalen und scheinbaren Widersprüche' sich gegen einen unlösbaren "Grundkonflikt im Verhältnis von Mensch und Welt"


KRITIK DER
XENOPHOBISCHEN VERNUFT

 
Punt/Punkt.
Düsseldorf/Den Haag

Während der jüngsten Angriffe rechtsextremer Meuten auf Häuser in Deutschland lebender Ausländer trat ein merkwürdiges Phänomen zutage: die gewalttägen Aktionen und das Verhalten der Brandstifter wurden diesmal nicht von der Polizei sondern von ihren feigen Handlangern auf Video festgehalten. Mehr noch als die nationalsozialistische Ideolgie, die realistisch betrachtet eher als eine Art subversives Rollenspiel mit dazugehörigen Kleidung und Gebärden konsumiert denn als eine tief verwurzelte, klassenbestimmende Lebensüberzeugung verkörper und ausgetragen wird, betonen diese Videoaufzeichungen ihren terroristischen Charakter. Ja, genausowenig wie die öffentlichen Bekenntnisse der Volksrepublik China sind diese Aufnahmen dazu bestimmt, Außenstehenden zu zeigen, daß man im Recht ist. Es sind vielmehr disziplinierende Optionen, um die Gruppe von innen heraus zu kontrollieren: hinterher werden "nachlässige" Gruppenmitglieder auf ihre Zurückhaltung beim Gebrauch exzessiver Gewalt angesprochen. Sie hätten sich nich explizit genug "ausgedrückt". Bei der nächsten Aktion wird allein das Bewußtsein, daß Kameras anwesend sind, so disziplinierend wirken, daß Zweifler mehr als durch ihre ideologische Gesinnung durch diese minutiöse Aufzeichnung zu Gewalttätigkeiten veranlasst werden. So gesehen liegt der Faschismus eher in der Technik als im Bewußtsein. Nicht in dem, was die Menschen denken oder sind, sondern in dem, was sie glauben, tun zu müssen, um dem unentrinnbaren Zwang des Mediums zu entsprechen.

VAN SCHIJNHEILIGHEID
NAAR DE HEILIGHEID
VAN DE SCHIJN


Henk Oosterling Over
subjectkritische bemoeienissen
met Japan


In de misprijzende toon waarop lange tijd in het westen over de copieerlust van de Japanners is gesproken, resoneert onwillekeurig een 2000 jarige platoons christelijke denktraditie waarin de discussies over de tegenstelling tussen schijn en werkelijkheid altijd in het voordeel van de laatste werd beslist. Bovendien klinkt in het lichtelijk denigrerende 'copiëren' indirect een negatieve waardering door die meer dan op de Japanse omgang met de wereld op een typisch westerse cultus wijst die de kern vormt van het begrip moderniteit, namelijk de cultus van de originaliteit, die samenhangt met de problematiek van het subject. De Japanse copieerlust zou een ontkenning zijn van dat waarin westerse individuen zichzelf van elkaar menen te onderscheiden: hun autonome zelfbepaling en hun creatieve aandrift om steeds weer het nieuwe te realiseren. Laten we vanuit intercultureel oogpunt de wisselwerking tussen tendensen in het Japanse denken en die in de westerse subjectkritiek eens iets minutieuzer beschouwen.




(samen met L. Vitalis) Kendo. Techniek, taktiek en didaktiek. NKR, Rotterdam 1985/2007
1989 De opstand van het lichaam. Over verzet en zelfervaring bij Foucault en Bataille. SUA, Amsterdam.
1996 Door schijn bewogen. Naar een hyperkritiek van de xenofobe rede. Kok Agora, Kampen
2000 Henk Oosterling, Radicale middelmatigheid. Boom, Amsterdam 2000 (2e druk 2002)
2000 Henk Oosterling, On the Border. Hollandia's hypocritical theatre. Amsterdam 2000, 62 pp.(A4 formaat)
(met Dennis Kaspori) Bewoningsin(ter)venties. Een prospectus voor alternatieve woningbouw. Themaze coorporation, Rotterdam 2003.


Over verzet en zelfervaring
bij Foucault en Bataille


het verdwijnen van het subject

Eind jaren zestig luidde Michel Foucault

Toen hij vervolgens velen de illusie ontnam dat `de macht' definitief uitgeschakeld zou kunnen worden, betekende dat in filosofisch opzicht de dood van de traditionele politiek. In dit boek wordt een nieuw licht geworpen op Foucault, die als denker van de macht in brede kring voor fatalistisch doorgaat. Het laat zien hoe het gedachtengoed van een andere, opnieuw in de belangstelling staande Franse filosoof Georges Bataille, Foucault heeft geïnspireerd. Uit een analyse van de wijze waarop door Bataille geïntroduceerde begrippen als `grenservaring' en `overschrijding' bij hem hebben doorgewerkt, blijkt dat Foucaults werk aanknopingspunten bevat voor een veelvoud van nieuwe politieke inzetten. Verzet blijkt zij het in een diversiteit van vormen en vanuit een onverwachte hoek: lichamelijkheid wel degelijk aanwezig.Vanuit deze invalshoek worden een aantal vormen van avantgardekunst, jeugdsubculturen en levensstijlen onder de loep genomen.


MOVED BY APPEARANCE

Door schijn bewogen

Naar een hyperkritiek van de
xenofobe rede
 
Towards a hypercritique of xenophobic reason The complex relations between three lines of thought are indicated by the title and the subtitle of this dissertation: Moved by appearances. Towards a hypercritique of xenophobic reason. A wide spread phenomenon is treated seriously: the modern individual's behaviour is deeply influenced by appearance, varying from the remnants of utopian imagination via the temptations of a spectacle and consumer society, to computer simulations. Being affected by these appearances however implies more than a merely mechanical manner of behavior according to the laws of a market economy or of biological survival. An epistemological reflection of being moved by appearances leads on the one hand to a radical critique of western metaphysics as a specific way of thinking: identifying and totalizing. On the other hand this reflection can be an inspiration for an ethicopolitical attitude: what historically was excluded, is not only tolerated, but moreover respected for its irreducible heterogenity.



RADICALE MIDDELMATIGHEID

De doorwerkingen van technologische media op ons
dagelijks doen en laten zijn onloochenbaar
Radicale middelmatigheid

Van de bevrediging van onze onmiddellijke behoeften en de consumptie van entertainment tot het onderhoud van sociale netwerken en het bedrijven van lokale en globale politiek zijn we aangewezen op technologische hulpmiddelen. Tv, auto, videocam, computer, gsm en visacard zijn daarvan slechts de meest herkenbare materiële gestalten. Deze media zijn geïntegreerd in informatie en communicatietechnologische processen die zich exponentieel op wereldschaal vertakken. We denken dat materiële hulpstukken ons gedienstig omringen. Maar in feite nemen ze ons in zich op en (be)dienen we hen.


OOK EEN SCHRIJVER IS EEN LEZER

De opstand van het lichaam

Verzet in het werk van Foucault

Overgeleverd aan de dynamiek van vertogen schuift hij van de ene positie naar de andere. Vaak sluipend, soms echter schoksgewijs worden in dit proces ervaringen getransformeerd. Mijn eerste confrontatie met Foucault’s gedachtegoed was frontaal. Ik botste op een ontoegankelijke wereld. Niet alleen joeg hij mij met zijn apocalyptische visie op `het einde van de mens' de filosofische stuipen op het lijf, er ging van zijn eerste boeken een verlammende werking uit. Na de lancering van zijn radicale visie op de macht zo'n kleine tien jaar later begreep ik pas de volle omvang van wat hij op het spel zette. Het meest dierbare goed van de moderne, westerse mens: diens vrijheid om de wereld naar eigen goeddunken in te richten. En daarmee gaf hij te kennen dat ieder verzet, hoe oprecht en strategisch doordacht ook, ijdel was. Weerzin moet, zo realiseer ik mij achteraf, de aanzet tot deze tekst geweest zijn. Maar doordat Foucault voortdurend over vrijheid en verzet bleef spreken en zijn persoonlijke activiteiten daarvan telkens weer getuigden, sloeg deze door onbegrip en onmacht ingegeven reactie tenslotte om in haar tegendeel. Ik raakte gefascineerd door zijn visie op de macht, leerde ermee naar de wereld te kijken en moest tenslotte toegeven dat hij meer dan andere denkers de ogenschijnlijke tegenstrijdigheden van het verzet onder woorden had gebracht. Tegelijkertijd begreep ik dat er nog steeds sprake was van vrijheid, zij het van een geheel andere kwaliteit. Door zijn laatste publicaties werd ik in deze opvatting gesterkt. Ik heb getracht in Foucault’s werk één van de vele wegen naar deze andere vrijheid te traceren. Daarbij ben ik op het werk van Georges Bataille gestoten. Gestoten is de juiste uitdrukking: hoewel ogenschijnlijk toegankelijker bleken zijn geschriften weerbarstiger en minder grijpbaar dan die van Foucault. Bataille lezen bood mij echter het voordeel dat ik direct ik zou haast zeggen: lichamelijk met subversieve krachten geconfronteerd werd. In het licht van zijn invloed op Foucault’s werk kregen diens sporadische opmerkingen over verzet een nieuwe dimensie. Mijn tekst poogt deze dimensie bloot te leggen. Daarbij zij opgemerkt dat er het een en ander af te dingen valt op de concrete invulling van de inzichten van zowel Foucault als Bataille. Het was mogelijk geweest om in een kritische studie deze tekortkomingen breed uit te meten. Dat was echter niet mijn bedoeling. Het is, op meer of minder overtuigende wijze, reeds door anderen gedaan. Veeleer heb ik getracht de vruchtbaarheid van de inzichten van Foucault en Bataille te tonen, door deze aan een aantal actuele ontwikkelingen te toetsen. Op het gevaar af onkritisch, zelfs eclectisch te lijken, heb ik gepoogd hun inzichten tot het uiterste te volgen om deze tenslotte, gehoor gevend aan hun eigen wens, te misbruiken. Rest mij nog mijn oprechte bewondering uit te spreken voor de terriërachtige vastberadenheid waarmee de SUA redactie, te weten Cris van der Hoek, Jeroen Onstenk, Jansen Schöttelndreiër en Hannie van Wijk, zich van haar taak gekweten heeft om mij op het `rechte' schrijfpad te brengen en te houden. En Anne Marie te danken voor de onvolprezen wijze waarop ze dit bij tijd en wijle heeft verlicht.


NIETZSCHEAANS
TRANSHUMANISME


Autonome subjecten of
soevereine individuen


In een brief aan Peter Gast alias Heinrich Köselitz bekent Nietzsche (1844 1900) dat hij enorm lijdt onder de breuk met Richard Wagner: "Het is nu voorbij en wat heeft het voor zin in allerlei stukken tegen hem gelijk te hebben? Alsof daarmee dit verlies aan sympathie uit mijn gedachten gebannen kan worden?"(B6.36) Beseffend dat deze breuk niet op zich staat, maar dat zij het onvermijdelijke gevolg is van een denkproces dat tot zijn uiterste grenzen is gegaan, bekent Nietzsche hoe de vermeende onmenselijkheid van zijn gedachten zich in de spaarzame contacten met zijn medemensen wreekt: "nu nog wankelt na een uur van sympathieke gesprekken met wildvreemde mensen mijn gehele filosofie; het lijkt mij zo dwaas gelijk te willen hebben ten koste van de liefde en het meest waardevolle van je denken niet te kunnen mededelen zonder dat daarmee de sympathie wordt opgeheven."(B6.37) In deze vertwijfelde opmerkingen treedt een frictie aan het licht tussen theorie en praktijk, tussen denken en doen. Nietzsche heeft deze menselijke, al te menselijke tweespalt haarfijn aangevoeld. Zonder er de scherpte aan te ontnemen heeft hij de spanning die deze eigen is doordacht en noodgedwongen moeten doorleven. Een existentiële noodzaak ontneemt derhalve zijn uitspraken iedere valse dramatiek. Zij getuigen veeleer van een onontkoombare radicaliteit. Als niemand voor hem heeft Nietzsche zowel de ondenkbaarheid van het leven als de onleefbaarheid van het denken ervaren. Het heeft geen zin om het 'humanistische' karakter van Nietzsches inzichten te bewijzen. Wel om vanuit een herinterpretatie van de 'afgrondelijke' gedachten van de Wil tot Macht, Übermensch en de Eeuwige Terugkeer tot een andere lezing van zijn werk te komen, waardoor het stigma 'antihumanisme' als vanzelf uit beeld verdwijnt. Nietzsche wordt als het ware over het debat heengetild. Daarmee eindigt hij echter geenszins in een niemandsland voorbij goed en kwaad. Teneinde dit 'transhumanistische' aspect aan het licht te laten treden doe ik een beroep op het werk van Georges Bataille (1897 1962) wiens Nietzscheinterpretatie mede als kritiek op de nazimalversaties ten opzichte van Nietzsches filosofische nalatenschap is ontstaan: "Tussen de gedachten van een fascistische of andere reactionair en die van Nietzsche is meer dan een verschil: een radicale onverenigbaarheid"(OC 6.186). Tegenover de daadwerkelijke opslag en feitelijke bewaring in de zin van: tot waarheid maken van Nietzsches gedachtengoed door de nationaalsocialisten blijft Bataille naar mijn mening de paradoxale intensiteit van diens denken trouw. Een intensiteit die voortvloeit uit de onvoorwaardelijke problematisering van iedere waarheid en een radicalisering van het modernhumanistisch gedachtengoed van Kant en Hegel.

BATAILE VERWERPT
HET FASCISME ALS
EEN ANACHRONISME

FASCISME ALS EEN ANACHRONISME

Hij kwalificeert het als 'de spookachtige terugkeer van een premoderne soevereiniteit': het neemt moedwillig plaats op diens lege troon. Daarmee lost het de absolute waarheid op. Bekleed met deze pseudosoevereiniteit werpt het zichzelf op als dé zingeving van het menselijk bestaan en de geschiedenis. Met deze usurpatie vernietigt het definitief de spanningsverhouding, terwijl Bataille slechts tijdelijke 'oplossingen' meent te zien. Maar tegelijkertijd ziet hij ook dat het fascisme een gestalte is van de onuitroeibare behoefte om in het uitsluitende geweld een nieuwe gemeenschap of identiteit te ervaren. Door het primaat van het autonome subject kan de burgerlijke samenleving zich niet voldoende rekenschap van deze behoefte aan 'geweld' geven, hetgeen tot catastrofale geweldsexplosies moet leiden. Zo blijkt fascisme het slechte geweten van de burgerlijke democratie te zijn. De crisis, waarin het moderne bewustzijn verkeert, blijft het 'object' van Batailles verdere onderzoek. Ondanks zijn aandacht voor de polaire tegenstellingen ontwerpt hij geen dualistische ontologie: goed en kwaad bestaan niet op zich. Hij schrijft derhalve geen metafysica van het kwaad. Er is geen sprake van een strikte scheiding tussen een 'echte', en een 'schijnwereld', zoals bij Plato en in zekere zin ook bij Kant het geval is. En in tegenstelling tot Hegel vat hij de verhouding van beide polen nict dialectisch op: de spanning kan niet opgeheven worden. Sterker nog, de mens leeft van deze spanning. Hij ontwerpt zijn menselijkheid op de grens van beide werelden. Daarom betekent voor Bataille `het woord "menselijk" te allen tijde een "systeem" van tegenstrijdige bewegingen'. Het duidt nimmer op 'een eenduidige positie', maar veeleer op 'een precair evenwicht, dat specifiek voor de kwaliteit "menselijk" is'. Soevereiniteit is geen kwaliteit meer van een transcendent object, maar wordt de benaming van een totale immanentie, van een 'expérience intérieure'. Deze 'innerlijke ervaring', die omwille van zichzelf en niet ten behoeve van een versmelting met een transcendent wezen wordt nagestreefd, wordt in L'expérience intérieure als volgt omschreven: 'dat wat men gewoonlijk mystieke ervaring noemt: de toestanden van extase, van verrukking'. Maar, zo voegt Bataille eraan toe, 'ik denk minder aan de confessionele ervaring, waartoe men zich tot nu toe heeft moeten beperken, dan aan een naakte ervaring, zelfs in oorsprong vrij van bindingen van welke confessie ook. Om die reden houd ik niet van het woord mystiek Vervolgens verschuift Bataille het perspectief naar de meer 'existentiële' betekenis van de soevereine ervaring. In Sur Nietzsche. La volonté de chance, een tekst die evenals L'expérience intérieure een sterk autobiografisch karakter heeft en in een overeenkomende stijl is geschreven, keert de polariteit homogeen heterogeen terug in de tegenstelling autonoom subject soevereine mens. Nu wordt duidelijk dat het niet meer om een zuivere tegenstelling gaat. In de tweede term is de spanning tussen het homogene en heterogene al geïnvesteerd, zonder dat er overigens van een dialectische verzoening sprake is. De soevereine of de volledige mens is 'in essentie slechts een wezen waarin de transcendentie zich teniet doet, van wie niets meer gescheiden is: een beetje een pias, een beetje God, een beetje gek'. Hij leeft de onophefbare spanning die aan het menselijke kleeft. Zijn leven is 'een feest "zonder grond", een feest in de volledige betekenis van het woord, een lach, een dans en een orgie die zich nooit ondergeschikt maakt, een offer dat met alle doelen, goederen en moralen spot'. Door deze grondgedachte heen schittert het vitalisme van Bergson en krijgt de lezing van Le rire zijn beslag. In de lach verteert de mens niet alleen iedere samenhangende betekenis, maar aan de grens ervan, daar waar lachen over gaat in snikken valt het individu zelf aan dit 'verterings'proces ten prooi. In de lach, die minstens zo aanstekelijk is als de erotische opwinding en even verraderlijk werkt als alcohol, drugs of muziek, kan het aanvankelijk beheerste verbruik plotseling omslaan in extatisch exces, waarin het 'subject op zijn kookpunt' raakt. Maar kan een individu voor zo'n soeverein bestaan kiezen? In geen geval, het valt hem slechts toe. Vandaar dat de ondertitel bij Sur Nietzsche met een verwijzing naar de wil tot macht' volonté de chance', wil tot kans of toeval, luidt. Een paradoxaal begrip, daar het toeval immers niet te willen is. Niet de autonomie van het subject, maar het verlangen naar soevereiniteit, waarin het zelfverlies plotseling en tijdelijk intreedt, kenmerkt de wil tot toeval. Deze 'wil' duidt meer dan op een individuele wil op een bepaalde houding, die het individu ten aanzien van het Andere of het heterogene inneemt. Hierbij gaat het om een alerte ontvankelijkheid of een actieve overgave die, omdat het geweld dat onherroepelijk aan een doodservaring kleeft niet wordt ontkend, tevens een bevestiging van het lijden inhoudt. Soevereniteit en doodsfascinatie blijven ook in het naoorlogse werk de belangrijkste thema's. Bataille probeert nu de kritische waarde van zijn soevereiniteitsbegrip aan actuele politieke en economische ontwikkelingen te toetsen. Hij ontwerpt een drieluik onder de titel: La part maudite, essai d'économie générale, waarin La notion de dépense een uitgebreid vervolg krijgt. Zoals de titel reeds aangeeft, wordt er gepoogd het op nut gerichte menselijk handelen zo te belichten, dat het vervloekte deel, met zijn verspillende geweld, daarin positief verdisconteerd wordt. Wordt de burgerlijke, beperkte economic door de rationele produktie, distributie en consumptie van waren gekenmerkt, de algemene economic kent de belangeloze verspilling van een overvloed met de zon als paradigmatisch voorbeeld als motor. Evenals voorheen met het geweldbegrip het geval was, krijgt ook de notie economic een veel ruimere betekenis: het slaat op alle vormen van menselijk handelen. Deel één krijgt de ondertitel La consumation oftewel 'de vertering/het verbruik': een aanvankelijk beheerst verbruik waaraan de verbruiker zelf ten prooi valt. Voorwerp van deze studie zijn verschillende economieën van de door het Marshallplan gereanimeerde Europese economie via de socialistische planeconomie tot aan de religieuze Tibetaanse economie in zoverre zij expliciet of impliciet de verspilling erkennen of verwerpen. In deel twee L'érotisme exploreert Bataille vervolgens het erotische gedrag door de eeuwen. Niet om een geschiedenis van de sexualiteit te schrijven maar om de relatie tussen dood en erotiek vanuit het standpunt van de verspilling en tegen de achtergrond van de 'expérience intérieure' te onderzoeken. Erotiek is 'een van de aspecten van het innerlijk leven van de mens', maar vanuit de beperkte economie bezien kan de perversiteit die haar aankleeft slechts als een overschrijding van de op leven en produktie gerichte seksualiteit worden opgevat. Toch zoekt de moderne mens in toenemende mate deze verspillende ervaring omwille van haarzelf. Erotiek is doel op zich, soeverein. Het genot wordt gezocht, niet de produktie. Naar Batailles mening mede omdat deze ervaring de mens onbewust in contact met de dood brengt. Zowel in de kunst wat Bataille in het latere Les larrnes d'Eros uitwerkt als in de erotiek is er sprake van een zekere vervoering, van een tijdelijke, extatische 'oplossing' van het subject. Zijn vergelijking tussen het orgasme (Frans: 'la petite mort') en de dood is bij nader beschouwing dan ook weinig opzienbarend.


ETHIEK EN
BEWUST ZIJN
VAN DE DOOD
IN JAPAN


Crisis van de rede

De hedendaagse Japanse ziel is door twee collectieve doodservaringen getekend. Terwijl het Westen de apocalyps slechts als een 40 jaar lang gekoesterd visioen of als een door een kwaad geweten verdrongen angstbeeld ten gevolge van de massale vernietiging van het verdrongene van haar eigen samenleving, dat wil zeggen van joden, zigeuners, communisten en homosexuelen heeft gekend, onderging Japan een dubbele apocalyps: de op 1 januari 1946 over de radio uitgezonden verklaring van de Japanse keizer Hirohito, dat zijn goddelijke afstamming een verzinsel was, werd vooraf gegaan door de atoombombardementen op Hiroshima en Nagasaki. Deze vernietiging kon niet zoals in Westen verdrongen, ontkend of gemarginaliseeerd worden, maar vereiste een expliciete collectieve omgangsvorm: een ritueel. In de jaarlijkse manifestatie in Hiroshima culmineert het dagelijkse leed, dat nog steeds het leven van vele Japanse gezinnen bepaalt Tot twee maal toe dringt zich aan het collectieve bewustzijn het accute besef van eindigheid op. Als u de intensiteit van het eerste gebeuren wil bevatten, stelt u zich dan eens voor wat het voor toegewijde katholieken zou betekenen, als de Paus morgen voor CNN verklaart, dat hij niet de plaatsvervanger van God op aarde is. Onze nihilistische onwil of onmacht dit gebeuren te bevatten geeft wellicht aan hoe ondoorgrondelijk de Japanse ziel voor ons is

LYOTARDIAANSE
POLITIEKE THEORIE
VAN MARX NAAR KANT


Lyotard lezen Ethiek,

onmenselijkheid en sensibiliteit

In de kleine twintig jaar die daarop volgen ontwikkelt Lyotard een politieke 'theorie' van geheel andere aard. Verschillende denkers treden op de voorgrond: naast Marx vooral Freud, Nietzsche en meer linguïstisch georiënteerde denkers. In zijn politieke teksten figureren deze tegen het decor van het moderne politiekfilosofische gedachtengoed van Kant en Hegel. Lyotard deelt Kants politiekfilosofische oriëntatie. Kritiek op een onbetwistbare metaregel, een pleidooi voor een vrij en open debat en een specifieke vorm van vooruitgangsdenken, het is allemaal in Lyotards werk terug te vinden. Wat ik ten slotte een 'aftastend' denken zal noemen, krijgt zijn eerste contouren aan het eind van de jaren zeventig, wanneer hij zich op de in de Kritik der Urteilskraft uitgewerkte problematiek van het reflexieve oordeelsvermogen richt. Reflexiviteit bestaat erin teneinde de samenhang van afzonderlijke gevallen te kunnen denken er naar een gemeenschappelijke regel wordt gezocht. Opgevat "in deze oordeelkundige (en niet in een technische) zin" is er bij Lyotard nog sprake van een Verlichtingsfilosofie. De strijd tussen de klassen is veranderd in een onoplosbare strijd die reeds in de materile uitdrukking van het reflexieve oordeelsvermogen in zinnen (phrases) besloten ligt. Vandaar dat de ondertitel bij de Engelse vertaling van Lyotards bijdrage aan La faculté de juger (1985) "Judicieux dans le différend" naar mijn mening de specificiteit van zijn positie pregnant uitdrukt: "Or Kant after Marx". Kortom, wanneer Lyotard als een 'postmoderne Kant' kan worden omschreven, dan dient daarin, zeker met betrekking tot de politieke rede, de materialistische grondslag van het marxisme te worden verdisconteerd. Kants op een transcendentale fundering van het oordeelsvermogen georinteerde bewustzijnsfilosofie ondergaat een radicale transformatie. In zijn lezing van Kant kan een fysiologische verankering noch een 'linguistic turn' worden veronachtzaamd. Het resultaat is een filosofie van zinnen. Door een deels nietzscheaans, deels structuralistisch geïnspireerde kritiek op de autonomie van het subject krijgt het reflexieve oordeelsvermogen respectievelijk een fysiologische en een talige dimensie. Lyotards constatering dat de Grote (politiekfilosofische) Vertelling van Kant door zijn eigen geschiedenis is ondermijnd houdt weliswaar geen afwijzing van diens filosofische oriëntatie in, zij noopt niettemin tot een herbezinning op de aard van "een Verlichtingsfilosofie, maar dan zonder autonomie van het subject, of zelfs maar de eenheid van het subject, en eveneens zonder de daarbij behorende teleologie van de geschiedenis". Zijn er nog politieke opties voor een filosoferen waarin het moderne politieke gedachtengoed collectieve zelfbepaling, emancipatie en de realisering van een utopisch potentieel wordt ondergraven?


DE PROBLEMATIEK VAN
DE SCHIJN IN HET
WESTEN VAN SCHIJNHEILIGHEID


naar de heiligheid

van de schijn in Japan

Deutsche Version

Plato's verwerping van de kunst als verdubbelde schijn, als copie van copie heeft het westerse denken beslissend beïnvloed. De schijn als een herhaling van een origineel heeft een reeks andere noties, zoals herhaling, mimesis en voorstelling, in haar (zonde)val meegesleurd. Zowel het westerse christendom met de scheiding tussen het aardse en hemelse, de zonde en de waarheid als ook de cartesiaanse dualiteit van lichaam en geest zijn cultuur historisch bepaalde gestalten van deze platoonse afwijzing. Als aan het begin van de 19de eeuw in de reflectiefilosofie van Kant en Hegel de relatie tussen schijn en zijn gedynamiseerd wordt en de beide polen van deze relatie in het kenproces steeds weer stuivertje wisselen, vindt de schijn in toenemende mate genade in de ogen van filosofen. Maar het zal pas in Nietzsches cultuurkritische werk zijn dat schijn de problematische status krijgt die hedendaagse filosofen aangrijpen om onze door media en beelden bepaalde postmoderniteit aan een grondige diagnose te onderwerpen. Het blijft de vraag in hoeverre Nietzsches kritiek op de westerse metafysica beïnvloed is door zijn beperkte kennis van oosterse culturen. Ondanks het uitblijven van een antwoord is het interessant genoeg om de opvatting over schijn in met name Japan te onderzoeken om zo meer licht te werpen op het nogal wisselvallige karakter van de mentale oscillaties tussen fundamenteel verschillende culturen. Als aangrijpingspunt fungeert de beruchte Japanse copieerlust, die aanvankelijk door het Westen wat lacherig werd genegeerd. Een meesmuilende glimlach die, naar mate het economische wonder dat zich in het land van de rijzende zon voltrok, in verbijsterend ongeloof omsloeg. Misschien dat deze onvermoede transformatie iets te maken heeft met de Japanse opvatting omtrent de relatie tussen schijn en zijn. Daar wij, westerlingen, sinds ruim een eeuw tot het besef zijn gekomen dat ons zelfbewustzijn tot op zeer grote hoogte door de taal die wij als het ware belichamen wordt bepaald, lijkt het me een zinnige aanzet om het Japanse schrift te onderzoeken op haar mogelijkheden om zoiets als die fundamentele tegenstelling tussen schijn en zijn uit te drukken.



LYOTARDS AFTASTEND DENKEN

De invloed van Immanuel Kant op contemporaine denkers


Zonder de kwestie in algemene zin op te willen lossen, kan men op z'n minst laten zien dat het hier om een schijnprobleem gaat. Het Marokkaanse proletariaat is er absoluut niet aan toe zijn eigen dictatuur te vestigen. Het is natuurlijk talrijk, maar revolutionaire krachten inschatten is wat anders dan boekhouden. Het gaat niet om boekhouden. Wat telt is dat het proletariaat geen helder bewustzijn van zijn eigen doelen en vermogens heeft. Deze arbeidersklasse is niet socialistisch en kent nog geen avantgarde.


EEN BATAILLESKE ACTUALITEIT

Het verzekeringswezen floreert

Existentialisme en Humanisme in postmoderne tijden Geen enkele organisatie weet zichzelf zo verzekerd van een gouden toekomst als levensverzekeringsmaatschappijen. Zelfbeschikking, vrijheid en verantwoordelijkheid hebben een nieuw gezicht gekregen: met gezondheid als hoogste waarde en aansprakelijkheid als laatste toetssteen wordt onsterfelijkheid omgezet in klinkklare munt. Door de kapitalisering van de gezondheid garanderen levensverzekeringsmaatschappijen in ieder geval zichzelf een zorgeloos bestaan. Het megalomane, zelfgenoegzame karakter van deze mengeling van zielzorg en lijfsbehoud drukt zich uit in een architectuur die daadwerkelijk tracht hemel en aarde met elkaar te verbinden. Maar in tegenstelling tot haar illustere gothische voorgangers die het hemelse licht in hun innerlijk lieten kolken, schermen de postmoderne kathedralen, als in een mystieke zelfbespiegeling, hun geheim het (zelf)verzekerde leven hermetisch af met zwart spiegelglas waarin de buitenwereld slechts zichzelf ziet. De door het mystieke leven aangetrokken Bataille schrijft op 21jarige leeftijd een euforisch essay over de kathedraal van Reims. Twee jaar later zweert hij het katholieke geloof resoluut af. Geleid door een werelds sensualisme keert hij zich tegen de clericale en imperiale architectuur. Vanaf dan beschouwt hij deze als dé metafoor van een totalitair zelfbewustzijn waarin alle waarden hiërarchisch en uitputtend zijn gerangschikt. De invloed van zijn intellectuele erfgenamen ten spijt zou Bataille door het deconstructivistische manirisme van de postmoderne 'godshuizen' niet van het tegendeel overtuigd zijn. Niet een door God verordende, absolute wet, noch een op disciplinering gericht stelsel van sociale normen, maar een uit zijn paradoxen barstend, technocratisch regelsysteem fungeert heden ten dage als laatste toetssteen voor individuele en collectieve gedragingen. Door de sociaaltechnologische complexiteit ervan kan niemand meer verantwoordelijk worden gesteld: "het zit in de computer". Het grote gelijk en de genoegdoening zijn slechts achteraf te halen. Niet schuld of verantwoordelijkheid, maar aansprakelijkheid lijkt de laatste grond van het hyperindividualistische bestaan. Iedereen en alles kan worden aangeklaagd: van de onoplettende buurman tot de president van de USA, zelfs de Roomskatholieke kerk. Heeft in een dergelijke samenleving Bataille's 'atheologischexistentieel denken' nog zeggingskracht? Heeft zijn gedachtengoed, dat tussen 1918 en 1962 ontwikkeld is in het katholieke Frankrijk, ons nog iets te zeggen? Op allerlei gebieden sociaalpolitiek, technologisch, cultureel staan tegenwoordig de zaken er immers anders voor dan in deze door scherpe tegenstellingen en oorlogen bepaalde periode. Bataille's wereld wordt nog door strenge taboes gereguleerd. Pas na zijn dood in 1962 wordt dit immense bouwwerk systematisch ondergraven en onttakeld. Tegenwoordig krijgt de sociaalpolitieke en economische werkelijkheid door andere wet of dwangmatigheden samenhang en richting. Niet alleen door deze volstrekt nieuwe constellatie is de vraag naar de existentiële en politieke implicaties van Bataille's gedachtengoed moeilijk te beantwoorden. Sartre's reactie getuigde er al van dat Bataille's teksten op het moment van verschijnen problematisch waren: niet alleen door de onderwerpen die hij ter sprake bracht, ook door zijn formuleringen en oneigentijdse inzichten. Door een bewust ingevoerde ambiguïteit wellicht zijn Bataille's teksten nog steeds minstens voor tweerlei uitleg vatbaar. Door sommigen worden ze als radicaal kritisch en subversief geprezen, door anderen daarentegen als 'linksfascistisch' afgewezen. De steen des aanstoots is altijd weer Bataille's zeer eigenzinnige positie ten aanzien van het geweld. Leest de een in zijn tractaat over de psychologische structuur van het fascisme (OC I.339371) een aperte afwijzing, de ander meent hierin juist een onmiskenbare fascinatie te ontdekken die bij uitblijven van een duidelijk politiek statement als een verdachte sympathiebetuiging wordt gelezen. Kortom, op de vraag "Wat heb je er aan?" is een eenduidige antwoord niet mogelijk, te meer als we bedenken dat juist de kloof tussen theorie en praktijk dat wil zeggen: de ontoereikendheid om denken in resolute daadkracht om te zetten Bataille's doelwit is.


Marktfundamentalisme
en ICTheologie

Ontotheologische vooronderstellingen
van de
informatiemaatschappij

De omheining doorbroken. Economie en filosofie in beweging. Frans van Peperstraten (red.)








NORMVERVAGING OF
NORMVERSTERKING?


Over geweld en moraliteit


Wat heet normvervaging? Het loslaten van de koppeling en de inbreuk op het sociale stelsel van de huidige regering? De aanval van rechtsradicale jongeren op tehuizen voor buitenlanders of linksradicale op rechtsradicale? De als videospelletje gepresenteerde slachting van de bevolking van Bagdad? Het toenemend aantal seriemoorden in Amerika? Westerse wapenleveranties aan de Irak? Bevordering van roken om meer accijnzen te innen? Zaterdags met de auto boodschappen doen in het met auto's dichtgeslibte centrum dat op een steenworp afstand van huis ligt? De restauratie van een schilderij voor acht ton? Is er eigenlijk wel sprake van normvervaging? Ik stel vraagtekens bij een te gemakkelijke gebruik van dit begrip zonder overigens een constateerbare morele onverschilligheid onder tafel te vegen. De vanzelfsprekendheid waarmee over morele apathie en het op een of andere wijze daarmee samenhangende criminele geweld gesproken wordt, zal ik op vier manieren trachten te nuanceren: sociaalpolitiek met een pseudoantropologische ondertoon, cultuurhistorisch, sociologisch en sociaalpsychologisch.


ONYX

Tijdschrift van de faculteit der Wijsbegeerte R'dam

Postmoderne democratie
en indifferentie



WORDT DE HUIVERING NOG WEL GEWEKT?
 
Over de angst voor het Vreemde

Speling het Tijdschrift voor bezinning


VRIJ-DENKEN ALS
BEVRIJDING
VAN HET DENKEN


Foucaults anarchie tegen de almacht van het denken

De bevrijding van het anarchisme

Het vrije denken is het denken, wat werkelijk dóórdenken kan; wat derhalve de werkelijkheid kan doordenken en doordenkt, en daarmede ook zichzelf doordenkt, want het denken zèlf behoort óók tot de werkelijkheid. Het vrije denken is dus niet een denken, wat zich de werkelijkheid denkt, zooals het de werkelijkheid het liefst ziet; óf zooals het zich de werkelijkheid op haar mooist voorstelt; óf zooals het de werkelijkheid het liefst zou willen hebben. Zoo stellen zich n.l. de meeste menschen het vrije denken voor. Ongeveer ieder meent, dat hij kan denken en het recht heeft, om te denken, wat hij maar wil; en dat denken wordt dan gewoonlijk vrij genoemd. Dat is het denken van Jan en Alleman.


EEN WERELD VAN VERSCHIL

Over zingeving en (spi)ritualiteit in
postmoderne tijden



In 443 voor Christus, onder het bewind van de Griekse staatsman Perikles, die bekend staat om zijn democratisch elan, werd een van diens politieke tegenstanders, genaamd Thukydides, uit Athene verbannen. Het juridische instrument waarvan men zich bediende, heette het schervengericht of het ostrakisme. Dit volksgericht was ruim 60 jaar daarvoor door Kleisthenes ingesteld met de bedoeling tirannen door middel van een referendum de pas af te snijden. Zodra minstens 6000 burgers de naam van één en dezelfde persoon op een potscherf schreven, kon de desbetreffende persoon voor hoogstens 10 jaar uit de stadstaat verbannen worden zonder dat overigens zijn eer bezoedeld werd of zijn bezittingen verbeurd werden verklaard. Dat vriend noch vijand gespaard bleef, blijkt wel uit het feit dat een andere Thykydides de geschiedschrijver van de peloponnesische oorlog die juist stevig bevriend was met Perikles in 424 hetzelfde lot toeviel. De overtuiging dat scherven geluk brengen, zal door beide heren niet zijn gedeeld. Schervengerichten zijn na 417 v C. in onbruik geraakt.

OORLOGSRETORIEK IN
DE POLDER


Buiten de Orde





DUIVELSCIRKEL DER
FUNDAMENTALISMEN


Aanzetten tot discursief exorcisme
Fundamentalisme Face to face
Marc De Kesel & Ignaas Devisch

Bataille
Henk Oosterling over geweld
politiek en fascisme,
excerpt genomen van
een debat aan de Erasmus Universiteit Rotterdam
Bron Geert Lovink
Podcast met Roland Vonk
Woorden als Daden Rotterdam Vakmanstad

Vakmanstad/Scillcity, Japsam Books,
Bataille
Henk Oosterling over Bataille

Bron Geert Lovink
Henk Oosterling  Kunst en
Openbare Ruimte



Lier en Boog

FILOSOFIE ALS SCHIJNBEWEGING

Metafoor, metamorfose en ironie in het latere werk van Jean Baudrillard



HYPERREALITEIT:

HET EINDE VAN DE

WERKELIJKHEID

Het gegalm van noodklokken dat vooral in de vanaf 1976 gepubliceerde werken van Jean Baudrillard opklinkt, heeft voor vele lezers een onheilspellende klank. Ondanks het feit dat dit klokgelui filosofen ondertussen bekend in de oren klinkt denkers zoals Nietzsche, Heidegger en een groot aantal Franse filosofen hebben vóór hem reeds aan de bel gehangen roepen het ogenschijnlijk satanische plezier waarmee Baudrillard extreme gebeurtenissen met elkaar in verband brengt en de verlammende uitzichtloosheid die daardoor wordt gecreerd, ook bij hen weerstanden op. Zijn veelal absurde stellingnames ten spijt, kan men zich moeilijk aan de indruk onttrekken dat beangstigende aspecten van het (post)moderne leven aan het licht worden gebracht. De kritiek richt zich vooral op het aporetische karakter van Baudrillards werk en het ontbreken van een nieuw kritisch sociaaltheoretisch uitzicht. Zijn oeuvre zou de absolute Ograad van kritische theorievorming zijn. Door kritischer dan kritisch, dat wil zeggen 'hypocriet' te zijn ondergraaft hij zijn eigen theses. Voorbij ieder politiek standpunt stelt hij zich transpolitiek slinks en averechts op. Zo vraagt hij zich aan het eind van De fatale strategieën (1983) af of "de fatale strategieën eigenlijk wel bestaan?". En als hij concludeert dat er "misschien maar één fatale strategie bestaat: de theorie"(FS 279) en vervolgens beweert dat "de hypothese van een fatale strategie zelf even fataal moet zijn"(FS 292) roept hij onvermijdelijk de vraag op of er na dit boek nog filosofisch leven mogelijk is. Het heeft er veel van weg dat Baudrillard als radicale nihilist slechts in de retorische bewegingen van zijn teksten de vanzelfsprekende nietszeggendheid van onze westerse cultuur reproduceert. Om enig zicht te krijgen op de theoretisch terreur van zijn 'fatale theorie' lees ik Baudrillards latere werk tegen de achtergrond van een filosofische discussie omtrent het statuut van de metafoor en haar functie binnen een postmetafysisch denken. Zijn opmerking dat "de verleiding de wezens aan het rijk van de metafoor onttrekt om ze over te leveren aan dat van de metamorfose"(FS 220) kan naar mijn mening slechts begrepen worden vanuit een tweesporige problematiek. Het eerste spoor begint bij Nietzsche en loopt via Heidegger naar Derrida en betreft vooral de de(con)structie van de metafysica. Het tweede begint bij de tekentheorie van De Saussure en gaat over in de Lacaniaanse transformatie van het psychoanalytisch gedachtengoed. Daarin spelen de metafoor en de metonymie een vooraanstaande rol. Door Baudrillards these, als zou de metafysica ten einde zijn en de metafoor geen zeggingskracht meer hebben, op deze sporen aan te sluiten wil ik laten zien dat hij eerder dan de metafoor te ontkennen haar werkzaamheid veronderstelt. Daartoe ga ik allereerst zo ver mogelijk in zijn denken mee, vervolgens geef ik een mogelijke invulling van zijn metamorfosebegrip om tenslotte zijn these op beide genoemde sporen aan te sluiten. Dit mondt uit in een kritiek op de door hem beoogde overgang van de metafoor naar de metamorfose. Deze kritiek richt zich met name op het gebruik van een retorische figuur: de ironie. Deze talige strategie wordt door Baudrillard niet aan subjecten maar aan zogenaamde pure objecten toegeschreven. Deze vreemdsoortige antropomorfisering geeft de lezer wellicht een eerste indruk van de dubbelzinnige tekenproduktie waaraan hij wordt uitgeleverd.

1. Hyperrealiteit: het einde van de werkelijkheid

Hoe ziet de wereld er volgens Baudrillard uit? Oppervlakkig, verstoken van een diepere betekenis wekt zij de indruk van een collageachtige videoclip, waarin beelden onverwachte verbindingen aangaan, die individuen aanzetten tot bepaalde gedragingen: "De dingen hebben wegen gevonden om te ontkomen aan de dialektiek van de zin, waar ze genoeg van hadden: de oneindige proliferatie, de potentiëring, het opdrijven van hun essentie, in een stijgende extremiteit, in een obsceniteit die van nu af aan fungeert als hun immanente finaliteit en hun onzinnige rede"(FS 9). In onze multimediale consumptiemaatschappij leiden beelden en objecten een eigen leven. Ook in de wetenschappen, gekenmerkt door een immense opeenstapeling van doorgaans elkaar tegensprekende theorieën is iedere waarheid vervluchtigd. Voor Baudrillard getuigt de theoretische hyperactiviteit dan ook meer van intellectuele wanhoop dan van een gestage accumulatie van waarheden. Theorieën produceren hoogstens drogbeelden of simulacra, die suggereren dat er een 'achter'liggende werkelijkheid bestaat. De noodzaak tot waarheidsaccumulatie werd ingegeven door het project van de Verlichting dat door een rigide ontmythologisering de emancipatie van het moderne subject de burger, de arbeider en sinds kort van nagenoeg alle gemarginaliseerde groepen beoogde. In tegenstelling tot de opvatting dat het subject, het Ware en het Goede verwerkelijkend, zijn wereld ontmythologiseert en objectiveert teneinde zijn lot tot geschiedenis te maken, verkondigt Baudrillard dat de dialectisch gestuurde zingevingsstrategieën van het subject niet meer maatgevend zijn voor ons collectieve gedrag. De mythe van het autonome subject is door de ironie van het lot achterhaald. Toch erkent hij dat "er niets op tegen is om zin te willen"(FS 62). Maar deze behoefte wordt eerder dan door zelfbepaling door spektakelzucht ingegeven. Ons van geen kwaad bewust zijn we door de dingen verleid, ten prooi gevallen aan hun fatale strategieën en blootgesteld aan hun dodelijke ironie:

"Het is niet ondenkbaar dat dezelfde effekten kunnen optreden in de tegengestelde orde van de verleiding. (...) Het universum is niet dialektisch het is gewijd aan extremen, niet aan het evenwicht. Aan het radikale antagonisme, niet aan de verzoening of de synthese. Ook dat is het principe van het Kwaad, en het komt tot uiting in het kwaadaardig genie van het objekt, in de extatische vorm van het pure objekt, in zijn strategie die triomfeert over de strategie van het subjekt"(FS9).

Extremisering van waren door een verlangend, van waarheden door een kennend, van waarden door een ethisch subject. Slechts binnen een ongebreidelde consumptie van produkten, theorieën en leefstijlen kan het subject nog verschijnen. Ons wordt een beeld van een aan wildgroei overgeleverde wereld voorgetoverd: een netwerk van zich chaotisch vertakkende, oorsprongs en doelloze gebeurtenissen. Doelloos omdat zij als middel voor elk denkbaar doel ingezet kunnen worden. Wat zich aandient en wat de lezer wellicht zo verontrust is deze 'ondragelijke lichtheid van het bestaan'. Volgens Baudrillard heeft het verlangen van de Verlichters om alles zichtbaar te maken geleid tot een transparante, obscene wereld, waarin ieder criterium om het reële van de schijn te onderscheiden verdwenen is. Baudrillards these over het verdwijnen van de werkelijkheid in de simulacra steunt echter zwaar op een aantal geschiedfilosofische vooronderstellingen. In L'échange symbolique et la mort (1976) stelt hij met het oog op onze omgang met de dingen de volgende periodisering voor: allereerst een periode van imitatie tot de Franse Revolutie, vervolgens een periode van seriële produktie in het industriële tijdperk waarin het oorspronkelijke geleidelijkaan oplost en tenslotte een periode van simulatie in een postindustriële fase, waarin het reële door en in een immanente logica van de warencirculatie verdwijnt: "zodra het kapitaal tot zijn eigen mythe geworden is (...) tot een soort maatschappelijke genetische code, laat het geen mogelijkheid tot een bepaalde omverwerping meer toe"(ESM 31 ev.). Naar Baudrillards mening zijn revolutie en utopie achterhaalde begrippen. We zijn ongemerkt in een hyperrealiteit verzeild geraakt, waarin "zelfs de historische illusie die de hoop op de uiteindelijke konvergentie van het reële en het rationele en dus een metafysische spanning in leven hield, is vervlogen: het reële is het rationele deze eenwording is gerealiseerd in het teken van het hyperreële, de extatische vorm van het reële"(FS 110). Met deze impliciete verwijzing naar het door Hegel voorziene eindstadium van de geschiedenis geeft Baudrillard aan dat we dit eind reeds achter ons hebben gelaten.

2. Transpolitiek: het exces en het einde van de politiek

"dit paradoxale bestaan der dingen dat tegelijkertijd de volledige voltrekking van een idee, de perfectionering van de moderne ontwikkeling, èn zijn ontkenning, zijn liquidatie door zijn eigen exces, door zijn verbreiding voorbij zijn eigen grenzen is, kan men in een en dezelfde figuur vatten: transpolitiek..."(TM 17/18).

Het exces van een mondiale politisering openbaart zich als en in het terrorisme en de gijzeling. Een mediaspektakel waarin van een echte ruil geen sprake kan zijn. De politiek verliest zijn greep. De terrorist daagt de macht uit zijn bestaan te bewijzen. Op soortgelijke wijze gaat er van de zwijgende meerderheden een verleiding uit. Zowel de gijzelaar als de massa's functioneren als on(be)grijpbare, dat wil zeggen pure of fatale objecten. De macht tracht bijvoorbeeld greep op de massa's te krijgen door deze met allerlei tekens te bestoken. De media objectiveren de massa's als een 'kijkerspubliek', de macht transformeert ze tot kiezers. Maar in deze vertwijfelde pogingen wordt duidelijk dat de macht haar bestaan slechts kan bestendigen door, toegevend aan de verleiding van deze fatale objecten, een 'finaal' object, een bestuurbare veelheid te simuleren. Ons transpolitieke bestaan impliceert dat we het einde der tijden "al achter de rug hebben. Alles wat metafoor was, is al gematerialiseerd, verzonken in de realiteit"(106). Totale politisering slaat om in indifferentie en volledige socialisering in de verzorgingsstaat impliceert onvermijdelijk het exces en het einde van het sociale. In deze "begeerde staat van transparantie, de staat van verzoening van subjekt en objekt"(106) is de utopie gematerialiseerd. De 'eendimensionale mens' heeft zich door een volledige overgave aan de simulacra ongewild boven zijn vervreemding uitgewerkt. Zo neemt Baudrillard afscheid van het (neo) marxistisch erfgoed, van vervreemding en emancipatie, van onderdrukking en bevrijding. De kritische theorie heeft afgedaan. 'Theoretische' omgang met een hyperreële werkelijkheid is slechts mogelijk als "die eeuwige kritische theorie eindelijk door een ironische theorie wordt vervangen"(FS 140). Ons gedrag wordt, zo vervolgt Baudrillard, niet gestuurd door onze behoeftes en ons verlangen, maar door de verleiding van de objecten. Verlangen is veeleer het effect van consumptie van waren, waarden en waarheden. Deze verleidingsthese is in zijn sociologische versie reeds door anderen aangezet, maar bij Baudrillard krijgt zij een quasimetafysische strekking. Nietzsches nihilisme en diens vraag naar de waarde der waarden wordt geradicaliseerd en mondt uit in dat "wat nieuw, origineel, onverwachts, geniaal is, namelijk de formele onverschilligheid voor het nut en de waarde, de prioriteit van de totale cirkulatie"(FS 185). De ironische theorie richt zich daarom niet meer op de gebruiks of ruilwaarde, maar op de tekenwaarde der objecten of op tekenobjecten, waar zij ook zichzelf toe rekent. Dit levert een onbruikbare theorie op: theorie en praktijk zijn niet meer inwisselbaar. Individuen krijgen slechts in en door consumptie van tekenwaarden een plaats in een maatschappelijke hiërarchie. Consumptie levert prestige op, socialiseert en individualiseert. Zij constitueert individuen als verlangende subjecten, zoals de consumptie van waarden en waarheden hen respectievelijk tot kennende en ethische subjecten transformeert.

3. Simulacra: het einde van de betekenis

De exclusieve nadruk op de tekenwaarde wijst op Baudrillards radicaal semiotische optiek. Als hij de wereld nog slechts als een netwerk van verschijningen begrijpt en een verschijning vervolgens als "een teken dat geen zin meer doorlaat"(91) definieert, breekt hij met de vooronderstellingen van de Saussuriaanse tekentheorie. Daarin werd een teken nog opgevat als een in zich gedeelde entiteit, die door een equivalentie tussen een uiterlijke akoestische en in afgeleide zin een visuele vorm (de betekenaar) en een inhoudelijk concept (het betekende) de drager van betekenissen kon zijn. Betekenis wordt gerealiseerd door minimale verschillen, door differenties tussen betekenaren en betekenden onderling. Lacan radicaliseert dit differentieprincipe. Hij meent in zijn toepassing van deze semiologische noties op het Freudiaanse gedachtengoed dat iedere positieve betekenis (in laatste instantie: het Onbewuste) in de immanente dynamiek van en interferentie tussen de betekenaren Baudrillards 'totale circulatie' verdwijnt. Meent Freud nog dat het Onbewuste zich via de mechanismen van de verdichting en de verschuiving aan ons aandient, Lacan stelt dat de band tussen betekenaren (dromen, tics, symptomen of versprekingen) en het betekende of de betekenis (het Onbewuste) oplost. Daar we slechts met woorden toegang krijgen tot het Onbewuste blijft dit als betekende on(be)grijpbaar. Het wordt een betekeniseffect in de taal. Het verlangen verglijdt in de woorden. Slechts tijdelijk kan een imaginaire fixatie van betekenaar en betekenis plaatsvinden. Op dat moment meent het Ik greep te hebben op zijn innerlijke waarheid. Door deze fixatie wordt echter de dynamische werking van het ongrijpbare Onbewuste ontkend, wat op den duur tot een neurose kan leiden. Deze wordt opgelost door het opnieuw in gang zetten van de verglijding in de analyse. Of in Lacans termen: door de patiënt bewust te maken van de doorwerking van het Onbewuste als het Andere in het Ik. Dit Andere manifesteert zich altijd in de taal, die Lacan met het complex van culturele verworvenheden als de symbolische orde opvat. Zodra een bepaald zelfbeeld gefixeerd wordt, is de ruimte voor de Ander evenwel geheel verdwenen. Kortom, een imaginaire fixatie leidt tot een neurotische omgang met de wereld. Fixatie van een imaginaire eenheid en verglijding in de symbolische orde stemmen overeen met twee werkingen van de droomarbeid: respectievelijk de verdichting en de verschuiving. Geheel in overeenstemming met zijn opvatting over de talige structuur van het Onbewuste meent Lacan deze werkingen in twee retorische figuren te herkennen: de metafoor en de metonymie. De effectiviteit van de psychoanalytische arbeid ligt nu in het in en door de taal oplossen van de metaforische fixatie van een imaginair zelfbeeld en het opnieuw in gang zetten van de metonymische verglijding. Welnu, Baudrillards kritiek op Lacan betreft deze metaforische fixatie. Daarin wordt immers nog een band met een vermeende werkelijkheid het verlangen voorondersteld. Baudrillards visie op de wereld als een stroom van verschijningen waarop wij geen greep hebben, impliceert blijkbaar een verabsolutering van de metonymische verglijding. Betekeniseffecten worden bij Baudrillard tot simulacra. Impliciet kritiseert hij daarmee tevens Lacans opvatting over het verlangen, dat immers nog een Ikgerichte activiteit aangeeft. Dit verlangen wordt nu volledig door de soevereine werkzaamheid van verleidelijke tekens of tekenobjecten bepaald.

4. Patafysica: einde van de metafysica, einde van de metafoor

< In De fatale strategieën wordt niet alleen met het verlangen, maar ook met de funderende betekenis afgerekend. Daarmee schaart Baudrillard zich in een lange rij filosofen, te beginnen met Nietzsche. In diens destructie van de metafysica staat de retorische werking van de taal centraal. Waarheid, tot dan voornamelijk als een overeenstemming van het denken en de dingen opgevat, is niets dan "een mobiel leger metaforen, metonymia's, antropomorfismen, kortom een som van menselijke relaties die, op poëtische of retorische wijze verheven, overgedragen en opgesierd worden...". Kortom, een illusoir betekeniseffect. Kritici van Nietzsche wijzen er echter op dat hij met de verabsolutering van de metafoor ieder criterium voor het onderscheid tussen werkelijkheid en schijn heeft opgegeven. Om dit probleem van de 'laatste metafysicus' te vermijden transformeert Heidegger de status van de metafoor om zich zodoende via een andere taal uit de metafysica te bevrijden. Deze destructie voltrekt zich vanuit een actualisering van de aanvankelijke betekenis van waarheid: aletheia of onverborgenheid. Waarheid wordt nu opgevat als een ambivalent gebeuren waarin het zijnde verschijnt, maar waar tegelijkertijd verborgenheid heerst. De werkelijkheid is een geschieden van 'onverborgen verborgenheid'. Voortdenkend op Heideggers project meent Derrida dat wij ons niet uit het metafysisch vertoog kunnen bevrijden. Slechts een op teksten uitgevoerde, deconstructieve arbeid biedt mogelijkheden om het Andere in de marges van het vertoog te doen verstommen. Heideggers Zijnsdenken veronderstelt volgens hem toch nog aanwezigheid en eigenlijkheid, ook al worden deze niet in het subject, maar in het Zijn als 'Ereignis' gezocht. Dit probleem omzeilt Derrida door de spanning tussen schijn en zijn te situeren in de werking van de différance, die, eigenlijkheid en aanwezigheid niet veronderstellend maar deze veeleer constituerend, als een in de taal aanwezig gestelde afwezige 'oorsprong' wordt opgevat. Ondanks de verschillen tussen Heidegger en Derrida stemmen beiden met Lacan hierin overeen dat zij met de telkens terugwijkende 'oorsprong' een postmetafysische spanning in stand houden waardoor betekenisgeving mogelijk blijft. Welnu, Baudrillard lijkt deze spanning aanvankelijk op te lossen: de 'convergentie tussen het reële en het rationele' heeft zich voltrokken in 'het teken van het hyperreële'. Theorievorming verliest door deze 'convergentie' zijn kritische impact. Kritiek wordt een simulatietactiek, een spel met imaginaire beelden, dat door en door tautologisch is. Zo wordt metafysica tot patafysica: "de tautologische en groteske perfektie van de waarheidsprocessen"(FS 110). Of zoals hij het eerder In de schaduw van de zwijgende meerderheden (1982) verwoordde: een wetenschap "van de imaginaire oplossingen, een wetenschap van de simulatie en de hypersimulatie van een exacte, ware en objectieve wereld met universele wetten, inclusief het geraaskal van hen die haar volgens deze wetten interpreteren"(SZM 25). Baudrillards fatale theorievorming zou, juist doordat ze zich bewust is van haar simulerende activiteit, niet patafysisch zijn. We zagen reeds bij Nietzsche dat de metafoor in dit 'postmetafysisch' debat haar overdrachtelijke functie verliest: ze kan niet meer tot het oorspronkelijke concept (Saussures betekende) worden herleid. Ook Heidegger stelt dat "met het inzicht van de beperktheid van de metafysica ook de toonaangevende voorstelling van de metafoor problematisch wordt". En daar "het metaforische slechts binnen de metafysica bestaat" betekent het eind van de laatste tevens een transformatie van het eerste. De metafoor verwijst niet meer rechtstreeks naar een 'oorspronkelijk' concept, maar biedt wel de mogelijkheid de peilloze diepte van het zijn momentaan te openen. Derrida stelt op zijn beurt dat iedere vraag naar de 'eigenlijke' betekenis van de metafoor onvermijdelijk nieuwe metaforen genereert. Deze regressus voltrekt zich in de quasimetafysische spanning van de différance. Het gaat er hem om versteende metaforen (substantie, begrip, concept) door 'supplementaire', levende metaforen te deconstrueren. Constructie en destructie blijken twee momenten van een en dezelfde beweging. Baudrillard is echter minder terughoudend in zijn oordeel over de metafoor. Gegeven zijn eendimensionalisering van de werkelijkheid en de indifferentie van de pure objecten is er geen mogelijkheid meer juist door het ontbreken van een vast oriëntatiepunt of zelfs van een terugwijkende beweging van een 'oorspronkelijkheid' om de metafoor van het oorspronkelijke concept te onderscheiden. Metaforen worden tot simulacra, die hoogstens een Hinterwelt simuleren. Voor Baudrillard is er met de metafysica een eind aan de metafoor gekomen.

5. Van moreel verlangen naar immorele verleiding

In De fatale strategieën blijkt de kritiek op de metafoor ook het verlangen te treffen. Niet alleen Lacan maar ook differentiedenkers als Foucault, Irigaray en Deleuze/Guattari worden onder vuur genomen. Zij 'ontmaskeren' weliswaar de freudiaanse metaforiek en kritiseren de daaruit voortvloeiende ontologische en sociaalpolitieke implicaties, maar de decentrering van het fallocentrische, subjectgeoriënteerde verlangen leidt volgens Baudrillard bij hen tot een nieuwe ontologisering: respectievelijk 'het lichaam met zijn 'plaisirs'', 'vrouwelijk' of 'schizoverlangen'. Ik laat hier in het midden of dit een terechte kritiek is. In ieder geval stelt Baudrillard dat zij zich door hun eigen 'ontmaskeringen' hebben laten misleiden. Naar zijn mening geloven ze nog in een 'werkelijkheid' en zijn zij zich er niet voldoende van bewust dat hun eigen 'theorie' een nieuw simulacrum produceert. Ze zouden namelijk over het hoofd zien dat Freuds metaforiek in een andere ligt ingebed: de metafoor van het verlangen dat als motor voor het gedrag wordt opgevat. Zoals gezegd is het echter niet dit morele verlangen, maar de immorele indifferentie der pure of fatale objecten zoals het on(be)grijpbare 'lichaam' waardoor het gedrag wordt bepaald. Dit impliceert dat Baudrillard ook de sexuele differentie van de hand moet wijzen als "een mystifikatie om het seksuele verschil te houden voor het oorspronkelijke, fundamentele verschil waaruit alle andere voortvloeien of waarvan deze slechts metaforen zijn"(FS 161). In De la séduction (1979) geeft hij aan hoe de 'waarheid' van het verlangen in en door de porno wordt gesimuleerd. Deze extatisering van de sex, ingegeven door een fascinatie voor het spektakel, in een hyperreële 'werkelijkheid' spiegelt ons voor dat er "ergens een goede seks bestaat, want (de porno is) er een karikatuur van. In zijn groteske obsceniteit is hij een poging om de waarheid van de seks te redden"(S 57). Deze simulatie suggereert dat er een normale sex is die de ideale gebruikswaarde van het lichaam uitmaakt. Deze laatste waarde zou als ultieme betekenis van ons verlangen 'bevrijd' kunnen worden. Maar de totale sexualisering hier doelt Baudrillard vooral op de invloed van het lacaniaans georiënteerde psychoanalytisch vertoog na de vermeende sexuele revolutie heeft ertoe geleid dat dit vertoog van iedere zin verstoken is. Wij leven in een betekenisloos, 'transsexueel' tijdperk. In zoverre het westers verlangen typisch fallocentrisch is, kan de man "als subjekt slechts het spel van de metafoor spelen", maar "werpt de vrouw elke metafoor van zich af en wordt zodoende een fataal objekt dat het subjekt naar zijn ondergang voert"(FS 190). De uitdrukking 'femme fatale' krijgt hier een uiterst pregnante betekenis. Grijpt het verlangen de ware liefde nog aan om zo haar laatste waarheid te ontdekken en haar geheim te ontsluieren, de verleiding leeft juist van het verdwijnen van de waarheid in een geheim dat nooit ontmaskerd kan worden: "Verdwijnen, dat is zich verstrooien in de verschijningen"(ALM 42), waarbij het geheim "de regel van het spel van de verschijningen"(FS 98) is die, zoals we reeds zagen, worden opgevat als tekens die geen zin doorlaten. Deze verschijningen gaan onbemiddeld in elkaar over. Ze metamorfoseren: "De macht van de metamorfose is uiteindelijk die van de verleiding"(ALM 42). Een voorchristelijk verschijnsel, dat met de introductie van het onbevredigde verlangen en het gemis in de vorm van de erfzonde verdwijnt: "ons lichaam is niet meer heidens en mythisch, het is christelijk en metaforisch lichamen van verlangen en niet van de Fabel"(ALM 44). Het vereiste een Nietzsche om deze wereld weer tot fabel te maken.

6. Metamorfose: onmiddellijkheid van de metafoor

De verleiding "onttrekt de wezens aan het rijk van de metafoor om ze over te leveren aan dat van de metamorfose. Ze onttrekt de wezens aan het rijk van de interpretatie om ze over te leveren aan dat van de divinatie. Ze is een initiërende vorm, en ze geeft de tekens hun macht terug"(FS 220). Als metaforen tot simulacra worden en deze zich nog slechts in schijnbewegingen aaneenrijgen, kan Baudrillard dit niet anders dan als een 'metamorfoseren' opvatten. Maar wat moeten we ons, na de ontmythologisering van de wereld, daarbij voorstellen? In Massa en Macht (1960) bestempelt Canetti dit als een "vermogen van de mens om van gedaante te wisselen, waardoor hij zoveel macht over alle andere schepsels heeft gekregen"(MM 381) en associeert hij het in eerste instantie met initiatieriten in 'primitieve' samenlevingen. Daar is aanvankelijk geen sprake van een toeëigening, maar van een gift: "men mag zich de metamorfose, die als een vast bezit wordt overgeleverd, niet wederrechtelijk toeëigenen"(MM 430). De metamorfose is dus niet ondergeschikt aan de wil van het individu, maar komt van buitenaf. Maar het gaat daarbij niet om identificatie of inleving: "Nabootsing is iets uiterlijks, ze veronderstelt iets dat men voor ogen heeft, waarvan men de bewegingen copiëert.(...) Over de innerlijke toestand van degene die nabootst is daarmee niets meegedeeld."(MM 419) De metamorfose voltrekt zich eerder op de grens van het innerlijk en het uiterlijk, van zijn en schijn. Interessant is Canetti's opvatting over de vermomming of het masker, waarin de metamorfoserende beweging tijdelijk op de grens wordt gefixeerd: "de betekenis van het masker is in het algemeen: het is een eindtoestand. De fluïde reeks van vage, halfvoltooide gedaantewisselingen (...) mondt uit in het masker."(MM 425) Het masker, zo zouden we met Baudrillard kunnen stellen, wordt niet als metafoor, maar als simulacrum begrepen. In de moderne, onttoverde wereld treedt het metamorfoseren nog slechts op in situaties waarin het subject zijn greep op de dingen verliest. Canetti wijst op allerlei psychopathologische verschijnselen, zoals de hysterie die wordt opgevat "als niets anders dan een reeks heftige vluchtmetamorfoses. De betrokkene voelt zich gegrepen door een sterkere macht"(MM 391). Ten aanzien van het delirium maakt hij twee opmerkingen die voor onze optiek van belang zijn. De eerste is dat "onder de schijnwaarnemingen van het delirium tremens de visuele plegen te overwegen"(MM 407). De tweede dat, in tegenstelling tot de primitieve metamorfoses, deze "zich altijd buiten de patiënt afspelen; ook als hij ze als werkelijkheid ervaart veranderen ze hem zelf niet"(MM 412). De metamorfose lijkt voor moderne mensen nog slechts een uitwendig visueel proces zijn, waaraan het verscheurde subject wordt uitgeleverd. De verwisselende beelden veronderstellen echter een vast oriëntatiepunt: het subject. Baudrillards haast nostalgische belangstelling voor primitieve samenlevingen komt in L'échange symbolique et la mort naar voren. Daarin schetst hij hoe in deze gemeenschappen nog sprake is van een eenduidige, symbolische band tussen het teken en een collectief beleefde werkelijkheid. Iedere ruil ontleent zijn waarde aan een offer, een excessieve gift, waarin de dood wordt opgeheven. Het is deze doodservaring waarin "alles zich metamorfoseert" (ESM 198). Het offer, de symbolische ruil, maakt dit metamorfoseringsproces mogelijk. 'Symbolisch' mag hier echter niet op lacaniaanse wijze worden opgevat: "het symbolische is geen begrip, noch een instantie, een categorie of een 'structuur', maar een ruilhandeling en een sociale betrekking, die een eind maakt aan het reële en het oplost; en tegelijk lost het de tegenstelling tussen het reële en het imaginaire op"(ESM 204). Lacans onderscheid tussen de reële, imaginaire en symbolische orde krijgt hier een andere invulling. Het belang dat latere samenlevingen aan de feitelijke dood hechten schept volgens Baudrillard juist het onderscheid tussen reëel en imaginair, tussen zijn en schijn. Een tegenstelling die voorheen door de symbolische ruilhandeling werd uitgesloten. Met het begrip 'symbolisch' duidt Baudrillard dus veeleer op een ontmanteling dan op een constituering van het Ik. Slechts in twee andere artikelen wordt het verschijnsel metamorfose nog aan de orde gesteld. In beide komt ook een verwijzing naar primitieve culturen voor. Zo wordt in Simulacres et Simulation (1981) in het artikel 'Les bêtes, territoire et metamorfose' het metamorfoserende karakter van het dieroffer verbonden met een specifieke tijdservaring. Niet een dialectisch lineaire, maar cyclische tijdservaring waarin, juist door het ontbreken van de ervaring van accumulatie, vooruitgang en ontwikkeling, het metamorfoseproces oneindig plaats kan vinden. Deze tijdservaring sluit bovendien het bestaan van dichotomieën uit: "... de cirkel is symbolisch: hij vernietigt de posities in een omkeerbare verketening"(SS 196). Baudrillard stelt hier dus vast dat met het verdwijnen van een sacrale orde en de transformatie van een cyclische in een dialectische tijdservaring de metamorfose verdwijnt. Dat hij in De fatale strategieën de metamorfose desalniettemin als opvolger van de metafoor bestempelt, mag gezien de boven geïmpliceerde chronologie op z'n minst bevreemding wekken. Maar als we deze 'ontologische' verschijnselen in termen van de semiotiek vertalen wordt direkt duidelijk dat een reeks als simulacra opgevatte metaforen niets anders dan een metamorfoseringsproces kan zijn. Betekenaren gaan onbemiddeld in elkaar over. Het gaat dus niet meer om metamorfoses van individuen, maar om die van pure objecten: "Zodra processen in het nauw gedreven worden door de analyse keren ze zich om, precies zoals de verschijningen zich metamorfoseren, zodra ze in het nauw gedreven worden door de zin"(ALM 127). Dit citaat uit L'autre par luimême (1987) komt voor in het hoofdstuk 'Métamorfose, métaphore, métastase' waarin de eerdere chronologie wordt hersteld. De extase van zingevingen, de wildgroei of de metastase, "de machtsversterking, 'die steigernde Potenz' staat tegenover het dialectische moment, 'die dialektische Aufhebung' die de beweging van de transcendentie is"(FS 49). Zo keren we terug naar het begin van De fatale strategieën. Daar wordt de metamorfose als een "extatische vorm"(11) gekwalificeerd, eigen aan de mode en de media. Baudrillards opvattingen over de werking van de media verraden de invloed van de mediaanalyses van Marshall McLuhan. Diens benadrukking van de autonomie van het medium boven de boodschap 'the medium is the message' loopt echter uit op het herstel van de autonome subjectiviteit, iets wat bij Baudrillard uitgesloten is. Sprekend over verschijningen en de cyclus van metamorfoses lijkt hij eerder te refereren aan de wijze waarop wij als in een delirium tremens, kanaal na kanaal, door en in de media het metamorfoseproces buiten ons waarnemen èn in de consumptie ervan aan onszelf voltrekken. Door de opheffing van het subjectgeoriënteerde verlangen en de radicalisering van de schijn als schijn of het medium als 'message' verliezen de dichotomieën inhoudvorm, betekendebetekenaar, zijnschijn hun zeggingskracht. Een laatste voorbeeld ter illustratie uit De fatale strategieën. Daar verwijst Baudrillard voor deze intentie en belangeloze affirmatie naar de Wetten van Manoe, waarin gedragingen van de Brahmaan minutieus zijn vastgelegd: "Geen enkele metafoor, geen enkele retoriek, geen enkele allegorie of metafysika is in de Wetten van Manoe terug te vinden."(FS 259/60) De tekens eisen absolute naleving, waardoor zij hun hoogste intensiteit verkrijgen. Vorm en inhoud lossen op in deze intensiteit, die verlangen noch een bestemming kent. De fascinatie voor de vorm (schijn, uitwendigheid, simulacrum), haar strikte naleving zonder enige wens of bevrediging, de overgave aan de verleiding die uitgaat van de beweging van totaal van zin en zijn verstoken tekens is niets dan de affirmatie van de schijn als schijn.

7. Een nieuwe postmetafysische spanning: verleiding

De vervluchtiging van de metafoor in de metamorfose lijkt, gegeven Baudrillards uitgangspunten, een vanzelfsprekende zaak. Toch meen ik enkele kanttekeningen te moeten plaatsen, die zijn these van een fatale theorie direkt treffen. Allereerst dringt zich de vraag op of een metamorfose als zodanig wel te denken is. Of er niet altijd ook al is het in de vorm van een zich in de taal aandienende, maar er zich immer aan onttrekkende 'oorsprong' nog een derde gedaante wordt vereist, van waaruit de wisseling denkbaar is. Baudrillard schijnt dit terdege te beseffen. Oorsprongen en doelen zijn weliswaar verdwenen, maar door de verleiding heeft hij een nieuwe spanning gecreerd, waardoor zinvol schrijven voortgang kan vinden. Het fatale of pure object lijkt de status van het lacaniaanse Andere te krijgen, dat zich slechts als een simulacrum in de taal aandient. De subjectobject relatie wordt dus niet zozeer opgelost, als wel omgekeerd, waardoor een postmetafysische spanning wordt gecreëerd, die wel degelijk ruimte biedt voor een ander soort metaforiek. De door Baudrillard veelvuldig gebruikte astrofysische metaforen en zijn antropomorfisering van het object zijn daar de sprekende getuigen van. Door deze omkering blijft de spanningsverhouding tussen de theorie en het reële bestaan, hetgeen Baudrillard later in L'autre par luimême inderdaad bevestigt. Op de aan zichzelf gestelde vraag: waarom theorie? antwoordt hij: "hun relatie is er een van wederzijdse uitdaging. Want het reële is ongetwijfeld niets anders dan een uitdaging aan de theorie. Geen objectieve toestand der dingen, maar een radicale limiet van de analyse..."(ALM 84). Het lijkt me dat Baudrillards radicale limiet als een wijkende horizon dicht bij Derrida's différancebegrip komt.

8. Ironie en metaforisch bewustzijn

Hoewel Baudrillard in De fatale strategieën het subject iedere ironie ontzegt en 'ironische strategieën' slechts voor de objecten reserveert, mogen we niet uit het oog verliezen dat uit heel zijn oeuvre een typisch 'ironische pathos' spreekt, dat hij naar eigen zeggen met andere postmoderne cultuurcritici deelt: "Het is niet zo dat ik in een logisch opgebouwde kritiek de negatie invoer. Het is meer een kwestie van ironie. Er ontwikkelt zich een proces, waarbij je een systeem, een begrip of een redenering tot zijn uiterste grenzen drijft en het vervolgens over die grenzen heenduwt, zodat ze over hun eigen logica struikelen...". Als hij in een andere context verklaart dat een dergelijke strategie eist "dat je object wordt, een soort lotsbestemming" dan neemt zijn toeschrijving van de ironie aan de objecten een verrassende wending. Het heeft er veel van weg dat de schrijver Baudrillard zich in zijn tekst 'objectiveert', dat hij zich niet zozeer 'voorbij zijn eigen tekst' schrijft, maar veeleer in zijn tekst insluit. Gegeven deze ironische inzet, lijkt Baudrillard op slinkse en averechtse wijze te maskeren dat zijn betoog bestaat bij gratie van de metafoor. In zijn ironische verhouding tot een blijkbaar verdwenen werkelijkheid spreekt hij namelijk een negatieve oordeel uit: de modernistische omgang met de wereld heeft afgedaan, niet in het minst omdat de dingen zelf in opstand zijn gekomen. Juist in deze parasitaire verhouding blijft Baudrillards betoog een geladen zinvolheid houden. Als we deze parasitaire verhouding in termen van Lacan vertalen kunnen we alle categorieën waarvan Baudrillard het einde aankondigt het sociale, de politiek, de geschiedenis, het subject als metaforische fixaties aanmerken. Zijn gebruik van de ironie impliceert een problematisering van deze imaginaire beelden. Er wordt bij de lezer aan een metaforisch bewustzijn geappelleerd, dat een band tussen de taal en de buitentalige werkelijkheid veronderstelt. De ironie problematiseert vervolgens deze band. Zo blijken de 'ironische strategien van het object' en de 'ironie van het lot' slechts mogelijk bij gratie van het menselijk bewustzijn dat zich geconfronteerd ziet met het falen van zijn 'banale' strategieën. "De wegen die de dingen gevonden hebben om aan de dialectiek van de zin te ontkomen" zijn misschien wel geplaveid met de desillusies van het teleurgestelde subject Baudrillard. Welnu, om de metamorfose te kunnen denken is dus een metaforische fixatie vereist. Is het vervolgens verantwoord om Baudrillards metamorfose als de lacaniaanse metonymische verglijding op te vatten? In De fatale strategieën komt de term niet voor, maar in zijn laatste boek La Transparence du Mal duikt hij plotseling op. Daar wordt gesteld dat "de metonymie (de vervanging van het geheel en de enkelvoudige delen, de algehele commutatie der termen) zich tegenwoordig vestigt op de desillusie van de metafoor"(16). Ondanks zijn kritiek op Lacans theorie over het verlangen neemt Baudrillard dus wel degelijk beide componenten over. Ook bij hem blijkt metonymische verglijding slechts mogelijk bij gratie van een momentane metaforische fixatie van een imaginair beeld. De metafoor verdwijnt dus niet. Slechts één bepaalde fixatie, als gevolg waarvan we aan een neurotische omgang met onszelf en de wereld zijn overgeleverd, wordt op de helling gezet: het subject. De ironische strategie van Baudrillard of de door de geobjectiveerde Baudrillard ingezette fatale strategie bestaat uit het opnieuw in gang zetten van de verglijding. In de verleidelijke werking van de pure objecten lijkt het lacaniaanse Andere te verschijnen, waardoor de imaginaire binding aan het moderne subject oplost: "Misschien introduceren wij hierin een kollektieve en ironische bestaansvorm die, in zijn extreme wijsheid, geen beroep meer doet op zijn eigen grondslagen en alleen nog wil opgaan in het spektakel van zijn verdwijning?"(FS 144) Een spektakel dat in de taal wordt opgevoerd. Een spel van verschijnen en verdwijnen dat zich uitsluitend in Baudrillards teksten voltrekt. Nietpatafysische teksten, omdat hij immers geen "wetenschap van de imaginaire oplossingen" voorstaat, maar eerder een oplossing van het imaginaire en daarmee van het reële in een symbolische ruilhandeling in de taal beoogt. Zo wordt meer dan door de inhoud door zijn stijl zijn these geïllustreerd. Met behulp van deze verstrengeling van vorm en inhoud lijkt Baudrillard mij een radicaal hypothetisch spel te spelen: "Het is meer een hypothetisch spelletje. Eerst had ik een haast McLuhanachtige hypothese...". Idem noot 21, p. 10 Een groot aantal opmerkingen in De fatale strategieën wijzen ook in die richting: "Hoe het ook zij, fascinerend is de hypothese ....", maar "de ('wetenschappelijke') hypothese van een dode objectiviteit van het universum die is onwaarschijnlijk"(FS 128). Waarom is niet duidelijk, daar er geen verificatiemogelijkheden meer zijn. Hypothesen moeten slechts fascineren, spektakulair zijn. Zo is "alleen voor de verandering al, het interessant om de massa (...) op te vatten als meesteres van een delusieve, illusieve, allusieve strategie, verbonden met een onbewuste dat eindelijk ironisch, vrolijk en verleidelijk is."(FS 151) Misschien kan de slinkse opmerking op de laatste bladzijde als een indicatie opgevat worden van het spel dat Baudrillard met zijn lezer speelt: "Alles laat zich tenslotte als volgt samenvatten: stellen we voor een moment de hypothese dat de orde der dingen een fatale en raadselachtige vooringenomenheid kent."(FS 294) Door Baudrillards project op de filosofische discussie omtrent de status van de metafoor aan te sluiten, wordt zijn grootse spel weliswaar ingekaderd, maar niet weerlegd. Zijn hypotheses zijn niet te falsifiëren. De betekenaren vormen een gesloten circuit. Eenmaal in Baudrillards taalspel binnengetreden worden we gedwongen het door zijn regels bepaalde spel te spelen. De afgrenzing van zijn totale project vereist een afstand tot zijn spel. Al spelend laat dit zich echter niet 'ontmaskeren', daar achter ieder masker, op de grens tussen schijn en zijn, telkens weer een nieuw masker, een ander simulacrum opduikt.



ARTAUD EN DE ONDERGANG
VAN DE AVANTGARDE


Artaud en het theater van de wreedheid

In 1901 krijgt de dan vijfjarige Antonin Artaud hersenvlies- ontsteking. Hij raakt verslaafd aan de opium die hij tegen de ondragelijke pijn moet slikken. Zijn leven lang wordt hij gekweld door de vreselijkste hoofd- en zenuwpijnen, waardoor volgens de toenmalige psychiatrie zijn geest volledig ontwricht raakt. In 1937 wordt hij dan ook in een psychiatrische kliniek opgesloten, waaruit hij pas negen jaar later wordt ontslagen. Er resten hem nog twee jaren. In 1948 sterft hij aan kanker. Hoe vreemd het ook moge klinken: ondanks Artauds Nietzschiaanse bewering dat wreedheid samenvalt met het leven, betreft de wreedheid waar hij op doelt als hij rond 1930 zijn revolutionaire ideeën over een nieuw soort theater ontvouwt geenszins het door hem doorstane leed. Wreedheid veronderstelt intentionaliteit: een god, het lot of een menselijk bewustzijn, dat zich god waant en pretendeert het lot van anderen naar hun hand te kunnen zetten. Daarom bestempelen we dierlijk gedrag doorgaans niet als wreed, tenzij we in het spel van de kat met de muis onze eigen weinig fijnzinnige lust tot beheersen herkennen. Soortgelijke gedragingen bij mensen ervaren we blijkbaar wel als wreed, omdat de handelingen ingegeven kunnen zijn door een meedogenloze strategie, door bewuste keuzes. Wreedheid veronderstelt dus vrijheid, doelgerichte planning en bewuste overweging. Toch is het voor Artaud niet een goddelijk of menselijk bewustzijn waartoe wreedheid te herleiden is. Geheel in overeenstemming met een tendens in de westerse filosofie, die zich vanaf het midden van de 19e eeuw in toenemende mate heeft doorgezet, richt hij zijn aandacht op de bepalende invloed van betekenis- gevingsprocessen voor het bewustzijn: dat wat wij, gewone stervelingen, doorgaans taal noemen. Lichamelijkheid en wreedheid verwijzen in Artauds theatrale universum vooral naar taal en zingeving.





ESTHETICA IN DE
20e EEUW


Een andere verstandhouding H.A.F.Oosterling/ A.W.Prins (red.)

Bataille en de paradox van de avantgarde

Terwijl tienduizenden berooide Russen, teneergeslagen en met een angstige blik op een eens zo veelbelovende toekomst langs de baar van Wladimir Ilich Uljanov Lenin schuifelen en in een tot gevangenis omgedoopt appartement in München Adolf Hitler met een minzame grijns waarin een pseudovisionaire zelfingenomenheid zich reeds aftekent in Mein Kampf deze toekomst programmatisch invult, besluit in een bordeel in SaintDénis de dan 27jarige Georges Bataille samen met zijn vriend Michel Leiris een literaire beweging op te richten onder de Nietzscheaans geïnspireerde naam Oui. Het blad is een welluidende reactie op het weerspanninge 'Nee!' van Dada, de derde avantgardistische golfbeweging die na een zesjarig bestaan in 1922 door Kurt Schwitters en Tristan Tzara plechtig ter aarde was besteld. Het is 1924. Marcel Duchamp heeft met zijn Ready Mades, met zijn wiel, fontein en flessenrek niet alleen de esthetische dimensie van de alledaagsheid opengelegd en daarmee de nuttige produkten van de industriële samenleving aan een glorieuze verspilling blootgesteld , door deze produkten van doelmatige arbeid tot kunst te verheffen heeft hij tevens het toch al zo fragiele bestaan van de avantgarde aan de kaak gesteld. Immers, zodra de blik op het alledaagse onbemiddeld uitzicht biedt op kunst, komt op het koord dat kunst en leven van elkaar scheidt en waarop de avantgardekunstenaar omzichtig balanceert, een haast onhoudbare spanning te staan. Het gevaar dat de kunstenaar zoals de koorddanser uit Nietzsche's Also sprach Zarathustra zijn ondergang tegemoet tuimelt, is niet denkbeeldig. Dat Duchamp, ondanks zijn besluit de rest van zijn leven aan schaken te wijden, toch stiekum kunstwerken blijft maken, is allerminst hieraan te danken dat de materie om vormgeving schreeuwt. Wellicht is het feit dat het kunstenaarschap een levensstijl, een houding ten opzichte van en een omgang met de dingen is, een veel belangrijker reden. Daaraan kan Duchamp zich blijkbaar niet onttrekken. Pas aan het begin van de zestiger jaren, als met NeoDada de cirkel van de avantgarde zich lijkt te sluiten en deze zich als een parodie van zichzelf begint te herhalen, zal Duchamp nog eenmaal zijn hyperkritische stem verheffen om de dood van de avantgarde te bezegelen. Na de dood van Dada werpt André Breton zich op tot de onbetwistbare soeverein van een avantgarde. Hij publiceert zijn Manifeste du Surréalisme (1924) en verbindt deze artistieke avantgarde steeds hechter aan een politieke missie. In zijn strijd tegen zowel het gezapige, angstige burgerdom als tegen het opkomend fascisme stoot hij iedere niet orthodoxmarxistische surrealist uit zijn gelederen. Zo ook Georges Bataille (18971962), die, hoewel als archivaris werkzaam, dan bekend staat als cultuurkritisch essayist die over allerlei uiteenlopende onderwerpen schrijft met een voorkeur voor het gewelddadige en het perverse in de mens. Bataille vindt Bretons manifest onleesbaar. Tussen hem en Breton is het dan ook nooit iets geworden. Niettemin blijft Bataille zich in kringen van de surrealisten bewegen, waar hij vooral met zijn vroegere schoolvriend André Masson, met Michel Leiris en de vroege dadaist Théodor Fraenkel hechte, duurzame en produktieve relaties ontwikkelt. Daarnaast ontmoet hij kunstenaars als Dali en Miro over wier werk hij vanaf het begin van de dertiger jaren korte kritieken en recensies schrijft.

FOUCAULT HERDENKEN

AL SPREKEND VAN WETENSCHAP
VIA LITERATUUR NAAR FILOSOFIE

Een proeve van aporetisch schrijven


Foucault Slechts één vraag zou ik willen exploreren: is er in Foucaults werk sprake van een esthetisering van het denken en zo ja, in hoeverre hangt deze samen met de door hem in kritiek op het waarheidsbegrip geformuleerde kentheoretische positie? Het ligt voor de hand om voor een antwoord naar de eindtermen van zijn werk te verwijzen: in de noties 'bestaansesthetica' en 'waarheidsspel' zitten immers zowel een esthetisch als een kentheoretisch aspect verdisconteerd. Ik zal me echter hoofdzakelijk op het vroege werk richten om daar de nauwelijks zichtbare aanzetten tot een esthetisering te traceren. Daartoe beperk ik me tot de in De woorden en de dingen (1966) als grondslag van het moderne vertoog geconstateerde 'analytiek van de eindigheid' en tot enkele thema's in Foucaults vroege literatuuressays. Hierin staat de volgende aporetische denkbeweging centraal: het weten, respectievelijk spreken/schrijven ondermijnt zichzelf, het heft, gegeven zijn vooronderstellingen, zichzelf op. In De woorden en de dingen wordt deze aporie vanuit negatiefkritisch oogpunt als een 'onbewust' moment in het moderne vertoog 'geconstateerd', terwijl in de literatuuressays de aporetische inzet van andere denkers in affirmatiefcreatieve zin door Foucault wordt onderschreven. Ik zou willen aantonen dat de moderniteit en subjectkritiek en Foucaults positieve waardering van de aporie in het werk van Blanchot, Bataille en Klossowski geleidelijk aan zowel zijn denken als zijn schrijven gaat beheersen. Dit leidt na de perspectiefwisseling naar de machtsanalytiek in de zeventiger jaren en een getransformeerde 'subject'positie in de tachtiger jaren uiteindelijk tot de genoemde eindtermen 'bestaansesthetica' en 'waarheidsspel'. Zoals gezegd kan ik beide perspectiefwisselingen slecht globaal bespreken. In grove lijnen zal ik de doorwerking van de vroege esthetisering en een eruit voortvloeiend ethisch implicaat aangeven. Zijdelings in de vorm van uitgebreide noten zal ik bovendien, onder verwijzing naar het werk van andere differentiedenkers, de door Foucault doorlopen denkontwikkeling in een breder kader plaatsen om zo de bewering te onderbouwen dat de esthetisering van het denken het gehele differentiespectrum doortrekt.


MULTIMEDIALITEIT

Intermedialiteit Woorden en Beelden
Conceptuele Verbeeldingskracht
Over woordbeelden, beeldspraak en denkbeelden

Gevoeligheid voor taalbeelden en voor beeldspraken maakt een groot deel van de literaire kwaliteiten van schrijvers uit. Experimenten met woordbeelden worden doorgaans toegedicht aan schrijvers. De kruisbestuiving van schilderkunstige beelden en woorden vindt reeds vóór Mallarmé's typografische experiment plaats. Zo verwerkt de schrijver Alphonse Allais in 1883 door hem zelf vervaardigde monochromen in zijn boeken. Een rood monochroom geeft hij de titel "Tomatenoogst door kardinalen met aanleg voor beroerte aan de oever van de Rode Zee". De taal is hier de drager van het op zich volstrekt betekenisloze beeld (als we tenminste niet aan de verleiding van een retrospectieve duiding vanuit de 20e eeuwse abstractie toegeven). De titel structureert de blik van de lezer en genereert een beeld dat anders op geen enkele wijze waarneembaar zou zijn. De invoering van woorden in de beeldende kunst is geen exclusieve verworvenheid van de late 19e eeuw. Reeds op 15e eeuwse schilderijen worden heiligen latijnse zinnen in de mond gelegd. En heeft het woord door de (kunst)geschiedenis heen beelden niet op een haast onzichtbare manier begeleid: zijn werken niet altijd op vanzelfsprekende wijze van titels voorzien? Deze relatie tussen titel en beeld was natuurlijk grotendeels beschrijvend van aard: de titel mimeerde discursief het beeld, terwijl het beeld op materiële wijze een ervaren werkelijkheid mimeerde. Hierin treedt een kwalitatieve verandering op aan het eind van de 19e eeuw. In Invisible Colours. A Visual History of Titles (1997) geeft John Welchman een analyse van titels die niet meer beschrijven maar die het figuratieve beeld in materiële termen of in metaforen van een andere kunstvorm of van een ander zintuig omschrijven. Als een van de eersten legt de 19e eeuwse Amerikaanse schilder James McNeill Whistler een verband tussen titel en beelden die afwijkt van de conventionele manier van beschrijven. Zo noemt hij een portret van zijn doodzieke moeder Compositie in grijs en zwart (1871) en gebruikt hij muziektermen als 'Nocturne' voor andere afbeeldingen. Door deze metaforische verschuiving wordt de blik van de toeschouwer geherstructureerd: hij zal als hij het gehele werk en niet alleen het beeld wil beschouwen zich rekenschap moeten geven van de materialiteit van het medium of van de vanzelfsprekendheid van zijn metaforisch bepaalde blik. In de affichekunst van Toulouse Lautrec in 1891 maakt hij de beruchte Moulin Rouge affiche wordt de interactie tussen woord en beeld gebruikt om het publiek tot consumptieve daden aan te zetten. Jan Toorops 'slaolie' affiche is een oerhollandse variant. Openbaarheid en publiciteit zijn onlosmakelijk verbonden met woordbeelden. Wanneer Georges Braque in 1911 woorden die naar het grootsteedse openbare leven verwijzen, op zijn doeken schildert en Picasso vervolgens kranteknipsels op zijn doek metselt, bieden deze woorden uit het openbare leven een gemeenschappelijk draagvlak voor beelden die steeds minder representatief en meer ideosyncratisch worden. Deze vroege woordbeelden scheppen door de mediale spanning een reflexieve distantie die de louter esthetische contemplatie van het beeld op z'n minst ontwricht. Contextualiseren schilders hun beelden door middel van de woorden, de meer literair georiënteerde experimenten stoten door een typografische verbeelding de woorden uit hun vanzelfsprekende context en roepen op deze wijze een reflexieve distantie op die eveneens een hoger conceptueel gehalte heeft. Marcel Duchamp slaat een brug tussen beide experimenten. Latere kunstenaarsgeneraties werken dit multimediale experiment verder uit. Fysieke publiciteit in de vorm van performance is aanwezig in het werk van futuristen, dadaïsten, surrealisten, Stijlkunstenaars, leden van Cobra, Fluxus, popart, bodyart en conceptualartkunstenaars. Hun werk krijgt door de openbaarheid van het woord en een fysieke presentatie een politieke dimensie die niet tot strikt politieke statements te herleiden is. Bij Nauman, Ruscha, Mol, Finlay, Holzer, Dwyer en Kruger wordt met deze doorwerkingen in nieuwe materialen architectonisch geëxperimenteerd.


LOGOS

Grijpen, begrijpen, ingrijpen

Het kunstwerken van Herman de Bakker


De ratio of logos van de Griekse poliscultuur wordt nog gevormd door een specifieke samenstelling van begrippen, beelden en fysieke beroeringen. Filosofie, kunst en politiek schragen de sociale en religieuze verbintenissen. Politiek het reilen en zeilen van de polis weet zich gevoed door kunst en filosofie die dan nog geldt als de koningin van de wetenschappen. Beelden, woorden, dingen en daden vormen een hecht sociaalcultureel weefsel. Een eenduidig onderscheid tussen begrippen, woorden en dingen is voorbarig. Deze drie dimensies komen samen in één term: logos. Logos kan zowel een kosmische orde als een gestructureerde wijze van denken of de uitdrukkingen daarvan in de taal betekenen. De logos doortrekt niet alleen het conceptuele denken: het oriënteert ook de dingen en inspireert de artistieke verbeelding. Als er dus in den beginne al sprake was van een woord, zoals het Johannesevangelie ons wil doen geloven (het Nieuwe Testament is oorspronkelijk in het Grieks geschreven), dan is dit: logos. Ik wil me om een voorlopig antwoord te kunnen geven op de vraag naar de actuele waarde van de relatie tussen beelden en woorden concentreren op het werkwoord 'legein' waaraan het zelfstandig naamwoord 'logos' is ontleend (eerst zijn er immers de werkwoorden en dan pas het produkt van deze noeste arbeid: het zelfstandig naamwoord). 'Legein' betekent pas in derde instantie 'spreken' en nog veel later pas 'betekenen'. Haar meer oorspronkelijke betekenissen hebben te maken met het tellen en verzamelen van dingen, van bijvoorbeeld stenen om muren te bouwen. In onze uitdrukking 'aren lezen' het bijeenrapen van de korenaren klinkt deze betekenis nog door. Een berekenende bezigheid waarbij de nijvere verzamelaar zich overigens makkelijk kan vertellen.



HYPOCRITISCH THEATER

vervreemding,
ontvreemding,
bevreemding

Over hypokritisch theater In de zesde eeuw voor Christus ontwikkelt zich uit de extatische rite rond Dionysos en de aardgodin Demeter een reizang. Uit deze dithyramben ontwikkelt zich geleidelijk aan een dramatische structuur het satyrspel die wordt gepolijst tot wat wij nu kennen als de tragedie. Lang nadat het oorspronkelijke ritueel is geseculariseerd, treedt uit het koor een voorzanger naar voren. De gemeenschap is zich blijkbaar bewust geworden van haar breekbare gemeenschappelijkheid. Deze individuatie maakt een dialoog tussen koor en voorzanger mogelijk. Deze voorloper van de speler/acteur noemen de Grieken: hypokrites. Hield zijn activiteit aanvankelijk een antwoorden of verklaren, vervolgens acteren in, enkele eeuwen later staat zijn spreken gelijk met huichelen. Toneelspelen is een schijnvertoning geworden. Plato verwerpt deze schijnheiligheid als toegang tot de kennis. De waarheid ligt verankerd de eeuwige, onveranderbare ideeën. Uiterlijke beelden staan bloot aan de wisselvalligheden van het aardse bestaan en zijn in dit licht slechts schijnbeelden van de waarheid. In de nabootsing of mimesis van deze beelden is kunst schijn in tweevoud. Theater is als schijn van de schijn een hypocriete basis voor onwetendheid in het kwadraat.




Peter Greenaway and Henk Oosterling


JEAN LUC NANCY
From interests to inter-esse

FILOSOFEREN ALS EEN GUERRILLERO

Gilles Deleuze
Boom of wortelstok



Het nomadische denken van Gilles Deleuze

Het werk van de Franse filosoof Gilles Deleuze (1925) geniet in Nederland weinig bekendheid. Dit ondanks de indrukwekkende omvang die het intussen heeft aangenomen en het belang dat er, getuige de vele vertalingen, in de andere Europese landen en de Angelsaksische wereld aan wordt gehecht. Na een aantal 'academische' studies over filosofische giganten (Hume, Nietzsche, Kant, Bergson en Spinoza), die met uitzondering van Spinoza en een recent Leibniziaans georiënteerd werk, Le Pli (1988), alle tussen 1953 en 1967 zijn geschreven en waarvan zeker Nietzsche et la philosophie (1962) opzien baarde, zet Deleuze aan het eind van de 60er jaren in Différence et Répétition (1968) en Logique du sens (1969) zijn verworven filosofische inzichten uiteen. In deze teksten, waarvan vorm en inhoud afwijken van 'normale' filosofieteksten, kritiseert hij het primaat van het zich autonoom wanende, rationele subject binnen het moderne, op representatie gerichte denken. Slechts door een gewelddadige machtsgreep van het identificerende denken zijn volgens Deleuze de krachten die het denken van alle kanten bestoken tot traditionele dualismen te reduceren. Dit 'eenheidsdenken' eist een 'ofof' bepaling: tussen lichaam en geest, object en subject, collectief en individueel, verlangen en belangen. Deleuzes kritiek erop impliceert een Nietzscheaans geïnspireerd pleidooi voor een vorm van filosoferen, waarin de dynamiek van het worden en het gebeuren van het denken zelf niet alleen theoretisch onderbouwd, maar ook daadwerkelijk in het schrijven voltrokken worden. Daarbij ligt het accent juist op veelheden en verschillen. Als zodanig kan hij als exponent gezien worden van een stroming in het Franse denken, waartoe ook Foucault, Irigaray, Lyotard en Derrida behoren. De veelvoudige verwerking van hun eveneens op Nietzsches werk geënte, kritische inzichten ten aanzien van de werking van macht, verlangen en taal en de consequenties daarvan voor het filosofische schrijven wordt doorgaans getypeerd als het denken van de differentie of als differentiedenken. zie ook Rizomen




BEWEGENDE BRUGGEN

Erasmus magazine, nr. 14

Filosofie, kunst en politiek in gesprek

Vrijdag 30 januari is door wethouder Kombrink aan het Centrum voor Filosofie en Kunst een werkverband binnen de Faculteit der Wijsbegeerte in het Visser't Hooftgebouw aan de Oostmaaslaan de grootste ets ter wereld aangeboden. Deze ets is 2 bij 2 meter en gemaakt door de Rotterdamse kunstenaars Alex meidam en Danny van Walsum en stelt de Erasmusbrug voor. Hij is gemaakt tijdens de opening van de brug en aangeboden aan koningin Beatrix. Met deze aanbieding die samenviel met de viering van het eerste lustrum van het CFK presenteerde zij tevens haar nieuwe project 'Intermedialiteit'. Deze tekst is in samenwerking met Awee Prins door Henk Oosterling samengesteld en uitgesproken en kan beschouwd worden als een vaststelling van de hernieuwde aanwezigheid van het CFK, kortom als zoals de Fransen dat zo mooi zeggen een acte de présence.






DELEUZE
NEO-NIETZSCHEAANSE
WAARDENLEER


Een oneigentijdse bijdrage aan de Filosofie
MOED EN DISCIPLINE
Min. van Verkeer en Waterstaat

Reflecties bij een oproep tot burgerzin Moed en Discipline Ergens op een weiland buiten Beverwijk woedt in maart van dit jaar een ware veldslag tussen supporters van twee vooraanstaande voetbalverenigingen. Als ging het om een stammenoorlog, zo hakken beide groepen, vervuld van een volstrekt archaïsch soort collectieve haat, met stokken en messen op elkaar in. Voor lafheid is geen plaats, roekeloosheid is een verdienste die door de meesten als moed wordt geprezen. Als beide groepen, door een op handen zijnde politie interventie gedwongen, zich terugtrekken ligt het veld bezaaid met laten we om de dubbelzinnigheid van deze waanzin nog scherper aan het licht te laten treden maar een voetbalterm gebruiken met geblesseerde medespelers en tegenstanders. De aanvoerder van de Ajaxieden Carlo Picornie bezwijkt later aan zijn blessures. Picornie blijkt 'echter', zo zal er steeds aan worden toegevoegd een gerespecteerd huisvader en uitbater te zijn geweest. In ieder geval even gerespecteerd als de jongeman die, buiten zinnen, de Leeuwarder Meindert Tjoelker zo lang schopt dat deze eveneens aan zijn verwondingen bezwijkt. Ruim een jaar geleden werd in Amsterdam Joes Kloppenburg doodgeschopt, ook nadat hij had geprobeerd in te grijpen in een voor anderen levensbedreigende situatie. En in Tilburg trof Justus Hertig, in Berkhout Mark White hetzelfde lot. 'Doodgetrapt'. De tragiek van deze zinloze doden wordt nog eens versterkt door de associaties met ongedierte en soldatenlaarzen.


LAMPUSIAK
EN ZARATHUSTRA


Negentien filosofen over hun eerste kennismaking

Op het snijpunt van de boekenkasten zat Lampusiak naast de butagaskachel, midden in zijn antiquariaat aan de Vierambacht-straat in Rotterdam. Maarten ’t Hart had ooit bij hem “een stokoude vertaling van Gotthelffs Bauernspiegel kunnen bemachtigen” beweert hij in de De Aansprekers. Boven Lampusiaks altijd ongeschoren, met witte baardstoppels bedekte, vlezige gelaat waaierde vettig wit haar. Eronder slobberende een wit overhemd, half weggemoffeld in een te wijde grijze broek waaronder de neuzen van zijn pantoffels uitstaken. De butagaskachel stond ’s winters te loeien, maar de hoge ruimte kon er niet mee worden warmgestookt. De vochtige, zoetmuffe geur van de met boeken volgestouwde winkel was in de loop der jaren in Lampusiak getrokken. Hij had nog twee pakhuizen vol met boeken. Zijn dochter reed hem er op gezette tijden naartoe. Ook zijn huis was volgepakt met boeken. Na de dood van zijn vrouw bivakkeerde hij ertussen. Hij hield van boeken over Joodse geschiedenis. Maar hij verzamelde ook kunstboeken. Zo nu en dan viste hij uit de partijen die hij opkocht boeken over filosofie. Zijn voorkeuren werden door zijn dochter achter de enorme etalageruit van het antiquariaat uitgestald. Daarvoor kon zij niet uit zijn hele voorraad putten. Er waren boeken die Lampusiak nooit verkocht. Als je naar bepaalde titels informeerde en zij bleken bij hem thuis te staan, kon je het wel vergeten. Meer dan een belofte ze de volgende dag mee te nemen kon je hem niet ontlokken. Dat kon jaren doorgaan. Van verkopen was geen sprake. Lampusiak wilde eigenlijk helemaal geen boeken verkopen. Hij leefde ermee en waakte erover. Het antiquariaat vormde een welkom toevluchtsoord voor landerige pubers. Mijn vriend kwam er al jaren om zijn verzameling Biggles aan te vullen of gedeelten ervan te slijten. Lampusiak was ook wel eens bij hem thuis geweest om een partij boeken, die door zijn vader werd afgedankt, in te kopen. Meestal bedong Lampusiak prijzen die nog scherper waren dan het oog dat hij ervoor had. De interessantste boeken pikte hij er onmiddellijk uit. Door de rest van de partij als waardeloos af te doen probeerde hij voor de betere boeken indirekt een zo laag mogelijke prijs te bedingen. Je kon een boek dat je aan hem had verkocht, mocht je spijt krijgen, altijd terugkopen, net zoals hij je na iedere aankoop ervan verzekerde dat je het altijd weer kon ‘terugbrengen’. Er waren ook mensen waar Lampusiak nooit boeken aan verkocht. Hij had bepaalde antipathieën. Als iemands gedrag of uiterlijk hem net iets teveel aan vervelende ervaringen herinnerde, antwoordde hij op de vraag of hij een bepaald titel op voorraad had steevast ‘nee!’. Wanneer de ongewenste klant het tot zijn eigen verbazing alsnog uit de eindeloze rijen boeken viste, had Lampusiak vergeten het voor iemand weg te zetten. Dat was nonsens: hoe chaotisch de indruk was die de winkel wekte, Lampusiak wist altijd precies wie wat wanneer wilde en waar deze boeken zich bevonden. Alle bestelde boeken – waarvoor van te voren handgeld moest worden betaald om het lot niet te tarten – stonden in het achterkamertje dat zich een meter lager achter een gordijn aan het andere eind van de winkel bevond. Daar stond een schat aan antiquarisch materiaal. Alleen klanten die hij helemaal vertrouwde, mochten in deze schatkamer afdalen. Lampusiak at er zijn brood en sneed de met doorschijnend vloeipapier afgedekte grafiek uit dure boeken om deze ingelijst afzonderlijk te verkopen. Op een dag stond bij mijn vriend Aldus sprak Zarathustra in de boekenkast. Het had hem twintig gulden gekost. Het zal Marsmans vertaling zijn geweest, in een uitgave van De Wereldbibliotheek met een crêmig-gelige, harde kaft waarop een theosofisch ogende, grafische afbeelding was afgedrukt. Een opkomende zon of zoiets.


OORLOGSRETORIEK
IN DE POLDER


Ravage #13

President Poetin nam afgelopen week een ovationeel applaus in ontvangst na zijn in vlekkeloos duits uitgesproken rede in de Duitse Bondsdag. Zijn training bij de KGB wierp opnieuw vruchten af. Enkele maanden eerder sloot hij niet langer de mogelijkheid uit dat Rusland lid zou worden van de NAVO. Natuurlijk getuigt zijn toezegging om de strijd tegen het terrorisme te steunen van het onvermijdelijke opportunisme dat nu eenmaal eigen is aan politiek-economisch handelen. Maar we mogen er ook uit concluderen dat de kou uit de grond is. Na het scheuren van het gordijn en de val van de muur in 1989 is de oppositionele retoriek waarin iedere vijand van Amerika afgeschilderd werd als het land van het Kwaad volstrekt steriel geworden. De Golfoorlog was de laatste oprisping van een retorisch getoonzette, 20e eeuwse statenoorlog, die door de westerse wereld, de vele onschuldige burgerslachtoffers ten spijt, nog steeds als een schone oorlog wordt bestempeld. Henk Oosterling


DE PRIJS DER VRIJHEID

Kruisbestuiving der fundamentalismen
Over de verborgen tegenstanders van
het moslimfundamentalisme
Eutopia. Podium voor politiek, cultuur
en kunst, # 9, dec. 2004



HET STADIONPARK

brengt Zuid in bewegen
Nota Pact op Zuid, Rotterdam 2008




LICHT OP ZUID

Terugkijken in de toekomst
Henk Oosterling



Joop balanceert beheerst gebarend op zijn aluminium trapje. Voor hem staan of zitten de groepen die door Linda en Elke gevraagd zijn om voor een groepsfoto te poseren. Linda loopt om de groep heen, lampen controlerend, hier en daar met zachte hand het arrangement voor de foto voorbereidend. Joop staat net iets hoger dan de rest en kijkt dan ook letterlijk over iedereen heen. Zo houdt hij het overzicht. Hij heeft de regie. Iedereen kijkt terug. In zijn rechterhand hangt zijn camera, gereed voor gebruik, met de andere hand nodigt hij deelnemer voor deelnemer uit iets op te schuiven, door de knieën te gaan of naar achteren te stappen. Eerst is het niet helemaal duidelijk wie waar moet staan. Het kost wat tijd om een groep zo helder neer te zetten dat iedereen afzonderlijk tot zijn recht komt. Sommigen bewegen wat onwennig op de achtergrond en zouden het liefst zo snel mogelijk klaar zijn. Er zijn er altijd wel een paar die pontificaal op de foto willen en zich op de voorste rij nestelen. Het is een kwestie van puzzelen en aanvoelen. Ook al bestaat er in iedere groep een bepaalde rangorde, de foto vergt een andere opstelling. Niet alleen moet ieder afzonderlijk goed te zien zijn, belangrijker nog is het uitgebalanceerde groepsgevoel. Dat moet als het ware tastbaar worden. Je moet het kunnen aanraken als je naar de foto kijkt

HERMANN NITSCH

'Het lichaam' Abbahadabra
Een (hypo)kritische notitie

Laatst had ik het nogal tweeslachtige genoegen weer eens een videoopname te aanschouwen van de Aktionen van Hermann Nitsch, een van de Wiener Aktionisten die aan het eind van de zestiger jaren in opspraak kwamen door hun gewelddadige en blasfemische performances. Echter, de beelden die mij werden voorgeschoteld riepen nu zoveel jaren later eerder verbazing op dan verontrusting. De Aktionen die zijn gefilmd houden het midden tussen een heidens offerritueel, een zwarte mis en een amateuristisch geregisseerd totaaltheaterstuk. Allerlei mythologische thema's worden vermengd met een christelijke symboliek die op haar beurt weer met obscene handelingen wordt opgeladen. Het offer, vaak in de vorm van een kruisiging staat centraal. De scene's waarin het bloed en de organen van van te voren geslachte dieren over naakte mannen gegoten en gedrapeerd worden zullen toendertijd voor sommige aanwezigen, maar ongetwijfeld voor de acteur die als slachtoffer fungeerde huiveringwekkend zijn geweest, maar de afstand die door de videoopnames wordt geschapen, de afwezigheid van een kinesthetische ervaring, van geur en geluidsindrukken maken dat het geheel voor de huidige kijker nogal grotesk overkomt. Een tijdsdocument dus, wat wellicht benadrukt wordt door Nitsch' recente aanstelling als professor aan een van Duitslands meest prestigieuze kunstinstituten.



IMPASSE IN FILOSOFIE EN KUNST?

(Pa)laveren tussen een postmetafysische
metaforica en discursieve verbeelding

De dubieuze vrijage tussen de bruusk uit haar zelfbespiegeling gewekte Sofie en de zelfgenoegzaam schitterende Muze, wier paringsdans ooit in de 19e eeuwse Romantiek begon, lijkt volgens sommigen in een evenwichtige echt te zijn uitgemond. Want hoewel beiden zichzelf willen blijven, kunnen ze, zo lijkt het tenminste, niet meer buiten elkaar. Uit het Zijn verdreven, zichzelf uit het Denken gedacht, doolt Sofie al meer dan een eeuw rond in een Taal, waaraan iedere oorsprong vreemd is en ieder doel ontbreekt. Ontheemd, van God en gebod los, heeft ze zich twee lits jumeaux aangeschaft en is ze een LAT relatie begonnen met de enigszins verwezen Muze. Soms logeren ze bij elkaar. Hoewel Sofie 's avonds zelfverzekerd en welbewust in haar deel van het bed kruipt, stapt ze, zodra Muze's ademhaling zich verdiept over en schurkt ze zich gespannen dicht tegen haar aan. Wellicht hopend berichten uit een andere wereld op te vangen. Of om het geweld dan wel weldadige contact met de dingen niet geheel te verliezen, misschien zelfs wel om het verbroken contract met de wereld te herstellen. Zo vult Sofie haar nachten met nauwgezet en wanhopig luisteren naar de dromende Muze. Dorstig laaft ze zich aan de waanbeelden, die nu eens uit het muzisch gestamel en gemompel, dan weer uit haar rauwe gekrijs opdoemen. Haar wanhoop bestaat echter hierin dat zij maar al te goed beseft, dat haar begrippen te kort schieten om de waan van Muze's beelden te ontmaskeren of te duiden. Toch zal ze er de volgende ochtend op verzoek van de slaapdronken, maar o zo nieuwsgierige Muze zelf, over praten. "Il faut parler". Sofie zal de onsamenhangende dromen letterlijk vertalen en er toch angstvallig op toezien niet toe te geven aan de onweerstaanbare drang de beelden van een diepere, laat staan een laatste, definitieve betekenis te voorzien. Haar alsmaar voorlopige uiteenzettingen zijn de afgelopen dertig jaar voorzichtiger, bedachtzamer, spaarzamer, minutieuzer geworden. Niet zozeer omdat hun toch al zo kwetsbare relatie telkens weer op het spel staat, maar vooral omdat haar begrippen zichzelf lijken op te lossen terwijl ze worden uitgesproken. De taal ontglipt haar al sprekend, begrippen vervluchtigen tot beeldspraken. Haar eens zo evidente zekerheden zijn troebel, ondoorzichtig, ambigue geworden. Toch zou Sofie zich deze als methodische precisie gemaskeerde zelfkritiek kunnen besparen: de Muze is slechts geïnteresseerd in mooie verhalen, waarin de melodieuze klank van Sofie's stem opklinkt en de schitterende ritmiek van de beeldspraken haar, louter associatief, allerlei vergezichten voortovert en tot werelden verleidt, waarover zij naar willekeur verder kan dromen. Wat hen verbindt is namelijk geen gedeelde waarheid, zelfs geen gedeeld begrip of overeenstemmende verbeelding, maar een revolterende vadermoord en een daaruit voortvloeiend gemis, een leegte, een Niets. Beide praktiseren ze een nihilisme, een wil tot Niets. Om de leegte te vullen en om de moderne tijd te doden jagen ze speels ironisch en mild parodirend de produkten van de noeste arbeid van hun voorvaderen erdoor, verspelen en verspillen ze rücksichtlos hun vaderlijk erfdeel op zoek naar God mag weten wat.

SNIJDEN IN EIGEN VLEES

De pornologische acinema van Ian Kerkhof 'Mba-Kajere

Zelfs op die cinefielen die inmiddels vertrouwd zijn met het weerbarstige, ietwat 'perverse' cinematografische werk van Ian Kerkhof moeten de indringende aanvangsbeelden van The Return of the Deadman een onverwachte fysieke impact hebben. De walging die hen bij de aanblik van deze onthutsende beelden ongewild ten deel zal vallen mag dan weliswaar eerder uit esthetische dan uit morele aanvechtingen voortkomen, slechts weinigen zullen niet in dubbel opzicht beroerd worden. De infernale kwaliteit van de liefdesscene staat ons niet toe een veilige esthetische distantie in te nemen, vanwaaruit we de robuuste romantiek kritisch gade kunnen slaan. Misschien is dit dan ook de reden dat we ongemerkt en haast in weerwil van onszelf de amechtige, maar bevrijdende lach van de minnaars willen overnemen. Terwijl zij in en met hun gelach de wrede ban van de orgastische intimiteit breken en deze in een kameraadschappelijke tederheid doen overgaan, krijgen wij, onthutste kijkers, even de gelegenheid om weer bij onze zinnen te komen. Blijkbaar biedt alleen een dergelijk verscheurd en verscheurend lachen nog een uitweg uit het exces. Met wat voor soort lachen hebben we hier van doen? Het heeft vanzelfsprekend weinig te maken met de klaterende speelsheid waartoe sommigen erotiek reduceren. Eerder dan om een harmonisch, lichamelijke communicatie lijkt het hier om een bezwering, dat wil zeggen zowel een oproepen als een ritualiseren of stileren te gaan van orgastisch geweld dat ons vreemd genoeg niet alleen met weerzin vervult, maar dat ons tevens fascineert. Als stonden we aan de rand van de afgrond, zo lijken we de verleiding niet te kunnen weerstaan een huiverende blik in dit gewelddadige duister te werpen. Het gaat in deze scene dan ook minder om sex dan om de overrompelende ervaring van grensoverschrijdend geweld. Meer om zo we dit beladen woord mogen gebruiken extatische communie dan om harmonieuze communicatie.




Herdenken gedenken overdenken
indenken en bedenken


Openbaren van inter-esse Bij wijze van
uitleiding in Grootstedelijke Reflecties
Over kunst en openbare ruimte

Henk Oosterling & Siebe Thissen (red.)
InterAkta 5, CFK/CBK Rotterdam 2002





Cosmopolitan Interest

Art as Public Space

Open Cahier on Art and the Public Domain
(No) Memory Storing and Recalling in Contemporary Art and Culture

NAi Publishers






MET DRIE OGEN

In menig interieur prijkt een Boeddhabeeldje een Afrikaans masker of een Indiaanse dream catcher ermen als karma, reïncarnatie en verlichting behoren inmiddels tot het spiritueel vocabulaire. Martiale kunsten, meditatie en yoga zijn slechts de meest gangbare praktische verwerkingen van oosterse denkwijzen. Niet-westerse ideeën zijn al vele decennia verankerd in het bewustzijn van westerse individuen. Zijn deze ideeën daarmee inmiddels ‘eigen’ aan de westerse cultuur of blijven ze iets weerbarstigs en vreemds behouden? In deze bundel kijken gerenommeerde interculturele denkers en spirituele doeners ‘met drie ogen’ naar de interculturele ervaring. Met een filosofisch, een praktisch en een spiritueel oog die een kritische openheid garandeeert bespreken de auteurs het complexe interculturele spanningsveld dat zich in de afgelopen drie decennia heeft gevormd. Zij gaan na hoe de spanningsvelden tussen verschillende culturen en levensbeschouwingen in het westerse gedachtegoed doorwerken en hoe dit zich er aan heeft aangepast. Wat heeft de kruisbestuiving tussen enerzijds westerse filosofie en anderzijds oosterse en Afrikaanse spiritualiteit aan nieuwe ideeën en nieuwe levenspraktijken opgeleverd? Is er hier sprake van een harmonieus globaliseringsproces van symbiose en eenwording of juist van een botsing en van een voortdurend nieuwe plaatsbepaling? Op het snijvlak van het universitaire en het buiten-universitaire, van de theoretiserende distantie en de praktiserende betrokkenheid wordt een interculturele ervaring door-dacht die monodisciplinaire en monoculturele benaderingen heroriënteert. Thema’s die aan bod komen zijn onder meer: lichaam, ziel, natuur en werkelijkheid in Noord, Zuid, Oost en West; vormen van non-dualiteit; verlichting en bewustzijn; de boeddhisering van het Westen; zen en cyberspiritualisme; en de verhouding tussen filosofie en spiritualiteit.

Intercultureel doordenken van de kruisbestuiving tussen westerse filosofie en oosterse spiritualiteit Organisatie: dr. Henk Oosterling en mr. drs. Vinod Bhagwandin Oosterse ideeën zijn al vele decennia gezeteld in de bovenkamers van westerse individuen, terwijl oosterse levenspraktijken al in vele huiskamers worden beoefend. In menig interieur prijkt een Boeddhabeeldje, terwijl termen als karma, reïncarnatie en verlichting inmiddels tot het spiritueel vocabulaire behoren. Er zijn al bibliotheken vol geschreven over de tao van fysica en de zen van wat-dan-ook. Martiale kunsten en yoga zijn slechts de meest gangbare praktische omgangsvormen met de diversiteit van oosterse denkwijzen. Sommigen menen dat deze gestalten van culturele andersheid inmiddels ‘eigen’ zijn aan de westerse cultuur, anderen menen dat ze iets vreemds blijven behouden. Willen we dat echt begrijpen, dan zal het westerse zelfbeeld moeten veranderen. Voor denkers en doeners is het nog interessanter na te gaan hoe de spanningsvelden tussen verschillende culturen en levensbeschouwingen in het westerse gedachtegoed doorwerken. Wat heeft de kruisbestuiving tussen westerse filosofie en oosterse spiritualiteit aan nieuwe ideeën en nieuwe levenspraktijken opgeleverd? Op het snijvlak van het universitaire en het buiten-universitaire, van de theoretiserende distantie en de praktiserende betrokkenheid dient zich een interculturele ervaring aan. Deze ervaring door-denken vergt een heroriëntatie op monodisciplinaire en monoculturele benaderingen en alledaagse evidenties. Op dit symposium staat de benadering centraal van dr. Douwe Tiemersma, filosoof aan de Faculteit der Wijsbegeerte en tevens yoga- en meditatieleraar. Na meer dan dertig jaar beide sporen te hebben gevolgd, neemt hij afscheid van zijn academische loopbaan. Met ‘drie ogen’ kijkt hij naar het interculturele: een filosofisch, een praktisch en een spiritueel oog. Het is vanuit deze gelaagde blik dat gerenommeerde interculturele denkers met elkaar en met Douwe Tiemersma in gesprek gaan. Het gesprek tussen prof. dr. Heinz Kimmerle, prof. dr. Jos de Mul, prof. dr. Otto Duintjer, drs. Awee Prins, prof. dr. Jan Sperna Weiland, dr. Douwe Tiemersma, prof. dr. Wim van Binsbergen, Nico Tydeman, prof. dr. Koo van der Wal en dr. Han de Wit wordt gemodereerd door dr. Henk Oosterling.


Opstellen voor Opstelten

DE SOCIALE TOEKOMST VAN DESIGN

Metropolis M, no.5, 2008


OEDIPUS AND THE DOGON

The Myth of Modernity interrogated
I, we, and the body 

The myth of modernity interrogated This lecture is the result of a longlasting fascination, which concerns a title and a picture that for several years I have been confronted with. Both are in a book written by the French philosopher Gilles Deleuze and the Lacanian oriented psychiatrist Félix Guattari, that is called Mille Plateaux and was published in 1980. It forms the second part of a book entitled Capitalisme et Schizophrénie1. The heading of the article reads as follows: 28 novembre 1947 Comment se faire un Corps sans Organes? (November 28th, 1947. How to make a Body without Organs?)2 And under this curious title stands the following drawing, with the caption: L'oeuf dogon et la répartition d'intensités. (The dogon egg and the repartition of intensities)3.


DEMOCRATISCHE KUNST
IN DE OPENBARE RUIMTE


Ooit beweerde René Descartes dat ons lichaam louter een robot is en dat de menselijke essentie uitsluitend met het reflexieve denkvermogen samenvalt: cogito ergo sum, ik denk dus ik ben. Inmiddels zijn wij er dankzij verlichte medici, fysici en in hun kielzog filosofen en antropologen achter gekomen dat de scheiding tussen lichaam en geest tussen uitgebreidheid van de materie en de continuïteit van het bewustzijn een fictie is. Bewustzijn veronderstelt ruimte èn tijd: een materieel lichaam. Definitief vaststellen wie en wat wij zijn, is door deze spatiotemporele gesitueerdheid ons fysiek en historisch bestaan uiterst complex geworden. Toch is de mythe van het immateriële leven nog springlevend: ze bezielt hedendaags onderzoek op het gebied van de kunstmatige intelligentie en kunstmatig leven. Downloaden van het totale bewustzijn in een computer zou slechts een kwestie van tijd zijn. Voor diegenen die meer in lijfsbehoud zien is leven niet veel meer dan een kortstondige, willekeurige doorkruising van de aardse ruimte. Het bewijs van ons bestaan valt ons hoogstens als een materiële reflex toe, zodra alle zintuigen worden afgesloten, het verstand op nul wordt gezet en we het op een rennen zetten: collido ergo sum, of beter: collido ergo sumus ik bots dus wij zijn.







DOOR SCHIJN BEWOGEN

The digital dimension With Derrick De Kerckhove Rotterdam Over nieuwe media en hyperkritische lichamelijkheid "De Indische beschaving heeft over het geheel genomen meer de nadruk gelegd op het oor dan de Westerse beschaving, waarin visuele indrukken hoger worden aangeslagen"(Frits Staal, 227). De tantristische yantra's tekeningen of diagrammen, de zogenaamde mandala vervullen een oriënterende en sturende rol bij het meditatieproces, maar het zijn vooral de mantra's die vanaf het begin van de vedische tradities centraal hebben gestaan in het rituele handelen. In de cultuurkritische debatten die de afgelopen 40 jaar in de in toenemende mate door media beheerste narcistische westerse consumptiecultuur zijn gevoerd, wordt de wijze waarop lichaam en geest zich ten opzichte van de techniek en technologie verhoudingen besproken. De wijze waarop media in de meest ruime zin van het woord met het lichaam en met de geest interfereren wordt door de ene theoreticus negatief afgeschilderd middels termen als 'verslaving' en vervreemding'. Anderen, waaronder in een zeer vroeg stadium Marshall McLuhan of hedentendage kunstenaars als Stelarc, menen dat er zich een gelegenheid voordoet om de menselijke geest op een hoger plan te brengen. In deze debatten duikt soms een Japanse term op die een lichamelijke en zintuiglijke gemeenschappelijkheid op geheel andere dan westerse wijze conceptualiseert.

HOW TO GET BYOND

Lyotard's post-Kantianism?

The Kantian Turn On Kant's Critique
of Judgement and its Influence on
Contemporary Aesthetics


THE BIG DEAL

New Economy the redefinition of politics, citizenship and the subject symposum with Michael Hardt and Bert van Meggelen, V2, Goethe Institut, Rotterdam. On urban subjectivities Henk Oosterling (Lecture for "New Economy - the redefinition of politics, citizenship and the subject", symposium with Michael Hardt and Bert van Meggelen, V2, Goethe Institut, Rotterdam 3-11-1999) Being invited to reflect upon the subject `urban subjectivity's' I felt a bit embarrassed. As a philosopher I am trained to historically track down and systematically analyze concepts in order to master the specific subject I am occupied with. I am familiar with the subject `subject'. As my philosophical perspective is both modern German and postmodern French, `subjectivity' to me has Kantian transcendental en hegelian idealistic overtones. Their `subject' presupposed a unified History, was legitimized by Great Narratives, by universal discourses. This modern `subject' no longer plays an evaluative role in an adequate analysis of human behavior and sociopolitical interactions in postmodern times. During the 20th century and especially after WW II it is historicized and deconstructed.


THE ECOLOGY OF DISIGN

The Ecology of Design: everything is made of something Deze avond is deel van een serie die V2_ in December vorig jaar is gestart over Life & Art waarmee we het door ons gestelde thema weer een iets andere richting geven. De eerste – TransAgriculture – behandelde de avant-gardening, green guerilla en slow-food bewegingen waar natuurlijkheid werd opgevat als interventietactiek in stedelijke omgevingen. Met deze tweede discussie willen we daar op voortbouwen en tegelijk een aantal zaken met elkaar verbinden. Vorig jaar bracht Lars Spuybroek een boek uit bij V2_ (The Architecture of Continuity) waarin vergelijkbare thema’s werden behandeld vanuit het perspectief van de architectuur, iets dat we nu willen verbreden naar de kwestie van “design” in haar geheel. Een ander punt is dat we een brug willen slaan naar een symposium/tentoonstelling (in November) onder de titel “Life, no Nature” waarmee we het vitalisme willen bevrijden uit haar benarde historische positie, en meer willen beschouwen in het licht van hedendaagse sociologie en filosofie. De avond in Oktober is opgezet als een discussieavond waarop verschillende sprekers via een opeenvolgende reeks stellingen (zie de punten 1 t/m 4 hieronder) de problematiek behandelen die we hier vatten onder de titel “The Ecology of Design: everything is made of something”. De punten zijn weliswaar sterk verwant aan de inhoud van het boek van Lars Spuybroek, maar ook weer zo verbreedt dat ze raken aan het onderzoek van de andere sprekers en zich losmaken van de specifieke inhoud van Lars’ architectonische werk. Met nadruk wil hij ook geen eigen werk laten zien, omdat de discussieavond niet bedoeld is om zijn ontwerpen te bespreken maar veelmeer wil werken naar een algemenere ‘ecologie van ontwerp’, met als hoofdstelling: “Als de (pathetische) natuur zoals we haar kennen van de 19e eeuw voorgoed voorbij is, en als we accepteren dat er geen enkele zuivere natuur is om naar terug te keren, hoe kunnen we dan een wereld van ontworpen relaties voorstellen?” Deze vraag stelt specifiek het probleem van de esthetiek, een esthetiek die zeker niet alleen geldt voor kunst en architectuur, maar voor alle geobjectiveerde en ontworpen relaties. Hier gaat het dan net zo goed over betrekkingen tussen mensen en mensen als tussen mensen en dingen, bijvoorbeeld zoals we functioneren binnen bedrijven, of zoals we producten maken en verkopen, of zoals we naar elkaar luisteren en beelden laten zien, of zoals we macht uitoefenen. Alle relaties zijn ontworpen relaties en daarmee ook gevoelde en esthetische. De onderstaande stellingen verduidelijken dat argument stapsgewijs (en in het engels, daar er grote kans is dat de discussie in het Engels gevoerd zal worden): The necessity for an ecology of design is reasoned as follows: 1) All things are relational, or better, ecological: one the one hand they are vague and atmospheric, on the other patterned. An ecology of design is different than ecological design, but it does acknowledge an ecology of perception (J.J. Gibson), where perception is tentative action, a trying-out, a texture-action relation where the two cannot be separated. A surface is not an image to be seen, it’s an interface that is operational, that has to be acted upon. Interaction means a form of perception that is intrinsically action. 2) All relations however are felt relations, like animals we shouldn’t distinct between art and life; all is affect and feeling. We see therefore we feel, as Ruskin said, and because we feel we act. So, empathy, sympathy, affect, feeling, einfühlung, all these old aesthetical categories have to be revisited and reevaluated. Design is not making signs anymore, nor language, nor representation, nor mediation. Nothing is mediated or bridged, all is immediate connectivity, without any in-betweens. 3) All has become a matter of design because relational objects need to be made felt relations, or in Latour’s words, a matter of concern. Now, concern means dealing with problems. So, every object is part of a field of problems, something to be worked on or taken care of. Matters of concern become matters of care, elaboration or treatment. Aesthetics is a sense of care, and all design the articulation of a problem or a set of problems (there are no white walls anymore – nothing is pure, and everything is made of something), as much as creating a feeling relation. By the way, design is the articulation of a problem, not the ‘solving’ of it. 4) All relations that are felt and ecological are explicitly not ’natural’ relations. Ruskin tried very hard to reintroduce nature in design, as in the classic notion of the Picturesque. Lars refers to a ‘radicalization’ of the picturesque in his book: felt relations, ie. relations of empathy, are relations of forming ‘living patterns’ between beings and things that are animate as much as inanimate, natural as much as technological. So, going beyond Modernist abstraction and autonomy doesn’t mean going back to naturalist empathy, it tries to establish a nonorganic empathy, a merging of abstraction and empathy. Owen Jones and Wilhelm Worringer tried to move from nature to a broader concept of life, and from natural forms to the notion of pattern.





CIRCULUS VITIOSUS

The circulus vitiosus
of fundamentalisms

Or how to undo the noose that ties up power, greed and fear? Debates on democracy were once held on the agora. The birth and debacle of democracy were staged in an amphitheatre. But just as at the end of that (in)famous film The Good, the Bad and the Ugly, only the dead are the spectators in this ancient theatre. Democracy’s battlefield has now become a global or spherical space with various dimensions. Four different players, it will be suggested, have positioned themselves over the last 30 years: myth, mind, market and mobility. What happens when these players are used to forestall or found a worldview with no less than universalistic pretensions? This global game is played by politicians, policy makers, opinion leaders and organisations. It is managed by media tycoons, top managers, security services and neo-tribal terrorists. These agents coalesce into a an immense and unprecedented power play the inevitably of which is underpinned by argumentations with evermore fundamentalist undertones. In his key lecture, Henk Oosterling will locate four basic fundamentalisms. Religious fundamentalism is the most obvious, with islamist neo-fundamentalism and Christian pro life activism as its most explosive appearances. Reli-fundamentalism has always been countered by reason. But in denying its own auto-immune impact on society, reason’s counter attack can easily turn into Enlightenment fundamentalism. Once its crucial values - freedom and autonomy – are reinterpreted in economic terms and reduced to one single value – market value - another fundamentalism comes into play: a market fundamentalism that reduces individual autonomy and freedom to mere functions of free market mechanisms. But the most invisible, yet nearly omnipresent fundamentalism reduces both man and market – the selfish self or ‘autos’ - on mobile vectors. With automobility becoming nearly a constitutional right the most illustrious of all fundamentalism comes to the fore: auto-fundamentalism. The giant’s struggle between these fundamentalisms is fought out on a global scale. Their interactions and transactions constitute a vicious circle. This devil’s circle is like a discursive noose that hangs around our necks like a chain of pearls. All stereotypes are applied to outdo the others. The Good, the Bad and the Ugly all play their role. The Good finally wins but only through deceit and bluff poker, always having one more card up his sleeve. When it has killed the Bad, it becomes Bad itself and ending up putting our miserable Ugly’s head into the noose again. The lecture raises the question whether the West is able to perform the ultimate generous gesture with which the film ends: the Good once again with one shot unleashing the noosed Ugly.




HERDENKEN GEDENKEN
OVERDENKEN INDENKEN
BEDENKEN


Enige grootstedelijke reflecties over de relatie tussen kunst en openbare ruimte Henk Oosterling & Siebe Thissen (Samengestelde tekst uit: InterAkta 5. Grootstedelijke reflecties. Over kunst & openbare ruimte. CFK, Rotterdam 2002, pp. Wat is de relatie tussen kunst en openbare ruimte? Moeten we niet anders differentiëren om recht te doen aan zowel dynamische opvattingen over openbaarheid als aan de strategieën die de hedendaagse openbare kunst kenmerken? Is het zinvol om naast het conventionele ‘kunst in de openbare ruimte’ te spreken over ‘kunst van de openbare ruimte’, ‘kunst als openbare ruimte’ en ‘openbare ruimte als kunst’. Is het wellicht niet tijd om het begrip ‘beeldende’ kunst te verbreden naar het ‘multisensorische’ domein en bijvoorbeeld ‘geluid’ verder te exploreren.1 Door onderlinge kruisbestuivingen komen ongetwijfeld nieuwe ‘zichtlijnen’ als ‘blikopeners’en trajecten in beeld. De Van Dale omschrijft zichtlijnen als “(de), (theat.) plaats vanwaaruit nog een goed of een slecht zicht op het toneel te krijgen is” (p. 4071). Op een impliciete manier wordt hier de theatralisering van grootstedelijke interacties en transacties aan de orde gesteld. Een theatralisering die zich naadloos invoegt in de politiek-economische inbedding van de grootstedelijke lifestyles met zijn merken en logocultus. Openbare ruimte is niet meer los te denken van deze aspecten van de urbane cultuur.2 1 Zichtlijnen en trajecten Deze zichtlijnen zijn niet zomaar bedenksels. Ze resulteren uit een analyse van concrete projecten, die de afgelopen jaren zijn uitgevoerd en worden gedragen door kunstkritische en kunsthistorische reflecties van kunstenaars en kunsttheoretici.3 Ze worden als onderzoekscategorieën gepresenteerd en zijn louter en alleen opgesteld om een diversiteit van projecten in kaart te kunnen brengen zonder in bestaande categorieën terug te vallen. Er is met andere woorden gezocht naar een nieuw vocabulaire. De ontwikkelingen vereisen een ander.

 


HET EINDE VAN DE
GESCHIEDENIS


Een probleem? Voor filosofen?
Of voor historici?

Turbulente ontwikkelingen

In diverse delen van de wereld lijken erop te wijzen dat het langdurige emancipatieproces, waarin met name de westerse mens, dat wil zeggen 'wij', de laatste 200 jaar verwikkeld zijn geraakt, ten einde is. Meer dan ooit worden we met onze neus op de geschiedenis of liever: op de ironie van de geschiedenis gedrukt. Dagelijks bereiken ons berichten over gebeurtenissen in het Oostblok die we twee jaar geleden en in sommige gevallen zelfs twee maanden geleden voor onmogelijk hadden gehouden. De westerse intelligentia haalt opgelucht adem. Columnisten in de New York Times spreken van "een terugkeer van OostEuropa naar het verleden" of menen een "toetreding van OostEuropa tot de geschiedenis" waar te nemen, terwijl een Japanner op het Amerikaanse State Department voor opschudding zorgt door het einde van de geschiedenis aan te kondigen. Als toegift profeteert hij de uiteindelijke overwinning van het liberalisme en het vrije ondernemerschap, waarna hij zelfgenoegzaam concludeert dat het kapitalistische systeem ten lange leste dus toch aan de essentie van de mens blijkt te beantwoorden. Echter, wat voor de correspondente van The New York Times wellicht de terugkeer tot de geschiedenis betekent, lijkt mij veeleer te wijzen op haar eind. In Moskou wordt dit einde op zeer speelse, maar bloedserieuze wijze in een tegendemonstratie tijdens de viering van de Octoberrevolutie aangekondigd. Iemand voert een spandoek mee met naar mijn mening het historisch opschrift: "Proletariërs aller landen, het spijt me. Was getekend K. Marx. Getuigen de jubelstemming in het Westen en de gretigheid waarmee men zich op deze gebeurtenissen werpt van een geopolitieke solidariteit? Of mogen we hier wellicht de amechtige reactie van een ideologie waarnemen die ieder geloof in haar eigen historische werkelijkheid verloren heeft? Hadden we ons na Auschwitz, Nagasaki en Hiroshima, na de diverse olierampen, Tsjernobyl en de gaten in de ozonlaag immers niet allang neergelegd bij het idee dat het project van de moderniteit mislukt was? Dat de historische taak van de moderne mens om zich van de ketens van zijn overheersers, van de waan van het geloof en van de bedreigingen van een gewelddadige natuur te bevrijden, veel te zwaar bleek? Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat dit de achtergrond van de huidige mentale malaise is. Het Westen is niet geveld door een vijand van buitenaf, maar door een desastreuze interne dynamiek. Een dynamiek die vanzelfsprekend in de beide wereldoorlogen, maar tevens in de opkomst van het fascisme en het stalinisme en tenslotte in de Koude Oorlog, het benarde nucleaire avontuur dat 'bewapeningswedloop' heet en in een ecologische crisis haar extatische hoogtepunten beleeft.


DE VERLEIDING
DER DINGEN


Het transparante universum
van Jean Baudrillard


Onze westerse cultuur wordt zowel door een diepgeworteld ontzag als door een nagenoeg onuitroeibare angst voor het ding beheerst. Hoewel we tegenwoordig in de verschillende kunstvormen en in de media op allerlei manieren met deze angst kunnen spelen, is het ding wetenschappelijk gezien nog steeds taboe. Wij, moderne of postmoderne individuen, hebben ons nog lang niet losgemaakt van de klassieke mythologie met haar door Ovidius uitputtend beschreven metamorfoses, noch van de door Jeroen Bosch zo verontrustend weergegeven christelijke demonologie met haar obscene gedaantewisselingen. Ondanks onze recente pogingen vanaf de 18e eeuw de wereld te ontmythologiseren en te humaniseren heeft onze verbeeldingskracht telkens nieuwe voorstellingen van het Vreemde en het Andere geschapen. De filmindustrie lijkt de taak van Ovidius en Bosch te hebben overgenomen. Meer dan bij haar premoderne voorgangers het geval was, neigt onze verbeelding door zijn hang naar kantiaanse zuiverheid, waar zo zullen we zien zelfs Baudrillard niet aan kan ontsnappen, naar een absolute abstractie, naar een ondenkbare leegheid. Zo heeft het horrorgenre, waarin de huiver, dat wil zeggen de spanning tussen fascinatie en weerzin optimaal wordt uitgebuit, deze eeuw een in abstractie toenemende reeks voorstellingen gegenereerd. De onpeilbare angst voor het Andere en het Vreemde hecht zich niet meer uitsluitend aan menselijke, evenmin aan dierlijke metamorfoses, maar streeft in ons sciencefictiontijdperk naar een subliminale verbeelding, waaruit iedere herkenning is verbannen. Van Dr. Jekyll and mr. Hyde, het monster van Frankenstein, vampiers, de living dead tot de huidige hype rond seriemoordenaars, via de weerwolf, de 'fly' en de salamanders van 'V' naar de Tryffids. Tenslotte culmineren al deze metamorfoses niet in 'De Lift', maar in de 'Alien' en de 'Thing'. Nog slechts één abstractie overtreft deze wezens: the Entity, een nietlocaliseerbare, ultieme bedreiging zonder identiteit, als god alomtegenwoordig. De vergelijking met god is niet willekeurig. Als werktuig van het Kwaad zijn al de manifestaties van het Andere met een eigen wil en logica begiftigd. Het genie van het ding is altijd kwaadaardig. Het komt tot ons uit een andere wereld, een andere sfeer, waar onze wetten niet meer gelden, waar alles aan toeval en willekeur lijkt te zijn uitgeleverd. Een dimensie, waarin de rationele mens, het subject zijn houvast verliest, zijn greep kwijtraakt, waarin zijn begrip oplost, betekenissen gaan schuiven en de gang der gebeurtenissen zich los van onze intenties noodlottig voltrekt. Het is een geruststellende gedachte te weten dat het moderne, filmisch universum nog bestuurd wordt door de godregisseur. Deze kan en moet, gegeven onze horror vacui, de strijd tussen goed en kwaad beslechten. Doorgaans direkt of indirekt in het voordeel van het goede. De huiver vereist sinds Kant een happy end, ook al is dit geen definitieve overwinning. Zo wordt sinds het eind van de zestiger jaren en na een korte periode van doemscenario's zowel in de horror als in het subtielere genre van de psychothriller bij voorkeur het open eind gehanteerd: zowel in de film The silence of the lamb (5 oscars!) als in de roman American Psycho (rel en bestseller!) van Bret Easton Ellis, waarin de huiveringwekkende metamorfoses van sociopathische seriemoordenaars ons bloed doen stollen, werkt het open eind als een wijkende horizon: angst doet leven. Ondanks deze verontrustende finale is er toch altijd sprake is van een happy end. We blijven immers ongedeerd en gaan hoogstens wat schichtiger huiswaarts. We worden niet anders dan in een zelfreflexieve siddering blootgesteld aan het door ons zelf geënsceneerde geweld van het Andere. Evenals de sex zit de horror blijkbaar tussen onze moderne oren. En ook in dit opzicht is onze huiveringwekkende ervaring van het Vreemde en het Andere nog kantiaans gekleurd. Evenals bij de verontrustende ervaring van het verhevene, zoals dit door Kant systematisch wordt geanalyseerd in zijn Kritik der Urteilskraft, blijft de toeschouwer in zijn confrontatie met het onkenbare, vorm en doelloze sublieme fysiek buiten schot: het geweld van de storm die de golven huizenhoog opzweept, beziet Kants toeschouwer vanuit een stevig gefundeerd, warm gestookt duinhuisje. Ook de grootsheid van de bergmassieven wordt tenslotte geneutraliseerd in de pascaliaanse gedachte dat wij, rationele subjecten weliswaar bevende, maar ook denkende rietstengels zijn: de symbolische waarde van het verhevene kunnen alleen wij ervaren. De ervaring van het sublieme is weliswaar verontrustend, omdat het door zijn grootsheid en dynamiek ons bevattingsvermogen overschrijdt, maar deze verontrusting bevestigt uiteindelijk toch de macht van de menselijke geest, van zijn subjectiviteit: de moderne mens is immers het enige wezen dat niet alleen beséft dat er iets groter is dan hijzelf, maar tevens begrijpt waaróm hij dit beseft. Maar deze zelfgenoegzame zelfreflexiviteit is uiteindelijk ons grootste probleem geworden.

BIOMACHT

biomacht en zelfzorg 

Hoewel de gedachte bij de tandarts een kies zonder verdoving te laten boren voor sommigen nog wel acceptabel is, zullen weinigen de leeuwemoed opbrengen om diezelfde kies zonder verdoving te laten trekken. De stompe, doffe vertwijfeling die een aan kanker lijdende patient ten deel valt, zodra zij of hij na veel ontwijkende verklaringen of relativeringen eindelijk de definitieve uitslag van het onderzoek te horen krijgt, biedt doorgaans weinig ruimte voor een kritische bezinning op de door artsen voorgestelde therapieën. De imperatieven van de medische zorg het wegnemen van individuele pijn en duurzaam lijden stroken nu eenmaal met onze visie op het leven als een kwalitatief bestaan, zijn de ankerpunten voor de medische zorg. Haar humane bezorgdheid heeft de laatste eeuw geleidelijkaan nieuwe normen voor het goede leven geproduceerd waaraan wij nog steeds de waarde van ons leven toetsen. De optimalisering van de levenskrachten heeft de oneindigheid van de zorg ingeluid. Het imperatief van een op het Verlichtingsdenken geënt gelijkheidsstreven heeft na 200 jaar tot een disciplinaire onderdrukking van verschillen in levensopvattingen en levensverwachtingen geleid: van de wieg tot het graf zijn we onderworpen aan de biopolitieke imperatieven van de gezondheidszorg. Het goede leven is een kwantificeerbaar gegeven geworden, dat naar het zich aan laat zien door een universeel geaccepteerde berekening kan worden uitgestippeld en bepaald. Weigering van dit gezonde en normale leven wordt vaak als een abnormaliteit afgeschilderd.


VAN SAMOERAI TOT CYBORG

Ik wil de huidige manga-filmhype vanuit een tweetal parallelle lijnen verhelderen en op een viertal thema's onderzoeken. De eerste lijn volgt de filmtraditie, de tweede de oorspronkelijke manga, de striptekeningen. Daarbij richt ik mij voornamelijk op de in onze ogen soms iets te uitbundige verbintenis tussen sex en geweld, maar ook de apokalyptische toonzetting en de japanse liefde voor technische hulpmiddelen wil ik kort bespreken. Mijn noodzakelijkerwijs zeer globale en bij tijd en wijle zelfs simplificerende analyse zegt echter zowel iets over de Japanse cultuur als over de westerse fascinatie ermee of de angst ervoor. Immers, waarom verwonderen we ons over de wijze waarop de Japanners met sex, geweld, ondergang en technologie omgaan? Dat er sprake is van een fascinatie is vanaf het eind van de vorige eeuw, vanaf het moment dus dat Japan gewelddadig binnen de westerse invloedsfeer wordt getrokken, in de kunst waarneembaar. Zeg maa vanaf Manets en Van Goghs doeken tot aan Paul Schraders film Mishima waarvoor Philip Glass de muziek componeerde. En als we ons tot de film beperken dan valt voor de meer ingewijden onmiddellijk Olivier Smolders film Adoration in gedachten. Ook daarin wordt de relatie tussen dodelijke erotiek en een meedogeloos voyeurisme waarvan het medium film nu eenmaal leeft op zo'n compromisloze wijze getoond dat bij menigeen toch minstens de vraag moet zijn opgekomen wat nu precies de waarde van een dergelijke wrede registratie zou kunnen zijn. Wat bezielde Smolders toen hij een Japanner ten tonele voerde, die zichzelf met een aan de andere zijde van de kamer opgestelde 8mm camera filmt, terwijl hij zijn minnares, na eerst samen gegeten te hebben en gedichten te hebben gelezen, onverwachts van achteren neerschiet, in stukken hakt en deels opeet. Hij liet zich in ieder geval inspireren door een werkelijke gebeurtenis: een Japanner, wonend in Parijs die zijn Nederlandse vriendin vermoordt en stukken van haar opeet. Over Smolders film zou het volgende geschreven kunnen zijn:


WINTERVELD

Culturele afkoeling

Als het angelsaksische idee over de aard van het zelfbewustzijn als een "ghost in the machine" enige zeggingskracht heeft, dan is het door de belichaming ervan door een van de grootste fysici die hedentendage de discussie over de wetten van ons heelal bepalen: de Britse geleerde Stephen Hawking. Volledig verlamd, als een Stelarc ingesnoerd in een met technologische apparaten behangen rolstoel, communiceert hij nog slechts via media. Zelfs zijn stem is kunstmatig. Als er een "ghost in the machine" is, dan is het wel Hawking. Het is dan ook niet verwonderlijk om, wanneer hij het heeft over het verschil tussen een reële en een imaginaire tijd, uit zijn electronische mond te vernemen dat "een wetenschappelijke theorie slechts een wiskundig model is dat wij opstellen om onze waarnemingen te beschrijven: het bestaat alleen in onze geest".(172) Hij wijst tegelijk op de noodzaak om voorstellingen te maken om de mathematische beschrijvingen tot onze aardse proporties terug te brengen. Hawking wijst op een fundamentele paradox die onze pogingen om een geünificeerde theorie over het heelal op te stellen begeleidt. Deze komt verkort op het volgende neer: wij, rationele wezens, menen over de vrijheid te beschikken een theorie over de wetten van het heelal op te stellen. Wij zijn echter zelf deel van dit heelal en worden dus door deze zelfde wetten beheerst. "En op die manier" ik citeer nu Hawking "zou de theorie zelf de uitkomst bepalen van onze inspanning haar op het spoor te komen! En waarom zou ze eigenlijk bepalen dat wij uit het materiaal dat we vinden ook de juiste conclusies trekken? Zou ze niet evengoed kunnen bepalen dat we de verkeerde conclusies trekken? Of helemaal geen conclusies?

ZENBOEDDHISME
EN DIFFERENTIEDENKEN


zenboeddhisme
en differentiedenken


In 1980 stierf Jean-Paul Sartre, het filosofische boegbeeld van het franse existentialisme. De straten van Parijs waren volgestroomd met verdrietige of nieuwsgierige mensen die als een golvende zee met de baar meedeinden. Van bovenaf sloeg ik dit historische gebeuren gade. Ik zag de beelden op tv in een Japans restaurantje in hartje Tokyo, terwijl ik udon - dikke sliertensoep - naar binnen slurpte en met mijn hashi - mijn eetstokjes - er professioneel de kleefrijst achteraan schoof. Misschien werd mijn verblijf in Tokyo, zo realiseerde ik me bij het zien van de ondanks alle tragiek euforische beelden, wel gemotiveerd door de indringende inzichten van deze fameuze dode: in het eraan voorafgegane decennium had ik zijn gedachtenlijnen en brokken inzicht als was het udon en kleefrijst gulzig ingedronken en gretig verslonden. Sartre's filosofie had mij weliswaar geen nieuw levensdoel geschonken dat de toenemende erosie van vastgeroeste waarden zou kunnen stoppen. De metafysische en morele erosie ging gewoon door en werd er eerder door versterkt dan gestopt. Wel had zijn werk mij doen inzien dat deze erosie die van alle tijden was, een specifieke levenshouding vereiste vanwaaruit dit vermeend verval met open vizier en vanuit een aardse betrokkenheid kon worden tegemoet getreden. Ons bestaan, ons zijn L'Etre zou helaas niet veel meer zijn dan een ongelijke strijd tegen het Niets le Neant. Sartre publiceert L'Etre et le Néant in 1943. Dit boek stelt Niets voor. Het zou opgevat kunnen worden als een tractaat dat een voorstel doet ons anders ten opzichte van het Niets op te stellen. Eerlijk gezegd, weet ik niet meer of mijn reflecties toentertijd zo expliciet waren. Ik had in ieder geval andere dingen aan m'n hoofd. Iemand die maanden in een vertrek van drie bij drie bivakkeert omwalmd door zijn eigen zweetlucht, elke ochtend om zeven uur opstaat om zich een uur later bij de hoofdpolitie van Tokyo te melden waar hij vervolgens drie uur lang wordt afgeranseld, heeft uiteindelijk weinig op met filosofische hoogstandjes. De blauwe plekken genazen er niet sneller door en de zelfverklaarde erfgenamen van de Japanse samoeraikaste bepaalde eschalons van het politieapparaat werden er niet door geïmponeerd. Als ik ze het al duidelijk had kunnen maken. Want aanvankelijk bleef mijn Japans beperkt tot obligate constateringen over pietluttige activiteiten Honto ni oishi desu “Goh wat is dit lekker” en de vereiste sociale formaliteiten waarbij ik me vooral bewust moest zijn van de zeer nederige positie die ik ten aanzien van de toegesprokene innam. Voor een verklaard individualist als ik niet echt de simpelste opgave. Ideeën en woorden werden sowieso niet op prijs gesteld. Daden overigens evenmin. Van mij werden slechts consistente gedragingen verwacht, niets meer, maar ook niets minder. Wat er achter die gedragingen zat dat wat wij intentie plegen te noemen of autonoom zelfbewustzijn was volstrekt onbelangrijk. Niemand maar dan ook niemand was daarin geïnteresseerd. Alleen al uit methodische overwegingen, ook al weet ik zeker dat deze desinteresse ook psychologisch was verankerd. De matineuze afranselingen hadden derhalve een strikt ritueel karakter: ze voltrokken zich altijd op dezelfde wijze en werden in westerse psychopathologische termen dan ook gekenmerkt door een dwangneurotische kwaliteit. Herhaling is alles wat de klok of in dit geval de grote trom, de taiko slaat. Eigenlijk deed ik opnieuw in westerse termen dus helemaal niets, ook al gebeurde er heel veel. De reden waarom ik in Japan was, was heel simpel: als je je echt in een bepaalde tak van de Japanse krijgskunsten, zoals het zwaardvechten of kendo wil bekwamen, was je toentertijd aangewezen op Japanse scholen. De plaats waar de wereldkampioenen op dit gebied vandaan komen is de Tokyose Keishicho, de hoofdpolitie. Waarom ik deze extravagnate sport op dat moment zo intensief wilde bedrijven is weer een ander verhaal, maar op indirecte wijze had het iets te maken met mijn levenslange belangstelling voor zenboeddhisme, die rond mijn vijftiende was gewekt. Japanse krijgskunsten naast het traditionele zwaardvechten en boogschieten vooral de later ontwikkelde vormen van karatedo, juijitsu, judo en aikido worden door sommige adepten wel Zen in beweging genoemd.



NIETZSCHES VERMEENDE
ANTIHUMANISME


Wat zijn nu precies de elementen van Nietzsches vermeende antihumanisme? De propagering van een aristocratische 'heren'moraal en de ondermijning van christelijke idealen als naastenliefde, medelijden en zelfopoffering wijzen ongetwijfeld op een elitaire trek in zijn denken. Deze indruk wordt versterkt door de meedogenloze kritiek op de democratische gezindheid van het 19e eeuwse burgerdom en het zich daarin aankondigende feminisme en socialisme. Humanistische idealen als individuele vrijheid en collectieve emancipatie worden verworpen als uitdrukkingen van een op gelijkheid gericht, passief nihilisme, waarin de ontwaardering zonder dat men zich dit bewust is doorwerkt. Sterker nog, Nietzsche lijkt het gebruik van geweld door een kleine elitegroep en de onderdrukking van de massa in naam van de komst van de Übermensch te propageren. Zijn verwijzingen naar en heren en een slavenmoraal lijken dit te bevestigen. De verkondiging van de doelloosheid van het menselijk handelen en de zinloosheid van het lijden zouden bovendien van een fatalisme getuigen, dat haaks op het humanistische vooruitgangsoptimisme staat. En tenslotte is er weinig kwaadwillendheid voor nodig om in die beruchte begrippen als 'Wil tot Macht', 'Übermensch' en 'Eeuwige Terugkeer' de meest pregnante uitdrukkingen van een leer te zien, waarin iedere vorm van autonomie, individuele vrijheid en vooruitgang wordt geloochend ten gunste van een kleine groep behoudende machtspotentaten. Voorwaar een maatpakideologie voor het fascisme. Schitterden vóór Nietzsche de sociale en politieke utopieën van Kant, Hegel en Marx in de vorm van de beoogde rechtsstaat of de socialistische samenleving nog als bakens aan de kim van de geschiedenis, met de nietsontziende filosofenhamer worden deze illusoire achterwerelden verbrijzeld en de poorten van ieder denkbaar rijk der vrijheid dichtgetimmerd. Nietzsche erkent slechts één licht: het verblindende licht van het leven waartegen zowel het autonoom handelend individu als het zich emanciperende historische subject afhankelijk van de theorie: burgers, arbeiders, vrouwen, jongeren of welke aanvankelijk marginale en 'onderdrukte' groep dan ook oplossen. Kortom, Nietzsche zou een leer ontwikkeld hebben waarin het tegendeel van de modernhumanistisch idealen vrijheid, gelijkheid en broederschap wordt gepropageerd. Hij zou aansturen op een elitaire samenleving, waarin louter machtsdrift de drijfveer voor politiek handelen wordt. De flirt van het fascisme, bijgestaan door zijn even rancuneuze als opportunistische zus Elisabeth en zijn idolate vriend Köselitz, lijkt dit idee te bevestigen.


EEN ATMOSFERISCH
GEREGULEERDE
BROEIKAS


In zijn recent gepubliceerde trilogie Sphäre komt de Duitse filosoof Peter Sloterdijk tot de conclusie dat de welvarende mens tegenwoordig in een atmosferisch gereguleerde broeikas leeft. Hij noemt die met een verwijzing naar de Russische schrijver Dostojevski die dit in de 19e eeuw afkeurend beschreef: het Cristal Palace. Deze immense constructie van staal en glas was het pronkstuk op de wereldtentoonstelling van 1851 die in Londen werd gehouden. Voor Sloterdijk is deze superinstallatie als Gesamtkunstwerk het toonbeeld van de postmoderne condition humain. Maar waar denkt u aan als u het woord glas hoort? Sommigen van u zullen ongetwijfeld denken aan flessen met drinkglazen, halfvol of – in geval van de dorstigen onder u – halfleeg. Anderen zien grote ruiten voor zich in vensters, spiegelende etalageruiten wellicht waarachter de meest begeerlijke hebbedingetjes zijn uitgestald. Of misschien ziet u ruiten die nodig aan een wasbeurt toe zijn of die aan diggelen liggen. Sommigen hebben pijnlijke associaties, een wond die ontstaan is door een vlijmscherpe scherven van dezelfde ruit of de restanten van een spiegel die op de badkamervloer is uiteengespat. Of van een bril, die van uw neus is gevallen en nu aan stukken op de straatstenen ligt. Een zelfverzekerde angsthaas schiet slechts een ding te binnen: Interpolis. Glashelder. De meer architectonisch associatieven onder hen zien dan grote gebouwen voor zich, met doorschijnend of juist spiegelend glas. En de nerds? De nerds dromen van glasvezels die hen in staat zullen stellen nog sneller door cyberspace te razen. Filosofen zoals ik schieten bij het woord ‘glas’ slechts één associatie te binnen: niet de glazige blik van de dronkaard, maar het glasheldere betoog van het zichzelf reflecterende denken. Ik zou willen beweren dat de aantrekkingskracht die glas op ons uitoefent samenhangt met een bepaalde mensvisie. Er ligt een specifieke opvatting van de werkelijkheid onder.



HET COGITO EN
HET ONGEDACHTE


Foucault werkt deze 'oscillation indéfinie', deze spanningsvolle relatie tussen een subject en objectpositie op drie manieren uit. Met het oog op de in zijn literatuuressays gethematiseerde verhouding tot het voor het subject ondenkbare Buiten en een door hem geconstateerde fundamentele aporetische, zelfondermijnende structuur beperk ik mij tot de tweede vorm: de oscillatie tussen het cogito en het ongedachte. Hij kritiseert het cartesiaanse adagium: cogito, ergo sum. Het is vooral het vermeende 'ergo' waar hij zijn pijlen op richt. Volgens hem bestaat de analytiek der eindigheid juist bij gratie van de onmogelijkheid om vanuit het cogito, vanuit het 'ik denk' tot het sum, het 'ik ben' te besluiten: de letterlijke vanzelfsprekendheid van het 'ergo' wordt in tegenstelling tot het klassieke vertoog waarin Descartes nog staat, geblokkeerd door een weerbarstige taal waarvan zoals Nietzsche liet zien de metaforiek een metafysische verleiding in zich bergt. Het 19e eeuwse vertoog is zich deze aporie echter niet bewust. Het moderne denken beweegt zich voortdurend in de ruimte die zich tussen het cogito en het ongedachte opent, in de mate waarin het cogito greep op dat wat het opheft tracht te krijgen. In die zin heeft er weliswaar een verschuiving plaatsgevonden ten aanzien van de kantiaanse vraagstelling "het gaat hier (...) niet om de mogelijkheid tot kennis maar om die tot een miskennen, ergens aan de oorsprong"(p.349) maar is het bewustzijnsfilosofische paradigma nog niet verlaten. Precies in de noodzaak en onmogelijkheid van het kennen dient zich de aporetische spanning aan die volgens Foucault in positieve zin eigen is aan het denken van het Buiten. Op onverwachte wijze komt in een door een radicale eindigheid ingegeven, aporetische spanning het thema van de oneindigheid naar voren: oneindigheid blijkt een effect van de analytiek der eindigheid. In de innerlijke noodzaak van het cogito om zijn ongedachte te (om)vatten herkent Foucault eveneens "een oneindige taak": "het (cogito) moet in een duidelijk uitgesproken vorm de geleding van het denken doorlopen, opnieuw activeren en verdubbelen ten opzichte van wat in, rondom en onder dat denken wel niet is gedacht, maar wat daarom toch niet vreemd is, althans niet van een onherleidbare, niet te overbruggen vreemdheid ('extériorité')"(p.350). Deze verdubbeling die even verder 'onuitputtelijk'(p.353) wordt genoemd is een variant van de hegeliaanse definitie van ware oneindigheid die zich in een formeelontologische doordenking van de werkelijkheid als vanzelf aandient. Maar in tegenstelling tot de dialectiek kan dit Andere als 'een onherleidbare, niet te overbruggen uiterlijkheid' niet meer geïncorporeerd worden. Het ongedachte ontsnapt uiteindelijk zelfs aan het zijn, omdat "het ongedachte (...) zich niet in de mens bevindt als een ineengerold brok natuur of als een door de geschiedenis gevormde laag..."(p.353). Het ongedachte is natuur noch geschiedenis en het valt dientengevolge ook niet in een legitimeringsstrategie te vatten: "het is, met betrekking tot de mens, het Andere", vergelijkbaar met een 'schaduw' of "een blinde vlek vanwaaruit het mogelijk is hem te leren kennen". In De woorden en de dingen verhoudt Foucault zich echter nog op negatiefkritische wijze tot het moderne vertoog. Hij meent dat, ondanks het feit dat Hegel, Marx en Freud "zich ervan (van deze schaduw, ho) bewust zijn geweest" ("Le savaient")(p.355), moderne denkers de consequenties van dit inzicht niet radicaal hebben getrokken. Het Andere werd toch nog als een deel van het Zelf gezien en dus als een natuur of een geschiedenis ten tonele gevoerd. Precies in zijn ontkenning van deze dialectische verhouding opent Foucault een nieuwe taak voor het denken: de taak om zijn eigen ontoereikendheid op zo'n manier te denken dat dit niet opnieuw in een zelfgenoegzame usurpatie verzandt. Dat ook hier naast Bataille, Sade en Artaud Nietzsche weer wordt opgevoerd als een van de denkers die deze taak op zich heeft genomen, zal weinig attente lezers verbazen.



GLAS

Over denken en drinken

Midden in dit voor de buitenwereld hermetisch afgesloten fort, dames en heren, zweeft, drijft of staat de tafel van de Zwitserse kunstenaar Roman Signer: hout omringd door lucht op metaal in water. Op de houten tafel heeft iemand een halfvol of zoals de notoire drinkers onder ons ongetwijfeld onmiddellijk hebben gezien: een halfleeg drinkglas achtergelaten. "Eenzaam" heet het in de begeleidende beschrijving, "een eenzaam drinkglas". Aan deze tafel heeft iemand gezeten die niemand had om mee te drinken. Iemand die desolaat wanhopig met niemand anders een kunstmatige extase kon delen. Inderdaad eenzamer kan het haast niet: midden in een kille, schaars verlichte onderaardse ruimte, op een kale, boven troebel water zwevende tafel, staat een drinkglas.

IDENTITEIT IS
VOLSTREKT ILLUSOIR


in het jaar 1641. De oratoriaan Jean Eudes brengt op verzoek van de bisschop van Coutances een 51jarige vrouw, genaamd Marie des Vallées, een bezoek. De vrouw is al 30 jaar, zoals het toentertijd heette, 'bezeten', 'possédée' door een demon. Ze is echter vrijgepleit van hekserij. Eudes probeert met alle middelen de demon uit te drijven. Tijdens dit exorcistisch ritueel worden echter de rollen geleidelijk aan omgedraaid: Eudes raakt in de ban van Marie, die hem haar visioenen schildert en hem een programma uiteenzet. Het resultaat is dat hij zijn orde verlaat en een nieuwe orde sticht waarin de aanbidding van het Heilige Hart wordt gepraktiseerd. Object van deze mystieke devotie is het hart van Jezus en Maria waarin alle harten samenkomen. Amerika, 1988. Om het leven van een jonge vrouw, Claire Sylvia, een danseres, te redden worden bij haar hart en longen van een even tevoren bij een ongeluk omgekomen jongeman geïmplanteerd. De operatie slaagt, maar kort daarop krijgt de vrouw vreemde dromen. Daarin voert zij gesprekken met een jongeman, die haar als een oude bekende voorkomt. Bovendien begint ze in haar dagelijks leven behoeften en verlangens te ontwikkelen die ze nooit tevoren heeft gehad: ze wil bier drinken, motor rijden en voelt de onstuitbare behoefte bergen te beklimmen. De geconsulteerde psycho analytici, psychiaters en artsen staan voor een raadsel. Sommigen hebben hoogstens indicaties voor een verklaring. Niemand sticht echter een nieuwe wetenschappelijke discipline. De kritiekloze devotie voor het medisch cartesianisme krijgt wel een stevige knauw. De grenzen tussen medische domeinen komen onder druk te staan.

MARKTFUNDAMENTALISME
ALS BEVRIJDINGSTHEOLOGIE


Over ultra-liberalistisch
monotheïsme (een vervolgverhaal)

Laten we een denkexperiment doen om woorden te vinden voor een gebeurtenis waarvoor woorden eigenlijk te kort schieten. Een absolute gebeurtenis waarvoor alleen lege eenlettergrepige aanroepingen met een pseudo-religieuze toonzettingen lijken te volstaan: God, Jezus, Christ. Of iets blasfemischer: Shit! Met de ontreddering en onthutsing die ieder moet hebben gevoeld bij de mandala-achtige tvbeelden en de zich als mantra's herhalende slogans is de bodem uit ons wereld- en mensbeeld geslagen. Na de verbijstering dringen zich onweerstaanbaar een aantal vragen op: in wat voor wereld leven we waarin zoiets kan gebeuren? En: wat voor 'mensen' zijn in staat tot dit soort gruwelijke misdaden? Ons wereldbeeld en mensbeeld is verbrijzeld. De complexe globale conflictsituatie waarin we plotseling verzeild zijn geraakt, mag dan voor sommigen uitnodigen om van alles wat we tot nu toe dachten over hoe de wereld en hoe wij in elkaar zitten te herdenken, mij lijkt het eerder de apotheose van wat ruim tien jaar eerder en misschien al dertig jaar geleden in gang is gezet. Achter deze al te menselijke ontreddering insisteert dus een vraag naar de politiek-economische analyse van de laatste decennia van de 20e eeuw. Ik zeg met opzet en nadrukkelijk 'onze' omdat, als er - in ieder geval na 11 september - iets duidelijk is geworden het de negatieve zijde van een globale betrokkenheid is: in een geglobaliseerde wereld is ieder individu - of ie dat nu wilt of niet - in mindere of meerdere mate betrokken is bij een alles omvattende en doordringende mondialisering. Welk kritisch standpunt nemen we in als we volledig betrokken zijn? Kunnen we nog een buitenstaander zijn? Of laden we in onze kritiek de verdenking op ons dat we onze eigen collaboratie uit het oog verliezen? Bij gebrek aan een allesomvattende blik - of ten gevolge van de immense snelheid waarmee informatie tot ons komt - weet immers niemand meer echt te overtuigen, ook al worden de argumenten nog zo daadkrachtig gepresenteerd. Zo klinkt in de gapende leegte van de nationaal-politieke arena elk argument tégen de oorlog even hol op als ieder argument vóór. Argumenten en aanpak van de voostanders van de oorlog stemmen structureel overeen met de retoriek die tijdens de Koude Oorlog tegen het communisme werd gehanteerd. Er wordt over een statenoorlog gesproken, waarbij nu de expansionistische ideologie van de Islam, uitgedrukt in de Jihad, de steen des aanstoots zou zijn. Impliciet gaat van deze retoriek de suggestie uit dat de staatssoevereiniteit nog steeds dezelfde is als drie en een halve eeuw geleden, toen deze met de vrede van West-Falen formeel werd bekrachtigd. Tegenstanders wijzen doorgaans op de voortzetting van het 19e eeuwse imperialistische project. Ditmaal onder het banier van een irreversibele globalisering onder auspiciën van de Wereldbank, het Internationale Monetaire Fonds en de World Trade Organization. Deze zouden de transnationale belangen dienen van de inmiddels tot zelfstandige culturen uitgegroeide internationale ondernemingen. In het transnationale corporatisme zou het statelijke expansionisme worden voltooid dat in de 17e eeuw met de grote ontdekkingsreizen is begonnen en in de 18e en 19e eeuw in de wereldrijken zijn beslag kreeg om ten slotte in de beide Wereldoorlogen ten onder te gaan. Hoe groot de verschillen tussen voor- en tegenstanders ook zijn, ze zijn het niettemin over een ding eens: de analytisch-kritische waarde van het oppositiemodel. Daarbij weten ze zich gesteund door Samuel Huntingtons boek Botsende beschavingen. Cultuur en conflict in de 21ste eeuw en Bushistische terminologieën als 'dead or alive', 'us or them', 'yes or no'. In deze 'war on terror' of 'war against terrorism' stemt een enquetaire houding overeen met het gekozen oppositiemodel. Zelfs een eigen mening behoort niet langer tot de mogelijkheden. Uit retorische overwegingen neem ik in deze denkexercitie eveneens dit oppositionele model tot uitgangspunt. Ik geef er echter een andere invulling aan. Ook neem ik om een kwalitiatief gelijkwaardige vergelijking van beschavingen die botsen mogelijk te maken het geloof als uitgangspunt. Daarbij weet ik me niet alleen gesterkt door de uit het diepst van de ziel van de toeschouwers opwellende uitroepen van verbijstering en ogenschijnlijk ongeloof, maar ook door het daarna door Amerikanen massaal gepraktiseerde geloof in God en de markt. In de oproep vooral door te gaan met consumeren klinken de boventonen van de vierde monotheïstische godsdienst op: het absolute geloof in de marktwerking oftewel het marktfundamentalisme. Uit onverdachte hoek is reeds veel eerder op dit fundamentalisme gewezen. De speculatiemiljardair George Soros stelt in De crisis van het mondiale kapitalisme (1998) onomwonden:

Oorlogsretoriek in de polder 4
in Buiten de orde, jrg. 4, voorjaar 2003




GEOPOLITIEK NETWERKEN

Van democratie naar medi@cratie

Rietveldlezing Henk Oosterling
 


Gisteravond heb ik nog even snel TV gekeken. Naast het nieuws over nieuwe aanslagen in Irak en Afghanistan en de statements van Amerikaanse politici, heb ik ook de Nationale Bijbeltest gezien die door André Rouvoet werd gewonnen. Ik zag het voltallige Belgische kabinet naar Al Gore’s film An inconvenient Truth gaan, een film die zelfs premier Balkenende de – electorale – ogen had geopend: samen met Blair heeft hij in Europees verband gewaarschuwd voor de milieuproblemen. Op het Internet zijn vanaf vandaag filmpjes te zien van echte politieke debatten uit de jaren zestig met Den Uyl. Kortom, er was een heel scala van politieken te zien: nationale politiek, wereldpolitiek, relipolitiek, geopolitiek, ecopolitiek. Maar alleen de TV of het Internet verbond ze met elkaar en dat nog op een volstrekt ondoordachte manier.

EXTASE

biopolitiek en neurotransmitters Henk Oosterling 2009 (Lezing tijdens symposium “D-Day of dealen met drank, drugs en detox”, GGZ Delfland, 18-02-09, Delft) (inzet: deel typofilm ‘Beautiful World’ over Next Nature) Bestaat er zoiets als een tweede natuur? Hoe natuurlijk is de natuur in ons of buiten ons? Zijn wij het product van onze aanleg of opvoeding, van nature of nurture? Of zijn het uiteindelijk toch onze genen? Hoe diep zit de natuur in ons? Ik denk zelf niet zo diep. Het eten van 124 granen brood lijkt mij namelijk meer een culturele behoefte om stijlvol te ontbijten dan een natuurlijke aandrift om de honger te stillen. Het is zelfs maar de vraag of er wel sprake was van een natuurlijke behoefte vanaf het moment dat de mens werktuigen ging hanteren en techniek ontwikkelde om meer te produceren dan er voor zijn groep nodig was om te overleven. Misschien zijn zelfs onze genotsmiddelen ondertussen bestaansmiddelen geworden. Dat is zo geleidelijk gegaan dat wij er niets van hebben gemerkt. Net als we nog steeds over de zon praten die opgaat en ondergaat, debatteren wij over onze natuurlijkheid zonder dat daar nog iets aan beantwoordt. Er is altijd Next Nature. Next Nature is misschien een ander woord voor reflectie. We gaan immers pas over natuur praten, als ie bewerkt is


DIVERSITEIT OF ZOTHEID

22 april debatdeelname op conferentie 'Diversiteit of Zotheid', de kwestie Enait ofwel de zittende advocaat, met Ties Prakken, Willem Schinkel, Mohammed Faizel, Enait Peter Ingelse, Henk Oosterling Plaats: Erasmus Universiteit (complex Woudestein), 14.00-17.00 uur. 'persbericht'



Minimal music en Steve Reich

Cyclus 'Filosofie en muziek

minimal music


Een veel gehoorde kritiek op met name het werk van Philip Glass en Michael Nyman betreft hun knieval voor de populaire muziek. Het met Paul Simon, Suzanne Vega en andere popcorifeeën gemaakte Songs from Liquid Days, waarvan Glass zelf meent dat "het meer dan op een verzameling onsamenhangende popsongs op een traditionele symfonische gezangencyclus lijkt"(202), is daarbij vooral de steen des aanstoots. Zo wordt ook Michael Nymans samenwerking met Peter Greenaway, voor wiens films hij naast Wim Mertens muziek componeert, gezien als een poging om zijn composities op onoorbare wijze een artistieke meerwaarde te geven. Achter deze kritiek schuilt echter een normatief onderscheid dat bepalend is geweest voor een waardering van de moderne muziek, namelijk dat tussen avantgardistische en kitsch, respectievelijk kritischeklassieke en populaire muziek. Evenals de avantgarde van de beeldende kunst wordt de nieuwe muziek van met name Schönberg een kritische functie toebedeeld: zij zou de vervreemding die eigen is aan de kapitalistische, burgerlijke samenleving aan de kaak moeten stellen. Zijn atonale muziek weerspiegelt zich in de toenemende abstractie in de beeldende kunst. Het kunstwerk wordt autonoom. Het stelt geen werkelijkheid buiten zichzelf voor, maar doet een voorstel tot werkelijkheid. Het representeert niets, maar stelt zichzelf present. Aan de brute ontkenning van de 'goede smaak' en aan de bruuskering van het 'schone', kortom aan het shockeren van het ingeslapen burgerdom van wie zij aandacht en openheid eiste, ontleende de avantgarde haar bestaansrecht. In die zin gaat haar werkzaamheid eerder terug op de door Kant in zijn Kritik der Urteilskraft geanalyseerde verontrustende ervaring van het verhevene of sublieme dan op het harmonische smaakoordeel van het schone. De ervaring van het verhevene wordt namelijk door zijn overweldigende massiviteit en kracht gekenmerkt door een dubbele aandoening van onlust en lust. Haar aanblik verontrust individuen, maar stimuleert hen tegelijkertijd tot een grotere verbeelding dan het bestaande. Het betreft hier dus een moderne, ontmythologiseerde en geseculariseerde vorm van dat wat we in archaische tijden als de sacrale huiver zouden kenschetsen. Het schone is daarentegen een typisch burgerlijk produkt dat door haar harmonieuze representatie van de wereld de bestaande verhoudingen intact laat en het lijden maskeert.

LEZING SYMPOSIUM

Van oude mensen, gebouwen die voorbijgaan


Ik ben zo iemand die met de regelmaat van de klok terugkerende brieven van zijn pensioenfonds met een mengeling van irritatie en berusting openmaakt, een blik erin werpt, de envelop weggooit en ietwat afwezig de brief op een grote stapel legt. Om deze vervolgens een week later alsnog met het oud papier in de dichtbijzijnde container te mikken. Want ik wil niet alleen niet deugen, ik ben ook nog zo iemand die maar niet volwassen en verstandig en dus niet oud wil worden. Ik geloof niet in de tijd en als filosoof ben ik wellicht nog meer behept met die volstrekt ongeloofwaardige onsterfelijkheidsdrang dan mijn hardnetwerkende medemens.

Workshop

'Rotterdam vakmanstad

of hoe nu verder?


FILOSOFIE ALS KUNST
 
De esthetisering van het denken


"Andra mooi ennepe, Mousa, polutropon oos mala polla, planchte, epei Troies, hieron ptolietron ee perse," of in veredeld Neerlands: "Muze, vertel mij 't verhaal van de man, van die Sluwerd, die omzwierf/ Overal rond, na verwoesting van Trojes heilige veste". De beginregels van Homerus' Odysseia, de omzwervingen van Odysseus. Dit is een van de teksten die aan onze westerse beschavingsgeschiedenis ten grondslag liggen. Het weten dat eigen is aan de westerse cultuur, het weten dat zich uitkristalliseerde als wetenschap, dit weten vindt zijn afgemeten vorm in het Griekse vers, dat geïnspireerd wordt door de Muze. Aanvankelijk was het daarom amusement en kennis tegelijk. Het 'vers' hield een 'dikwijls keren'. De fysieke grondslag van het vers is de dans. Een te heftig 'heen en weer drijven' in kan de danser zoniet in vervoering dan toch zeker 'buiten adem brengen'. In de loop van betekenisontwikkeling verdwijnt met de concrete, fysieke dimensie tevens dit amechtige aspect enigszins. Toch zal op een indirekte wijze deze ademloosheid steeds terugkeren. Het zal als de limiet van het vers een voortdurende dreiging blijven. Geleidelijk aan wordt het vers mentaler, abstracter: het maakt het mogelijk 'zijn gedachten richten' of 'aan de gedachten een bepaalde wending of uitleg geven'.

GESAMTKUNSTWERK

Multi-medialiteit en interactiviteit

Wanneer in 1848, in Dresden zoals elders in het toenmalige Europa rellen uitbreken, bevindt zich onder de opstandelingen een 35jarige hofkapelmeester. Zonder zelf daadwerkelijk aan de strijd deel te nemen spoort hij met vurige redes de opstandige arbeiders aan. Hij zal in dit stadium van zijn carrière nog niet hebben bevroed, dat er, mocht hij in de strijd blijven, een groot komponist verloren zou zijn gegaan. Toch was de begeesterde Richard Wagner zelfgenoegzaam en zelfbewust genoeg om te beseffen dat hij als levende componist meer voor zijn tijdgenoten kon betekenen dan als een dode revolutionaire martelaar. Uiteindelijk moet hij via Weimar naar Parijs vluchten. In Weimar, waar hij Franz Lizt ontmoet en hij, dolverliefd, terloops diens dochter Cosima uit haar huwelijk met Franz von Bülow losweekt, stelt hij een programma op, waarin hij onder meer het volgende schrijft: "Ik ben in alles wat ik doe en voel, slechts kunstenaar, uitsluitend kunstenaar; zou ik me in het openbare leven moeten manifesteren ik kan er als kunstenaar geen vat op krijgen en me daarmee als politicus moeten bezighouden, god behoede me daarvoor! (...) De openbaarheid kan ik niet zoeken, mijn artistieke verlossing kan slechts hierin bestaan dat de openbaarheid mij zoekt. Deze openbaarheid, waarvoor ik alleen kan scheppen, is slechts een kleine gemeenschap van enkelingen, die voor mij het gehele publiek vormen."(265) De sleutelwoorden voor het tractaat dat hij een jaar later onder de titel "Das Kunstwerk der Zukunft" zal schrijven zijn getoonzet: kunstenaar, politicus, openbaarheid, publiek. In dit tractaat wordt voor het eerst het idee van een Gesamtkunstwerk, dat aan het begin van de 19e eeuw filosofisch reeds door Novalis, Schlegel, Tieck en Schelling is doordacht, door een uitvoerend kunstenaar getoonzet.

LE REVE SEUL LAISSE A L'HOMME
TOUS SES DROITS A LA LIBERTE


De afgelopen weken heeft u, dames en heren, ongetwijfeld veel gehoord over het surrealisme. Veel inhoudelijke besprekingen begeleid van de onvermijdelijke plaatjes bij het praatje. Zonder enig voorbehoud zijn beelden en woorden met elkaar in verband gebracht, alsof we niet met twee wezensverschillende media de beelden en de woorden van doen hebben. Ik zou vanavond, zoals ieder zichzelf respecterend hedendaags filosoof zou doen, dit verband tussen woorden en beelden en in het verlengde daarvan: van de woorden en de dingen wat minder vanzelfsprekend willen opvatten. Ik wil deze zelfs problematiseren. Dat wil niet zeggen dat ik er een probleem van maak of er een verzin. Ik volg slechts de beweging van het surrealisme op de voet: van woorden via beelden naar de dingen. Het zien van beelden vormt op zich al een probleem. Dit laat zich wellicht door het volgende gedachtenexperiment verduidelijken. Verplaatst u zich eens in de tijd. We reizen terug naar 1925, het jaar waarin de eerste grote groepstentoonstelling wordt gehouden door de surrealisten. De expositie wordt precies om 12 uur 's nachts geopend. U bent een gecultiveerde burger die zich interesseert voor ontwikkelingen in de nieuwe kunst en een zekere affiniteit heeft met het anarchistische karakter van deze groepen. U ziet voor het eerst de schilderijen van onder andere Max Ernst, Francis Picabia, Jean Miro, Hans Arp, Giorgio de Chirico. Kunt u zich voorstellen hoe u door de beelden wordt beroerd? Enkele jaren daarvoor, in 1917, werd in New York een expositiecommissie met een revolutionair idee ze pretendeerde de kunst helemaal open te leggen door iedereen met een werk toe te laten zolang hij of zij maar de entreeprijs van 6 dollar betaalde danig beroerd bij de gedachte een doodgewone omgekeerde pispot gesigneerd met R.Mutt in een geinstitutionaliseerde kunstruimte te plaatsen. Het verschil tussen hun blik en houding en die van u, wanneer u als bezoeker van Max Ernst tentoonstelling in Boymans, dit soort beelden en objecten bekijkt, is immens. Deze beelden zijn, naarmate de tijd verstreek, paradoxaal genoeg door de vele woorden die eraan gespendeerd zijn vanzelfsprekender geworden. Onze blik is door de woorden en door het maatschappelijke gebruik van de beelden volledig
voorgeprogrammeerd. Inmiddels zijn de meeste schilderijen als gecanoniseerde kunsthistorische iconen zoveel malen gereproduceerd en zijn de beelden zo plat geworden dat er van een het door de surrealisten beoogde shockeffect geen sprake meer is. Hoogstens is er, naast het onvermijdelijke esthetische genot, sprake van een tevreden gevoel van herkenning dat ons toevalt als beloning voor onze kunsthistorische kennis. De vraag is wat voor implicaties dit heeft voor een inschatting van het belang van het surrealisme vandaag de dag. Daar zal ik mijn lezing dan oook mee afsluiten: met de vraag wat surrealisme nu nog betekent. Ingeklemd tussen de beelden zal ik proberen enig licht te werpen op de relatie tussen surrealisme en de filosofie.

PERFORMANCE

Lichaamskunst

Enkele maanden geleden werd er op de Hogeschool voor Kunsten in Den Bosch een workshop Performance gegeven door de Antwerpse kunstenaar Danny de Vos. In de deuropening die toegang geeft tot de collegezaal waar ik over de relatie tussen media en lichamelijkheid een lezing zou houden, hadden zich met de rug tegen de deurposten twee studenten geposteerd, een man en een vrouw, naakt. Iedere toehoorder moest zich tussen beide doorwringen, waarbij door iedere passant onwillekeurig een fysieke beslissing moest worden genomen wie van beiden de rug zou worden toegekeerd. Zo werd een gecanoniseerde performance getiteld Imponderabilia, die ooit in 1977 door Marina Abramovic en haar partner Ulay in de ingang van een expositieruimte in Bologna was uitgevoerd, in een postmoderne reprise van zijn weerbarstige werking ontdaan. Als een didaktisch middel werd deze beproefde performance ingezet om studenten bekend te maken met of zo u wilt: in te wijden in de fysieke semiotiek van de performance. De bloedserieuze gezichten van weleer waren nu begrijpend leergierige glimachjes. Rond de tijd dat deze workshop plaatsvindt, voert Hermann Nitsch in Genève voor de Franse ambassade één van zijn stuitende Aktionen uit om tegen de franse kernproeven op Mururoa te protesteren. Nitsch, inmiddels een gerenomeerde kunstprofessor, was naast Schwarzkogler, Brus en Mühl een van de Wiener Aktionisten die vanaf het midden van de zestiger jaren niet alleen het conservatieve, katholieke volksdeel van Oostenrijk, maar ook het kunstestablishment deden huiveren door in een mengeling van een kruisiging en een dieroffer, naakte figuranten met emmers bloed en ingewanden te overgieten. Evenals bij Abramovic en Ulay blijft het lichaam van de assistenten echter intact en wordt het slechts van buitenaf met geweld bestookt. In Nitsch's Aktionen worden lichamen van anderen met de lillende symbolen van de diepere, agressieve drijfveren overgoten. Deze traditie van de performance, deze 'destructionart' zoals het door sommige critici is geboekstaafd, kent echter ook vertegenwoordigers die de zoektocht naar de innerlijke drijfveren achter onze collectieve en individuele gedragingen iets letterlijker nemen. Binnen de groep van de Wiener Aktionisten is dat voornamelijk Rudolf Schwarzkogler. Elders zijn het bijvoorbeeld kunstenaars als Chris Burden Gina Pane Sentimental Action en Zbigniew Warpechowski spijker door hand gedrukt.


VIJFHOEKEN

Inleiding Corpus callosum CBK

Afgelopen vrijdag presenteerde Bram van Waardenberg het samenwerkingsverband Corpus callosum. In zijn introductie liet hij zijn licht schijnen over de kosmische quintessence van ons bestaan. De quintessence begrepen als het vijfde element dat de bekende vier elementen aarde, vuur, lucht en water aanvult en samenbrengt. Een medium dus waarin alle tegenstellingen hun opheffing en vervulling vinden. Op verschillende manieren zijn met name filosofen en wiskundig ingestelde wetenschappers in de loop van onze cultuurgeschiedenis naar dit vijfde element op zoek gegaan. Voor de alchemisten was het als de steen der wijzen tevens de sleutel tot de omzetting van lood in goud. Newton, wiens nauwelijks bekende alchemistische bemoeienissen door Bram terecht werden aangestipt, was genoodzaakt ter verklaring van zijn lichtgolftheorie een lichtdragend medium (een lucifer) te vooronderstellen: ether. Maar ondanks het feit dat we nog steeds in de ether radioactief zijn, bleek dit principe na Einstein onhoudbaar. Relativiteitstheoretici zagen zich daarom genoodzaakt om naast het golfaspect van het licht toch weer een deeltjesaspect te hypostaseren: zo werd met de draagkracht van de foton die van de theorie vergroot.

MARATHON

Terwijl ik de eerste voorbereidende aantekeningen voor deze lezing op papier zet, voltrekt zich aan de andere zijde van de Maas ik woon op het noordereiland tegenover de Kop van Zuid een waar spektakel: de marathon van Rotterdam, een jaarlijkse manifestatie waar de hele stad zich al lang van te voren op voorbereidt. Ik zie de renners aan de overzijde komen aanstormen, hoor de helicopter boven mijn huis denderen en zie tegelijkertijd op mijn tv dezelfde scene vanuit vogelvluchtperspectief. Als ik op het dak ga staan en een draagbare tv zou meezeulen zou ik mezelf zien. Dat is nog eens reflectieve beeldcultuur: spektakel in het kwadraat. Dit jaarlijkse spektakel mobiliseert de gedisciplineerde stadsbevolking. Enthousiast geven ze zich, alle etnische grenzen en nationale chauvinismes achter zich latend, over aan de sportieve extase die zijn inspiratie vindt in een haast bovenmenselijke prestatie: in 490 vC werd deze geleverd door een Griekse soldaat om het bericht van de overwinning over te brengen aan zijn militaire en politieke leiders die 42 kilometer verderop geriefelijk de gebeurtenissen afwachtten.

GLOBALISERING DAMES EN HEREN

We leven in te turbulente tijden Sinds de Grote Designer aan het begin van de 19e eeuw zijn laatste adem uitblies Nietzsche noemde dit 'de dood van God' sinds de PoolsRoomse adviseur van de Grote Designer het demonische Cuba bezoekt, cd's van zijn gebeden en gezangen uitbrengt en zijn excuses voor 2000 jaar lijden aanbiedt, kortom sinds de religie aan het succes van zijn eigen theatraliteit ten onder is gegaan en ideologieën onder de verpletterende gewicht van omvallende muren bezweken zijn, sindsdien leven we in even wervelende als verontrustende postmoderne tijden. Dit besef is zo'n kleine 25 jaar geleden (oliecrisis) tot ons doorgedrongen, maar de daadwerkelijke (beurs)effecten ondervinden we de afgelopen vijftien jaar. We leven nu in tijden waarin zowel religieus fanatisme als multiculturele tolerantie in hun wederzijdse verkettering niettemin de neutraliteit en onontkoombaarheid van de wereldmarktmechanismen erkennen: de economie is gedepolitiseerd, economie is uitgangspunt van ieder denken geworden. Tegelijkertijd moeten we de paradoxale situatie onder ogen zien dat enerzijds alles grootschalig naar elkaar toetrekt om de moordende concurrentiestrijd het hoofd te bieden en er anderzijds steeds meer kleinschalig gedifferentieerd moet worden om aan de steeds individuelere vraag tegemoet te komen: 'God zij met ons' op de rand van de Euro, ethnische conflicten in een zich unificerend Europa, multiculturaliteit naast religieus fundamentalisme zijn daarvan slechts de meest spectaculaire uitingen. Hoewel de vaart uit de volkeren is en we nog slechts in files opgestuwd worden, verkeren we juist door deze immobilisering in alle staten van paraatheid. De fax ratelt, de email licht op en het gsmetje gaat op de meest onverwachte momenten als een wekker af om ons het verlossende woord te schenken. Het probleem is echter dat we niet precies weten waarvoor we paraat staan. We wachten. Niet meer als twee uitgehongerde zwervers op Godot, zoals Samuel Beckett meende, maar als goedgeklede, weldoorvoede postmoderne postmaterialisten op de volgende afspraak.


OEUVRE TENTOONSTELLING

David Flipse Protocollage in galerie Onno van Toorn


DE ZEVENENVEERTIG RONIN


TUSSEN 1701 en 1703 Als de pacificatie van Japan onder de Tokugawa Shoguns, bekend van de gelijknamige televisieserie, een kleine eeuw gaande is, vindt er in Japan een serie gebeurtenissen plaats die vanaf dat moment de collectieve verbeelding, uitgedrukt in de diverse kunstvormen, zoals theater, literatuur en beeldende kunst zal blijven bespoken. Zevenenveertig voormalige samoerai plegen ogenschijnlijk zonder enige direkte aanleiding een aantal spectaculaire moorden op hooggeplaatste edelen, waardonder graaf Kira. Deze daimyo had echter enkele jaren daarvoor hun eigen baas, de daimyo Enya Hangan, tot harakiri of seppuku aangezet. Alleen door dit ultieme offer kan deze aan zijn door Kira ten onrechte afgedwongen ereschuld of giri voldoen. De zwervende samoeirai, de Ronin hadden na de seppuku van hun meester jarenlang de schijn opgehouden geen enkele lust te voelen de eer van hun meester te wreken. Levend aan de zelfkant van de samenleving wekten zij de indruk deze gebeurtenis geheel vergeten te zijn, terwijl zij echter in het geheim de gloeiende sintels van hun woede, die deze vernedering had opgeroepn, aanbliezen. Toen iedere waakzaamheid van de kant van hun gedoodverfde tegenstander verdwenen was, achtten zij de tijd rijp om aan de absolute trouw aan hun meester, hun shisei gehoor te geven. Ze doodden Kira en consorten en pleegden vervolgens, zoals het oprechte moordenaars betaamt, en masse seppuku. Chishingura, geschreven in 1748, heet het theaterstuk dat deze gebeurtenissen tot uitgangspunt neemt. Chushingura: 'het pakhuis van de trouw', meer bekend onder de titel De zevenenveertig Ronin maakt vanaf die tijd deel uit van het repertoire van het klassieke Noh, het volkse Kabuki en het Bunraku of joriru[1], het poppentheater. De vertolking is in de loop van de eeuwen niet fundamenteel veranderd. In tegenstelling tot het Westerse toneel waar, met name de laatste 200 jaar, de uitdrukkingskracht van het stuk voor een groot deel afhangt van de persoonlijke invulling van regisseur en hoofdrolspelers, ontleent het Japanse toneel zijn zeggingskracht en intensiteit aan de herhaling van het originele drama. De herkenbaarheid van het origineel staat voorop, zoals ooit in de Middeleeuwen de geschriften van de oude meesters het kernstuk van iedere nieuw tractaat waren. Aan deze herkenbaarheid ontleent de Japanse gemeenschap, waar individuele expressie nauwelijks gewaardeerd wordt en iedere persoonlijk initiatief institutioneel getorpodeerd wordt, zijn kracht. Achter de verwijzing naar de Middeleeuwen gaat zeker geen waarde oordeel schuil. Het is slechts een constatering van cultuurhistorische aard, dat Japan pas een kleine 150 jaar meedoet aan het ontwikkelingsproces, dat wij, westelingen, overigens met steeds meer terughoudendheid, 'beschaving' noemen. Waar wij mee dan 600 jaar over hebben gedaan, dat wil zeggen in 12 volledige generaties, daar heeft Japan slechts drie generaties over kunnen doen. Iets pregnanter gesteld: pas deze huidige generatie is familiaal bezien losgekomen uit een feodaal denken, waarin de groepsloyaliteit centraal staat. En het is pas een kleine 50 jaar geleden dat de goddedlijkheid van de keizer werd afgezworen en het politieke bestel definitief op westerse leest geschoeid is. Dat dit desondanks niet helemaal gelukt is, mag blijken uit de vele politieke schandalen waarin Japan vandaag de dag verwikkeld is. Misschien is Hosokawa, de eerste premier die naar westerse maatstaven kan worden gemeten.

EINDE VAN HET THEATER

Naar een hypocriet theater

In de zesde eeuw voor C. ontwikkelt zich uit de extatische rite rond Dionysos en de aardgodin Demeter een reizang. De bokken die Dionysos omringen, zingen hem toe. Uit deze dithyramben ontwikkelt zich geleidelijk aan een dramatische structuur, die als satyr of bokkenspel geschiedenis zal maken. Deze carnavaleske vertoning wordt door Aeschylos gepolijst en gevormd tot dat wat heden ten dage bekend staat als de tragedie. Lang nadat de rituele context met zijn offers, waarin in de lente de gemeenschap met god van de vruchtbaarheid, de waanzin en de roes wordt gezocht, is verlaten, emancipeert zich uit het koor de democratische atoom van de Attische tragedie een voorzanger. Zoals in de zestiger jaren de pastoraalchristelijke gemeenschap zich door de en masse uittredende geestelijken plotseling pijnlijk bewust werd van haar breekbaar gemeenschappelijkheid, zo ontstaat als het ware pas de koorgemeenschap door het uittreden van de voorzanger: zij kunnen in de dialoog die zich tussen hen en de voorzanger ontwikkelt, hun eigen positie bepalen. De individuatie, de verzelfstandiging van de voorzanger creëert de dialectische spanning, waarin zich een kritische dialoog avant la lettre ontwikkelt. Deze zal niet alleen de theatergeschiedenis, maar tevens de politieke dialoog in de westerse cultuur bepalen. Deze voorzanger, de voorloper van de speler/acteur, wordt door de Grieken aangeduid als de hypokrites. De betekenisontwikkeling van dit woord neemt enkele eeuwen later een merkwaardig wending. Betekende 'hypokrites' aanvankelijk antwoorden en vervolgens acteren, enkele eeuwen later staat het gelijk met huichelen. De hypocriet, die wij nog kennen, heeft het levenslicht gezien. Toneelspelen is een schijnvertoning geworden, waarvan iedereen weet dat er alleen net gedaan wordt alsof dat, wat getoond wordt, werkelijk is.

SERIEMOORD

MOORDFILM CINEFILIE

Verbeelding van extatisch geweld Op 2 maart 1757 vindt in Parijs de terechtstelling plaats van Damiens. Hij heeft een aanslag op de Franse koning gepleegd. Na een schuldbekentenis voor het hoofdportaal van de Notre Dame en een rit door de joelende massa naar het schavot wordt het vonnis voltrokken. Met tangen wordt het vlees van zijn lichaam gerukt, de open wonden worden met lood en pek overgoten en de hand die het mes hanteerde met brandende zwavel verschroeid. Tenslotte voltooien vier sterke, jonge paarden het vonnis: Damiens wordt gevierendeeld, een karwei dat pas na uren geklaard is en niet dan nadat zijn pezen zijn doorgesneden. Dit alles wordt in het openbaar in het bijzijn van de magistraten, de representanten van de soeverein, door geroutineerde beulsknechten uitgevoerd. De filosoof Michel Foucault begint zijn boek Discipline, Toezicht en Straf. De geboorte van de gevangenis met deze horrorachtige beschrijving.[ii] Direkt daarop laat hij er echter een volgen van een gevangenisregelement uit de 19e eeuw. Een eeuw later blijkt namelijk de situatie danig veranderd: de vrijheidsstraf is de straf bij uitstek geworden. Zo er nog een doodstraf wordt voltrokken gebeurt dit in de beslotenheid van de gevangenis zelf. Geweld is definitief een staatsmonopolie geworden. Leger, politie en een uitgebreid juridisch en bureaucratisch apparaat drijven in de moderne samenleving het individuele of georganiseerde geweld op een gewelddadige, maar gelegitimeerde manier naar de marges van het maatschappelijk gebeuren. Het ritueel dat de openbare executie in feite was, wordt aan het oog onttrokken. Het wordt nu uitgeoefend door een gedisciplineerde, getechnologiseerde staatsmacht, die in naam van een door democratisch gekozen afgevaardigden opgestelde wet handelt. Individuen, die het recht in eigen handen nemen, boeten daarvoor met hun vrijheid. Zoals dit gebeurt bij de rode stip die bij de verkiezingen wordt gezet, wordt dit criminele geweld doorgaans toegeschreven aan de rationele overwegingen van individuen. Immers, slechts als zij verantwoordelijk zijn voor hun daad kunnen wetsovertreders veroordeeld worden door de wet die de door hen gekozen afgevaardigden hebben opgesteld. De enige manier om daaraan te ontsnappen is een beroep op ontoerekeningsvatbaarheid.

PINOCCHIO

OF HET EINDE VAN DE MENS



Geweld en sex in de Japanse film Japanfilmmanifestatie EKKO Utrecht Vorig jaar werd op deze manifestatie een film van Olivier Smolder vertoond: Adoration. Daarin werden de relaties tussen dodelijke erotiek en het meedogeloze voyeurisme waarvan het medium film leeft op zo'n compromsloze wijze getoond dat bij menigeen toch minstens de vraag moet zijn opgekomen wat nu precies de waarde van een dergelijke wrede registratie zou kunnen zijn.[i] Ik wil deze vraag, nu een jaar later, hernemen. Niet om na te gaan wat Smolder bezielde toen hij een Japanner ten tonele voerde, die zichzelf filmt terwijl hij zijn minnares, na samen gegeten te hebben en gedichten te hebben gelezen, onverwachts van achteren neerschiet en in stukken hakt. Wel om de thematiek sex, geweld en film nader te belichten. Over Smolders film zou het volgende geschreven kunnen zijn: "De reinigende kracht en schoonheid van de film wordt veroorzaakt door de herhaling van de orgastische structuur, die geen ruimte laat voor enige andere structuur. Het ritueel van een herhalend gebaar, plotselinge explosie en langdurig, tergend langzaam wegebben van de spanning modelleert de gehele film..."(Burch 280). Deze kwalificering geldt echter niet Smolders film, maar die van Koji Wakamatsu ik gebruik voor de namen de westerse volgorde die eind jaren zestig in Geweld tegen verpleegsters (Okasareta byakui) de even tevoren in Chicago gepleegde massamoord op een aantal verpleegsters filmisch toonzette. In Wakamatsu's film treedt de relatie tussen sex en geweld eveneens zonder enig compromis naar voren. Dit geldt weliswaar in mindere mate voor films van zijn leermeester Nagisa Oshima, waaronder wellicht de meest bekende Het rijk der zinnen (L'empire des sense/Ai no korriida) uit 1976 is, maar ook daar wordt de westerse kijker door een mengeling van fascinatie en weerzin bevangen. De soms wel erg macabere koppeling tussen sex en geweld in de Japanse film is echter niet zonder meer tot de berekenende geest van een op winst beluste producent of tot het geperverteerde verlangen van een geil en op sensatie belust kijkerspubliek terug te voeren. De vraag waarop dan wel, zal ik in dit half uur niet beantwoorden. Wel wil ik proberen deze vraag zo te nuanceren dat u uw eigen antwoord kunt bedenken.


HEEFT HET FILMISCH
BEWUSTZIJN NOG TOEKOMST


Over hypokritische filmiciteit We spreken bij een herdenking graag over de toekomst. Herdenken betekent altijd ook doordenken. Want wat bereikt is, is ook ooit op je toegekomen. Aan welke successen is 50 jaar filmacademie af te meten? Belangrijker dan gouden kalveren, oscars, ringen en schijven is voor mij haar bijdrage aan ‘filmisch bewust’ zijn, aan filmisch ‘bewustzijn’. Want dit is inmiddels een integraal aspect van de human condition geworden. Ons denken en doen is doordesemd van filmiciteit, om maar eens een neologisme te droppen. Denken en draaiboeken, fantasie en film zijn in de filosofie hecht met elkaar verbonden. Televisiekijken zit in onze memen. Plato’s grotmetafoor levert het prototype van een bioscoopzaal. De onwetende holbewoner zit, weggedoken in het duister met zijn rug naar de uitgang, heel zijn leven naar een helverlichte muur te staren. Buiten, voor de uitgang, gebeurt er van alles, maar de grotbewoners zien alleen de schijngestalten die door het zonlicht op de muur tegenover de ingang worden geprojecteerd. Aan deze projectiemetafoor danken we het hardnekkige misverstand over de kloof tussen schijn en zijn, tussen waan en werkelijkheid. Sinds de recente kredietcrisis beseft gelukkig iedereen dat we door schijn bewogen worden. Film is voor mij het medium waarin we ons van deze ambiguïteit bewust worden.

FILM #2


ROTTERDAM

Planning en mobiliteit

Andra mooi ennepe, Mousa, polutropon oos mala polla, planchte, epei Troies, hieron ptolietron ee perse, of in veredeld Neerlands: "Muze, vertel mij 't verhaal van de man, van die Sluwerd, die omzwierf/ Overal rond, na verwoesting van Trojes heilige veste;" Deze beginregel van Homerus' Odysseia - de omzwervingen van Odysseus - een van de teksten die aan onze westerse beschavingsgeschiedenis ten grondslag ligt, spreekt nog steeds tot onze vermeende postmoderne verbeelding. Zeker als we greep proberen te krijgen op de drijvende krachten die sindsdien het reisgedrag van de westerse mens hebben bepaald. Odysseus, een van de veldheren van de strafexpeditie tegen Troje, waarheen Helena, de vrouw van Menelaos, door Paris was ontvoerd, probeert na de overwinning zijn eiland Ithaka te bereiken. Aan zijn zwerftocht, aan zijn reis komt, na en ondanks veel omzwervingen en hachelijke avonturen, een eind. De logistieke verbindingen waren destijds nog niet zo geavanceerd als hedentendage, de reissnelheid aanzienlijk lager, het comfort nagenoeg afwezig. Schip en paard waren de enige transportmiddelen, die ingezet werden als de aardse machthebbers zich moesten manifesteren. Want grootscheepse beweging betekent voor alles: verovering, strijd en bezetting. Maar het ondoordringbare Griekse achterland was nog niet opengelegd door een spoorwegennet en de enige vlucht die in alle hoogmoed uitgevoerd was door Icarus, was schromelijk overdreven en mislukte dus onvermijdelijk. Uiteindelijk is Odysseus nog aangewezen op de elementen en de goden. Wij, moderne wezens, echter hebben de eerste bedwongen en de laatste dood verklaard

OVER ARCHITECTUUR

Een voorlopige bestandsopname

Ik woon tegenover de Kop van Zuid. Voor mijn balkon, aan de overzijde van het kanaal dat ten behoeve van de doorvaart rond 1870 werd gegraven, is in drie jaar tijd een gigantisch rood bakstenen gebouw verrezen. Reeds voor de voltooiing bleek het al te klein te zijn voor de diensten die het zou moeten huisvesten: belasting en rechtbank. Vóór dit gebouw, aan de oeverrand, was een nog hoger kantoorgebouw geprojecteerd dat mij het zicht op het aan de horizon verrijzende Feijenoord stadion volledig zou ontnemen. Het gebouw is er niet gekomen en het zal er ook niet komen. Tenminste, als we er vanuit gaan dat het gestileerde computeroptrekje van de Havendienst dat op dezelfde plek is verrezen niet weer binnen enkele jaren zal worden afgebroken. Van alle geprojecteerde wolkenkrabbers is er nog geen enkele gerealiseerd. De projectontwikkelaars kijken de kat uit de boom. Riek Bakker werkt ondertussen ergens anders. De Erasmusbrug, het vlaggeschip van Rotterdam, staat, 100 meter verderop rechts van mijn balkon, vrolijk in de wind te wapperen. Door wind en water veroorzaakte onvoorziene krachten hebben de planologische neurose van Riek Bakker overgebracht op de tuien. Ben van Berkel, die, geheel in overeenstemming met een recente, respectabele trend in intellectuele kringen om ongegeneerd te plagiëren, zijn ontwerp aan de Alamillobrug van Santiago Calatrava in Sevilla ontleende, heeft, behoedzaam manoeuvrerend tussen kunst, kunde en kosten, een metropolitaan hebbedingetje gerealiseerd. Maar ook hier pakte de praktijk anders uit. Zo bleek de verkeerstechnische opnamecapaciteit al vanaf de opening lager dan vereist: bestemmingsverkeer of niet, iedereen wil tussen de omhoogtorenende vrouwebenen doorrijden. Toen een mij bekende architect enkele maanden terug aan Van Berkel vroeg wat hij de afgelopen zomervakantie zoal had gelezen had, luidde het quasinonchalante antwoord: "Oh, wat Deleuze".


HETEROGEEN BOUWEN

Bij het afscheid van Bert van Meggelen

Beste Bert, het kan raar lopen. Ik ken je nauwelijks twee dagen en nu moet ik al weer afscheid nemen. Maarten Struijs vroeg mij in het kader van jouw afscheid een impressie van mijn opvattingen over kritische reflectie nu ten gehore te brengen. Nu, dat wil zeggen tussen 1998 en 2001. Is kritische reflectie op het bouwen nog mogelijk en zo ja, wat houdt dat dan in? En hoe onderwijs je dat? Blijkbaar zit het in de lucht: alleen al dit jaar heb ik twee projecten idealisme gedaan met studenten van de TU Delft en van het Sandberg instituut van de Rietveld academie. We zijn blijkbaar het dolen zat en snakken naar inspiratie. Maarten Struijs vroeg me echter of ik me zou willen oriënteren op de sociale woningbouw in Rotterdam, terugblikkend, zo mogelijk, op ruim 25 jaar Rotterdamse renovatie. Op die grootschalige materiële projectie van een van te voren budgetair en politiek afgebakend visioen. Kritische reflectie. In 20 minuten. Ooit, even voordat hij hier als jonge veelbelovende, sociaal bewogen en politiek gedreven docent werd aangesteld, kwam Bert van Meggelen terug uit Frankfurt, na bij Jürgen Habermas zijn licht te hebben opgestoken. Bewapend met communicatieve handelingsvaardigheden, bedreven in het stellen van legitimatievragen en geïnspireerd door redelijk beargumenteerde, contra factische visioenen, die smeekten om op hun waarheid, juistheid en waarachtigheid te worden bevraagd. Het was in dezelfde tijd dat er nog 'denktanks' werden samengesteld, zoals die van militairindustriële eschalons van de Amerikaanse bewapeningsindustrie. Herman Kahn en Anthony Wiener futurologen die deel uitmaakten van zo'n Amerikaanse denktank, hadden ook een visioen over het jaar 2000. Hun 'establishment futurologie' is met al die andere futurologieën zoals de Prognostica van Polak hier te lande die de technologische euforie van de jaren zestig heeft voortgebracht, een zachte dood gestorven. Zoals de denktank van president Rooseveldt ooit een visioen schetste van een naoorlogse tijd, waarin nagenoeg geen enkel civiel vliegtuig voorkwam, zo schetst iedereen zijn eigen tijd vooruit. Met een grove toets doorgaans en vaak met versleten kwasten.

A BETA STATE OF MIND

Reorganiseren: a beta state of mind

Dames en heren, we leven in turbulente tijden. Sinds de Grote Projectmanager aan het begin van de 19e eeuw zijn laatste adem uitblies – Nietzsche noemt dit gemakshalve “de dood van God”, een collectief verschijnsel dat sociologen aan de toenemende secularisering, urbanisatie en industrialisering wijten en wat de uiterlijke bevestiging zou zijn van een sluimerend waardennihilisme – sinds de Pools-Roomse Groot-adviseur van de Grote Projectmanager het demonische Cuba bezoekt en cd’s van zijn gebeden en gezangen uitbrengt, kortom sinds de religie aan het succes van zijn eigen theatraliteit ten onder is gegaan en ideologieën onder de verpletterende gewicht van omvallende muren bezweken zijn, sindsdien leven we in even wervelende als verontrustende postmoderne tijden. Dit besef is zo’n kleine 25 jaar geleden (oliecrisis) tot ons doorgedrongen, maar de daadwerkelijke (beurs)effecten ondervinden we de afgelopen tien jaar. We leven in tijden waarin zowel religieus fanatisme als multiculturele tolerantie in hun wederzijdse verkettering niettemin de neutraliteit en onontkoombaarheid van de wereldmarktmechanismen erkennen: de economie is gedepolitiseerd, het is uitgangspunt van ieder denken geworden. Tegelijkertijd moeten we de paradoxale situatie onder ogen zien dat enerzijds alles grootschalig naar elkaar toetrekt om de moordende concurrentiestrijd het hoofd te bieden en er anderzijds steeds meer kleinschalig gedifferentieerd moet worden om aan de zich steeds individuelere vraag tegemoet te komen: ‘God zij met ons” op de rand van de Euro, etnische conflicten in een zich unificerend Europa, multiculturaliteit naast religieus fundamentalisme. Hoewel de vaart uit de volkeren is en we nog slechts in files opgestuwd worden, verkeren we juist door deze immobilisering in alle staten van paraatheid. De fax ratelt, de e- mail licht op en het gsm-etje gaat op de meest onverwachte momenten en op de minst toegankelijke plaatsen als een wekker af om ons het verlossende woord te schenken. Het probleem is echter dat we niet precies weten waarvoor we paraat staan. We wachten. Niet meer als twee uitgehongerde zwervers op Godot, zoals Samuel Beckett meende, maar als goedgeklede, weldoorvoede postmoderne post-materialisten op de volgende opdracht. Of gelaten op de volgende reorganisatie. Ik heb er inmiddels in mijn 13 jarige universitaire loopbaan 5 achter de rug. Pas sinds enkele decennia beseffen we dat de aarde rond is, ook al werd Galilei voor de verkondiging van dit inzicht al in 1616 het zwijgen opgelegd. Globalisering noemen we de dynamische uitdrukking van het inzicht. In voetbal termen heet het “de bal is rond”. Een diep inzicht – ik hoor het Cruyf zeggen – waarin vooral de onvoorspelbaarheid van het spel wordt benadrukt. In de uitspraak “de aarde is rond” klinkt echter een tegengestelde visie op, wat alles te maken heeft met het feit dat we niet op een voetbal kunnen leven. De technologische variant van dit inzicht zou ik met een beeldspraak willen verduidelijken: misschien zijn we in de nabije toekomst in technologisch opzicht in staat om zoveel vuurkracht te ontwikkelen dat een projectiel kan worden afgeschoten dat niet aan snelheid inboet en dat ondanks het feit dat het ogenschijnlijk in een rechte lijn zijn weg zoekt, ons op den duur – we weten niet wanneer en in die zin is ook de aarde evenals de bal rond - in de rug zal treffen. Als ons target globaal is, moeten we leren raak schieten of als we missen leren op het juiste moment opzij te stappen

VERLICHTING

De postmoderne cultuur met haar lichaamscultus en de moderne cultuur met haar ethos van de maakbaarheid delen de paranoïa voor het lichaam. Daarin zijn ze erflaters van het christelijk platonisme en van het klassieke rationalisme van de Verlichting. De logos ontkent het pathos, maar, zo zou ik willen staven, leeft er ook van. Kunnen we, terugkijkend op het Verlichtingsproces, de relaties tussen visuele manipulatie en versnelling enerzijds en bewustwording anderzijds als een zegetocht van de logos en als een verbeten gevecht tegen het pathos duiden? Virilio’s in het vorige hoofdstuk besproken gedachte-experiment over een lichaamsloze maatschappij krijgt meer contouren, zodra Foucaults diagnose van het moderne subject wordt betrokken op de media-analyse van McLuhan. Wanneer mens en media, dat wil zeggen zelfbewustzijn, lichamelijkheid en technologie integraler verbonden worden, blijkt het geestelijke streven van de Verlichting (de bevrijding van het vleselijke leven) zich ook in materiële processen af te tekenen. Verlichting houdt dan een paradoxale bevrijding in, waarvan de paradox in de bodycultuur besloten ligt: met de bevrijding van leed en hartstocht ontdoen we ons tegelijkertijd van dat waardoor we ons met elkaar verbonden weten. In de ‘ontaarding’ van het pathos komen we los van de aarde. ‘Verlichting’ verenigt - zoals zovele filosofische begrippen, te beginnen bij het begrip ‘begrip’ waarin naast begrijpen ook het concrete, handmatiger grijpen doorklinkt - minstens een drietal aspecten in zich: naast ‘bewustworden’ tevens die van lichter worden in visuele en fysieke zin. Media verlichten niet alleen de duisternis, zij maken het leven ook draaglijker. In deze dubbele verlichting wordt een fysiek weten - de wijsheid van het lichaam – van zijn weerstand ontdaan. Geestelijke en materiële verlichting Aan de uiterste grens van Kants transcendentale analyse – daar waar hij de grondslagen van het kennen doordenkt - loopt deze vast in antinomieën: de wereld kan oneindig en onbegrensd zijn of eindig en begrensd, ons gedrag kan vrij zijn of door natuurwetten bepaald. Kant verheldert deze tegenspraken door erop te wijzen dat de eerste posities vanuit het perspectief van het bewustzijn, de tweede vanuit die van de materie moeten worden gedacht. Bewustzijn (‘noumena’) en materie (de ‘fenomenen’) zijn twee kanten van één medaille. Hegel is zich terdege bewust van de noodzaak van deze tegenspraken. In zijn kritiek op Kants antinomieën introduceert hij in de Fenomenologie van de geest (1807) de notie vervreemding om de spanningen tussen zelfbewustzijn en werkelijkheid te verhelderen. Bewustzijn en vervreemding

GRAFISCHE VORMGEVING

Informering van de openbare en publieke ruimte

Kunnen we, na de val van de Muur en de overdracht van Hong Kong aan Rood China, nog idealistsich zijn? Is het wiel nog één keer uitvinden? Laat een zeker optimisme zich aanwenden om een artistieke discipline dat grafisch vormgeving tot op zekere hoogte is geworden een minder commerciële of dienstbare, meer autonome taak toe te dichten? En als dat nog mogelijk is in een wereld die bol staat van het pragmatisme, in een wereld waarin tegenstellingen steeds meer opgaan in een pragmatisch model dat output en performativiteit voorop stelt, wat voor inhoud heeft dit idealisme dan? Gaat het daarbij om idealen of om ideeën, en in het laatste geval: om grootschalige maatschappijhervormende ideeën of om artistieke ideeën die in hun doorwerking een andere dan de gegeven socialiteit mobiliseren? Want laten we eerlijk zijn, als de architectuur altijd al een van de belangrijkste componenten van de grafische vormgeving is geweest en het medium van de architectuur niet zozeer materie en ruimte is, maar voor alles socialiteit het scheppen van mobiele sociale relatie in de prive of openbare ruimte op wat voor socialiteit richt de grafische vormgeving zich dan nog? Is haar activiteit volledig ondergeschikt aan de overheid of het bedrijfleven die ieder hun eigen socialiteit kennen of heeft ze nog mogelijkheden een andere socialiteit te toonzetten of te viseren? Hoe communiceert ze deze socialiteit? Boeken als kathedralen, kalenders voor bedrijven waarvan de gebouwen door architecten zijn ontworpen, affiches om te verzamelen of om reclame te maken, letterontwerpen (Sjoerd de Roos/Jan van Krimpen) of de bedrijfsstijl van overheidsinstellingen (PTT en Van Royen) Multidisciplinariteit Door ontwikkelingen in de kunstwereld rond 1917 wordt de typografie meegevoerd in een internationalisering nie na WOI pas goed tot zijn recht komt in bladen als De Stijl en Wendingen. Het is Dada wat voor Van Doesburg en Vilmos Huszar de benodigde middelen aanreikt. Pas na de WOII wordt grafische vormgeving een aparte discipline met een specifieke opleiding.Voor WO II werd zij vooral door kunstenaars, architecten en typografen bedreven. Aan de wieg van de discipline staan kunstenaars als Jan Toorop, Theo van Hoytema (tekenaar, illustrator en lithograaf), R.N. Roland Holst, de anarchist Chris Lebeau, Van Doesburg, Bart van der Leck en architecten als Berlage, De Bazel en Lauweriks. Bij de laatsten is de aanzet van de 'design'cultuur die nu de (binnen)huisarchitectuur beheerst te vinden. Als kunstnijverheid had grafsiche vormgeving een meer ambachtelijke status die samenhing met de invloed van de drukkers (Hendrik Nicolaas Werkman) en zetters die zelf lettertypen ontwikkelden. Boeken worden aanvankelijk ontworpen als gebouwen. Een constitutieve tegenstelling die tot in de jaren twintig doorwerkt en nog steeds is terug te vinden is die tussen versierende en rationele vormgeving. Grofweg werd de eerste door beeldend kunstenaars, de tweede door architecten geinspireerd. GV wordt geleidelijk aan steeds meer opgenomen in andere disciplines en neemt zelf disciplines op, vooral de beeldende kunst en de fotografie, terwijl de laatste decennia de computer steeds meer mogelijk maakt. Door de belettering van de openbare ruimte wordt het uiteindelijk driedimensionaal en keert het via een omweg terug tot het medium waarin het aanvankelijk opkwam: de architectuur van de urbane ruimte. Multidisciplinariteit is een van de meest op de voorgrond tredende karakteristieken van de grafische vormgeving.

INTERSSANT DESIGN

Tussen kortgesloten uniciteit en supernormaal

Hoe legitimeer je de productie van unieke pronkstukken van topdesigners voor bedrijven als Tichelaar? Kortgesloten uniciteit Damien Hirst verscheepte Het gouden kalf linea recta naar Sotheby’s. Deze radicale geste getuigt van het daadwerkelijke ‘einde van de kunst’. Immers, als een uniek werk, in totale vrijheid vervaardigd door een autonoom kunstenaar, direct aan een publiek van kopers wordt aangeboden, wordt precies dat vernietigd waaraan de moderne kunst altijd zijn waarde en kwaliteit heeft ontleend: publieke receptie in musea en galerieën en de kritiek die het losmaakt. Hirsts ‘kortgesloten uniciteit’ sluit dit discoursveld uit. Ondanks Hirsts verzekering dat “het een democratische manier is om kunst te verkopen in deze veranderende wereld” wordt de geïmpliceerde openbaarheid en publieke ruimte juist vernietigd. Het werk houdt op kunst als openbare ruimte te zijn.1 Beelding en Bildung Als we hedendaags productdesign in de lijn van de Bauhaus-traditie plaatsen - beelding en Bildung schuiven hier in elkaar - toont het democratische gehalte zich in de esthetisering van het dagelijkse leven. Dasein wordt design. Design verbindt en onderscheidt en is allereerst een relatie. Wat Bauhaus uiteindelijk niet lukte – het tot stand brengen van het Gesamtkunstwerk - werd na de Tweede Wereldoorlog door de economie gerealiseerd: via de massaconsumptie wordt de westerse samenleving in toenemende mate geësthetiseerd.2 De vernetwerkte samenleving wordt steeds meer ge’designed’


REFLEXIEVE VERBEELDINGSKRACHT

Het is mij zowel een eer als een genoegen enkele marginale opmerkingen te mogen maken bij de produkten, die aan de reflexieve verbeeldingskracht van de deelnemers aan de Cimedartprijsvraag zijn ontsproten. 0. In de paneldiscussie, die zo dadelijk zal aanvangen, staat de volgende vraag centraal: "wat vind ik belangrijk voor het schrijven van een essay?" Zonder een voorschot op deze discussie te nemen wil ik als aanzet iets zeggen over de toon en de intentie van een essay. Een essay lijkt mij in eerste en laatste instantie een poging, maar zeker geen probeerseltje. In een essay wordt de proef op de som genomen. Een enkele gedachte wordt zorgvuldig beproefd en geproefd. Het resultaat vormt niet alleen een academisch doortimmerd, maar vooral ook een smaakvol geheel. In het filosofische essay nadert de filosofie de literatuur. Dat wat door Plato te vuur en te zwaard werd bestreden de retoriek van de sofisten maakt geschiedenis als het essay, een genre dat met name bij Montaigne zijn meest karakteristieke aanzet vindt. De proef op de som is tevens een smaakvol proeven van de woordenen de wendingen van de zin. Misschien is een essay vooral een poging het letterlijk kunstmatige gehalte van het filosoferen dat stiefkind van de metafysica in positieve zin te toonzetten. Maar het essay kan ook een beproeving zijn. Het is dan naast een bewijsvoering en een proeven in esthetisch zin tevens een doorstaan van het denken. Misschien dan niet in existentiële zin, maar dan toch minstens als een beproeving van het denken zelf. Daartoe wordt soms een schrijfstijl gehanteerd, waarin dat wat ogenschijnlijk objectief beschreven wordt, tegelijkertijd als een verontrustende ervaring bij de lezer wordt opgeroepen. Het essay wordt zo ook voor de lezer een beproeving, als een gedachte die de lezer in beroering brengt. Een essay kan daarom nooit conclusief zijn. Het heeft een tentatieve karakter. En het nodigt uit het beschrevene te doordenken en vervolgens door te denken. Misschien is daarom een essay naast een inhoudelijkargumentatief betoog vooral ook een toonzetting: het stemt tot nadenken. 1. Stemming maken is geen probleem, maar hoe beoordeel je een stemming, hoe waardeer je een toonzetting? Nietzsche merkt in Jenseits von Gut und Bose op dat objectiviteit niet bestaat of het zou de resultante moeten zijn van zoveel mogelijk perspectieven. De vraag van de organisatie aan de afzonderlijke juryleden om op objectieve wijze, dat wil zeggen onafhankelijk van persoonlijke voorkeuren, de ingestuurde essays te beoordelen, kwam op mij dan ook enigszins onrealistisch over. Echter, door de selectie van de juryleden uit verschillende disciplines en politiek correct: van verschillende geslachten met ieder hun specifieke voorkeuren werd niettemin indirect aan de eis van objectiviteit voldaan. Niet alleen bevindt zich onder hen een professionele recensent in de persoon van Reinjan Mulder, en een gevierd auteur als Desanne van Brederode, onder de uitgenodigde filosofen is er voldoende flexibiliteit aanwezig: Liesbeth van Harmelen houdt zich bezig met Adorno's muziektheorie, Annemie Halsema orienteert zich op de ecriture feminine van met name Luce Irigaray, Martin Stokhof is een vooraanstaand taalfilosoof met een bijzondere belangstelling voor logica, terwijl ik mij voornamelijk beweeg binnen het niemandsland tussen filosofie en kunst, daarbij ondersteund door de werken van franse differentiedenkers als Derrida, Lyotard, Foucault en Deleuze. 2. Beoordelen vooronderstelt op z'n minst een expliciet set van criteria die door de verschillende beoordelaars zou moeten worden gedeeld: inhoud, stijl, originaliteit, argumentatie en structuur. Wat we onder ogen hebben gekregen varieert van een literairessayistische impressies van een geprangd gemoed via expliciet filosofischpolemische uitgewerkte kritiek tot filosofisch georienteerde fictie. Sommige schrijvers nemen een (auto)biografisch, anderen een cultuurhistorisch of cultuurfilosofisch perspectief in. Een enkeling schuift aan bij een maatschappelijke discussie. Dergelijke academische indelingen zijn vanzelfsprekend volstrekt ontoereikend om de diversiteit van de inzendingen recht te doen. Laten we zeggen dat de gemeenschappelijke noemer een filosofisch georienteerde reflexiviteit is. Deze specifieke reflexiviteit heeft in ieder geval mij in staat gesteld om me een oordeel over de verschillende essays aan te meten.


THE VOID VAN JAPAN

Het onbegrip en de fascinatie van het Westen voor Japan

Toyotisme,manga, Sony, budo, yen, noem maar op Langzamerhand is de Japanse cultuur steeds dieper in onze samenleving gekropen. Maar wat weten wij westerlingen nu eigenlijk van deze grootmacht? Om te voorkomen dat de Japanner voor ons niets meer is dan een wandelend fototoestel probeert cultuurfilosoof Henk Oosterling van de Erasmus Universiteit Rotterdam onze merkwaardige relatie met het land van de Rijzende Zon van enige inzichtelijkheid te voorzien. Japan is voor ons een land vol vreemde contrasten. Bij Japan doemen beelden op van verschijnselen en fenomenen waarbij wij moeite hebben ze onder één noemer te plaatsen. Naast serene tempels verrijzen blinkende wolkenkrabbers. Een punker die, wanneer hij een tempel passeert, snel zijn Namu-Amida-Butsu schietgebedje doet. Een mogelijke verklaring voor zo'n parallelle samenleving is de geforceerde assimilatie die de Japanners hebben moeten doorstaan na de Tweede Wereldoorlog. In 1946 werd Japan onder toezicht van generaal MacArthur plotsklaps een democratie naar Westers model opgedrongen. Keizer Hirohito moest publiekelijk voor de landelijke radio verklaren dat zijn goddelijke afkomst een verzinsel was. Samen met de twee atoombommen op Hiroshima en Nagasaki beleefden de Japanners een dubbele apocalyps. Japan werd in onze ogen een bijna schizofrene samenleving. Anno 1994 mogen we vaststellen dat Japan langszij is gekomen. Het lijkt er zelfs op dat hun toekomst rooskleuriger oogt dan de onze. Hoe is dat nu mogelijk? 'Die verwondering zou wel eens onze ultieme fascinatie met Japan kunnen zijn', meent Henk Oosterling. 'Iedere bankier, grootindustrieel, ja zelfs de president van Amerika ligt wakker van Japan. En dat is merkwaardig, want al sinds de opkomst van het japonisme rond 1880 heeft Japan onze aandacht. Ons beeld van Japan is lange tijd overheerst geweest door ideeën in de trant van dat zij ons nadeden. Maar opeens was er meer. Er ontstond een economische fascinatie met Japan. Na verloop van tijd zijn we er achter gekomen dat het vooral een verschil in mentaliteit is. Maar als je je daarin gaat verdiepen, moet je gaan denken wat daar gebeurt. Hoe moet ik daar tegenaan kijken? Daar moeten wij een bril voor slijpen, want onze Westerse blik heeft vele koppige zwakheden.' Deze redenering bevat echter een paradox die de cultuurvergelijking bemoeilijkt. 'Het probleem is dat wij onze zwakheden niet kennen. Je kan een zwakte niet kennen. Je zwakte kennen is het onmogelijke van het denken accepteren en dat kunnen wij nu eenmaal niet. Want op het moment dat je je zwakte kent, heb je het te pakken. Dan kun je het objectiveren en manipuleren en daarmee is het geen zwakte meer.

Ook de filosoof gaat door tot zijn beste werk gemaakt is!


Henk Oosterling