|
Georg Wilhelm Friedrich Hegel
Henk Oosterling
(Centrum voor Filosofie & Kunst Rotterdam)
4 Verlichting
De postmoderne cultuur met haar lichaamscultus en de
moderne cultuur met haar ethos van de maakbaarheid delen de
paranoïa voor het lichaam. Daarin zijn ze erflaters van het
christelijk platonisme en van het klassieke rationalisme van de Verlichting. De
logos ontkent het pathos, maar, zo zou ik willen staven, leeft er ook
van. Kunnen we, terugkijkend op het Verlichtingsproces, de relaties
tussen visuele manipulatie en versnelling enerzijds en bewustwording
anderzijds als een zegetocht van de logos en als een verbeten
gevecht tegen het pathos duiden? Virilio’s in het vorige hoofdstuk
besproken gedachte-experiment over een lichaamsloze maatschappij
krijgt meer contouren, zodra Foucaults diagnose van het moderne
subject wordt betrokken op de media-analyse van McLuhan. Wanneer
mens en media, dat wil zeggen zelfbewustzijn, lichamelijkheid
en technologie integraler verbonden worden, blijkt het
geestelijke streven van de Verlichting (de bevrijding van het
vleselijke leven) zich ook in materiële processen af te tekenen.
Verlichting houdt dan een paradoxale bevrijding in, waarvan de paradox in de
bodycultuur besloten ligt: met de bevrijding van leed en hartstocht
ontdoen we ons tegelijkertijd van dat waardoor we ons met elkaar
verbonden weten. In de ‘ontaarding’ van het pathos komen we los
van de aarde. ‘Verlichting’ verenigt - zoals zovele filosofische begrippen, te
beginnen bij het begrip ‘begrip’ waarin naast begrijpen ook het
concrete, handmatiger grijpen doorklinkt - minstens een drietal
aspecten in zich: naast ‘bewustworden’ tevens die van lichter
worden in visuele en fysieke zin. Media verlichten niet alleen de
duisternis, zij maken het leven ook draaglijker. In deze dubbele
verlichting wordt een fysiek weten - de wijsheid van het lichaam –
van zijn weerstand ontdaan.
Geestelijke en materiële verlichting
Aan de uiterste grens van Kants transcendentale analyse
– daar waar
hij de grondslagen van het kennen doordenkt - loopt deze
vast in antinomieën: de wereld kan oneindig en onbegrensd zijn
of eindig en begrensd, ons gedrag kan vrij zijn of door natuurwetten
bepaald. Kant verheldert deze tegenspraken door erop te wijzen
dat de eerste posities vanuit het perspectief van het bewustzijn, de
tweede vanuit die van de materie moeten worden gedacht. Bewustzijn
(‘noumena’) en materie (de ‘fenomenen’) zijn twee kanten van één
medaille. Hegel is zich terdege bewust van de noodzaak van deze
tegenspraken. In zijn kritiek op Kants antinomieën introduceert hij in
de Fenomenologie van de geest (1807) de notie vervreemding om de
spanningen tussen zelfbewustzijn en werkelijkheid te verhelderen.
Bewustzijn en vervreemding
Kants verlichtingsproject mondt uit in een utopische
rechtsstaat en
een op eeuwige vrede georiënteerde Volkenbond. De strijd der
ideeën bij Hegel verwerkelijkt zich in een constitutionele monarchie
en Marx’ klassenstrijd lost op in een mondiale socialistische
samenleving. Globalisering is derhalve geen hedendaags fenomeen.
Deze drie utopieën vatten cultuurgeschiedenis op als een
emancipatoir proces: we worden collectief steeds slimmer, ook al
moet ieder nieuw individu dit proces eerst zelf doormaken. Het
beginpunt is voor iedereen anders. Het collectieve leerproces is
echter een lineair-progressieve accumulatie van belichaamde kennis
waarvan de materiële basis wordt gevormd door een systematische
en duurzame overdracht van culturele vaardigheden.
Inmiddels vormen boeken, kranten, films, radio, tv en Internet het
netwerk waarin kennisoverdracht en informatisering plaatsvindt.
In deze informatisering
is kennis een omgangsvorm waarin een zelfbewustzijn en een sociaal bewustzijn wordt
gegenereerd dat progressief en accumulatief is: moderne individuen
ervaren hun persoonlijke leven als een door ervaring en kennis
geschraagd, continu mediamiek leerproces. We leren nog steeds uit
boeken. Ooit raakten we vanuit deze leerbehoefte betrokken bij andere
culturen en mensen. Nu worden we via tv en pc geïnformeerd en
onmiddellijk op de wereld betrokken. Door de belichaming van
opgedane kennis in eigen leef- of werksituatie verandert de wereld, maar ook de kenner.
Echter, in dit proces treedt onvermijdelijk weerstand en zelfverlies
op: inzichten opdoen is loslaten. Hegel noemt dit de structureel
terugkerende stadia van vervreemding. Marx’ toevoeging dat sommige
vormen van vervreemding slechts ideologisch zijn en dus
oplosbaar, doet niets aan de gedachte af dat bevrijding en
zelfverwerkelijking vervreemding veronderstellen. Het socratische ‘ken
uzelve’ wordt voor dialectici ‘verliest uzelf opdat u zichzelf
terugvindt’. Een principiële splijting bespookt het zelfbewustzijn van
individuen die ik daarom eerder dividuen noemde.
Zo worden generatie op generatie aanvankelijk onwennige
ideeën, theorieën, wetten, instituties en nieuwe media
‘eigen’ gemaakt in een continu leerproces dat alle levensstadia
van mensen doortrekt. De jonge nazaten verrichten moeiteloos de
handelingen die hun ouders hoofdbrekens hebben gekost. Ze kijken
zappend in een verdubbeld bewustzijn tv en manipuleren probleemloos
een joy-stick. Wat voor de ouders nog stugge mediaverrichtingen
waren, vormt de infrastructurele inbedding voor de dagelijkse
omgang en het zelfbewustzijn van de nazaten. De aanvankelijke
vervreemding wordt geleidelijk opgelost in een nieuwe
vanzelfsprekendheid: een verrijkte, collectieve ervaring. Identificatie met
heersende ideeën verleent mensen subjectiviteit en daarmee identiteit. Ze
horen erbij. Moderne individuen zien zichzelf als (be)lerende wezens
die in een gestage en collectief gedragen emancipatie bestuurders
van hun eigen mobiliteit worden. Zo worden onverlichte
onderdanen als burgers, arbeiders, vrouwen, homosexuelen en allochtonen
zelfbewust. Als historische subjecten realiseren ze hun vrijheid in
een transparante, mediamieke, globale wereld.
Duisternis en druk
De conclusie uit het voorgaande is niet dat het lichaam
de
oorspronkelijke oerstaat van de mens is. Het is eerder een sensus
communis dan een ideaal- of schrikbeeld. In de taal van Kant: een
‘gevoel voor het gemeenschappelijke’, ook wel een ‘zintuig voor de
gemeenschap’. Zoals het inform als supplement van de
informatisering verschijnt, zo maakt een materieel-zintuiglijk
verlichtingsproces de geestelijke verlichting nog transparanter. Dit
laatste wordt weliswaar filosofisch doordacht en verwoord door
denkers als Voltaire, Hume en Kant, maar het zijn praktische geesten
als Edison, Bell en Tesla, kunstenaars als Lumière en ondernemers
als Ford, van Doorne en Philips die de materiële verlichting echt
realiseren: zij ‘aarden’ de verlichtingsfilosofieën in media en
daarmee in het dagelijks leven. Dankzij hen wordt het bestaan
feitelijk steeds lichter: minder donker en minder ‘bedrukt’. Hoe
draagbaarder de media hoe draaglijker het leven. Lastenverlichting is
het toverwoord. Meer dan de ontdekkingen en uitvindingen van
filosofen tonen die van de helden van de materiële verlichting dat
autonome individuen zich in een materiële verlichting hebben
bevrijd van de duisternis die hen omhult en de weerstanden die hun
materiële lichamen ‘bedrukken’. Door de ontdekking
van het vuur wordt niet alleen vlees beter
verteerbaar, maar worden ook de nachten korter en warmer. Hoewel
het wiel gekritiseerd kan worden als een door het Westen
gepropageerde universele norm waaraan het beschavingsgehalte van
culturen zou kunnen worden afgemeten, is de feitelijke zegetocht
ervan nauwelijks te ontkennen. Het wiel heeft lasten beduidend
verlicht en interacties exponentieel versneld. Lastenverlichting
bevordert de koopkracht en versnelt de warencirculatie.
Door een gestage materiële verlichting van duisternis en lasten
konden volgende generaties telkens tegenover het vege lijf een
andere verhouding instellen. In de open wijze waarop de
vrijheid die zich daarin manifesteert wordt benut, onderscheiden mensen
zich steeds meer van de door hen gedomesticeerde en gecultiveerde
dieren. Tegen deze mediamieke horizon tekenen geest en lichaam zich
af als twee modaliteiten van een wezen dat, zoals Hegel al aangaf, in
eerste en laatste instantie relationeel is. Zoals
informeren/formeren, denken/doen, theorie/praktijk en mededeling/deelneming
elkaar veronderstellen, zo zijn ook geest en lichaam mediamiek
op elkaarbetrokken. In de middelmatigheid vormen zij een hecht verbond.
Automobiliteit als milieu
McLuhan wijst als een van de eersten op de
onverbrekelijke band tussen media, lichamelijkheid en sociaal bewustzijn.
Zijn laat moderne utopie is de global village als een elektronische
wereldgemeenschap. McLuhans electronische Geest verwerkelijkt
zich nu in het hypermediale deel van het Internet: World Wide Web.
Volgens McLuhan krijgt door waardenrelativisme
gefragmenteerde gemeenschapservaring een materiële pendant in de
ontbinding van het lichaam door verschillende mediamieke extensies
en wordt de kantiaanse sensus communis een televisionele ervaring.
Visualiteit en contactiliteit
McLuhan heeft, zoals ik in het eerste hoofdstuk al liet
zien, de wereld een inzicht geschonken: ‘the medium is the
message’. Alle extensies van het lichaam hebben op onvoorziene wijze
gevolgen gehad voor de verhouding tot onszelf, tot anderen en tot
de wereld der dingen. Ze hebben het lichaam gefragmenteerd, maar in
dezelfde operatie individuen fysiek met elkaar verbonden.
Distantie en contact gaan tot op zekere hoogte samen, maar onze
visualiteit is exponentieel vergroot, terwijl onze tastzin, die de
visuele indrukken altijd controleert, de greep op de dingen lijkt te
verliezen. Wij zijn steeds (ver)lichter geworden. We zijn losgekomen van de
wereld. Zonder dat we het ons bewust waren hebben auto’s en
films - nagenoeg in dezelfde tijd ontstaan en beide door een
motor aangedreven - ons anders in tijd en ruimte gesitueerd en daarmee
onze tijd-ruimtelijke oriëntatie getransformeerd: ons
contact met de wereld is vluchtiger geworden. Samen met
receptoren op afstand, zoals ogen, oren en neus
zijn onze huid, spieren en gewrichten onmiddellijke
receptoren. Zodra onze oren - die geluiden kunnen vertekenen of
zelfs misleid kunnen worden door gehoorhallucinaties - zijn
dichtgestopt, onze ogen - die ons makkelijk kunnen bedriegen - gesloten
zijn, wij neus en mond van iedere luchtstroom hebben afgesloten om ons
niet door reuk en smaak te laten verleiden, rest ons slechts de
door de tastzin geregistreerd warmte, kou, druk of weerstand als het
fysieke bewijs van ons bestaan. Contact is gegrond in deze tactiliteit
en vormt als contactiliteit de basis van ons sociale gedrag.
Reeds voor Aristoteles was tastzin het enige niet af te sluiten
zintuig. Hij vat in het tweede boek van De Anima een zintuig op als
een ‘midden’ tussen twee van elkaar specifiek voor dat zintuig te
onderscheiden kwaliteiten: donker-licht, bitter-zoet, hard-zacht. Het
zintuig moet potentieel beide zijn, maar feitelijk geen van beide om
ze te kunnen percipiëren. De tastzin, meent Aristoteles, is zelf al een
groep van zintuigen. In tegenstelling tot andere zintuigen ontbreekt
er echter een specifiek orgaan of middel. Het vlees als omhulsel is
eigenlijk geen orgaan maar een medium (‘meson’) van de tastzin: we
worden niet, zoals bij de andere zintuigen, door, maar tegelijkertijd
met het medium geraakt. Ontwikkelingspsychologisch zijn aanraken en kijken,
tactiliteit en visualiteit altijd op elkaar aangewezen: baby's zien
met hun hand de diepte. Met hun lichaam begrijpen zij de wereld beter
en sneller dan met hun blik. De tastzin is door zijn spreiding
totaal. Cultuurhistorisch blijkt tactiliteit in onze omgang met de wereld
echter van steeds minder belang. ‘Manipulatie’ – letterlijk: een
tot vuist gebalde hand (‘manus’) als beeld voor een soldatenschare die kan
worden ingezet – vindt steeds meer met visuele middelen plaats.
Ook de opvoeding wordt steeds visueler en afstandelijker.
Het primaat van de blik werkt Edward T. Hall in The Hidden
Dimension (1966) antropologisch verder uit. Hall categoriseert op
grond van de zintuiglijke oriëntatie sociaal-kritische distanties, die
mensen ten opzichte van elkaar innemen en de daarmee gepaard
gaande emoties. Deze afstanden variëren van zeer intiem, waarbij er
sprake is van gewaarwordingen via huid, neus en oor en soms via
een slechts vertroebeld oog, via het persoonlijke en het sociale tot
het afstandelijke publieke contact, dat vrijwel uitsluitend audio-visueel is.
Zodra de dynamiek van de sociale ruimte wordt uitgezet op de
coördinaten van zintuiglijkheid en emoties, blijkt dat in de westerse
cultuur het sociale contact steeds visueler, afstandelijker en abstrac-
ter, dat wil zeggen onlichamelijker is geworden, ook al pleegt men
aan de periferie van het westers culturele domein doorgaans iets
handtastelijker te worden. Onze cultuur is transparanter en lichter,
minder tactiel en steeds visueler geworden. Contactiliteit valt steeds
meer samen met visualiteit. We zijn, geheel in overeenstemming met
de imperatief van de volksgezondheid, afstandelijker geworden.
Vanuit hygiënisch oogpunt is contact immers gevaarlijk: we zouden
wel eens besmet kunnen raken. Naast hygiënische overwegingen
spelen ook ethische argumenten een rol: door de ander op verkeerde
momenten aan te raken doen we inbreuk op de integriteit van diens
lichaam en geest, wat juridisch in ‘ongewenste intimiteiten’ zijn
beslag krijgt. Als autonomie onaantastbaarheid inhoudt - noli me
tangere - dan articuleert autonomie zich als negatieve contactiliteit.
Autonomie en versnelling
Visuele manipulatie verbindt twee
verlichtingsstrategieën met
elkaar: doorzien en versnellen. Er kan geen dynamica van de blik
worden geschreven zonder een logica van de versnelling.
Versnelling roept een gevoel van goddelijke gewichtsloosheid op.
De mens bevrijdt zich van zijn door zwaartekracht gepacificeerde
lichaam en voelt zich zo vrij als een vogel. Ook Virilio concludeert
in zijn analyse van de relaties tussen macht, transport en versnelling,
dat het geheim van iedere heerschappij in een ideale gewichtsloosheid ligt.
Snelheid en macht versterken elkaar. Door snel te bewegen
wordt de mens niet alleen lichter, luchtiger en vrolijker, maar ook
moeilijker grijpbaar voor zijn vijanden. Elias Canetti laat in Massa
en macht (1960) zien hoe snelheid een vlucht plotseling in een
aanval doet omslaan. De grens tussen verdwijnen en verschijnen vervaagt.
Machthebbers zijn altijd door snelheid gefascineerd.
Weliswaar zien zij zichzelf graag als immobiele centra waaromheen
alles draait, maar deze immobiliteit verbergt een fascinatie voor
snelheid. Fysieke snelheid als eigenschap van de macht wordt sinds
de Tweede Wereldoorlog gepareerd door een nieuw soort visualiteit:
radar. Door luchtruim en zeebodem met immateriële radiogolven af
te tasten wordt de expansieve versnelling van de vijand geblokkeerd.
Uiteindelijk wordt de strijd beslecht door de onzichtbare krachten
van de materie: de atoombom. Door beide uitvindingen is de
westerse cultuur gesterkt in de gedachte dat beheersing van de
materie iedere fysieke contactiliteit kan ontberen. Ooit begon het al
met het bestijgen van het paard. Dit heeft de mens grotendeels van
zijn gewicht verlost. In Zes memo’s voor het volgende millennium
(1988) ziet Italo Calvino het paard, als zinnebeeld van de snelheid,
daarom tevens als voorbode van de problematiek van ons technologisch panorama.
In mediamiek perspectief wordt snelheid tot het eind van de
18de eeuw nog steeds gemunt door paarden: pk is de laatste krachts-
en snelheidseenheid. Pas met de uitvinding van de stoommachine en
de explosiemotor wordt het zicht op de ultieme vrijheid geopend: de
vrijheid van snelheidsbeperkingen. Want alleen door desnelheid tot
recordhoogte op te voeren kan de mens zichzelf totaal verlichten.
Omdat in de versnelling de weerstand van de versnelde mate-
rie toeneemt, moeten mensen zich steeds meer omhullen en
van contactiliteit afschermen. Het pleit lijkt in het voordeel van de
verlichte, autonome mens beslecht met de eerste ruimtevlucht en de
landing op de maan in 1969. Dat wij ons met de Explorer en
Pathfinder naar Mars kunnen verplaatsen om daar met zand en
stenen rond te sjouwen en deze ter plekke te analyseren, toont
opnieuw hoe effectief de strategieën van visuele manipulatie en
materiële versnelling zijn en welke waarde zij vertegenwoordigen in
het verlichtingsproces. Na de ontwikkeling
van supergeleiders lijken materiële barrières er nauwelijks meer toe te doen.
Het bereiken of zelfs overschrijden van de lichtsnelheid is altijd een
literaire inspiratie gebleven omdat de overschrijding van deze grens ons te
boven gaat. Recente experimenten met voorbewerkte lichtpulsen hebben
wel geleid tot de overschrijding van de lichtsnelheid, maar het feit dat
met deze snelheid niet langer informatie kan worden
overgedragen, is veelzeggend voor de bruikbaarheid ervan in een
informationele samenleving.
De Onbewogen Beweger: automobiliteit
Bracht de onverklaarbare behoefte om, ietwat verlicht,
dichter bij zijn goden te komen de archaïsche mens tot dansen,
moderne individuen proberen door een mediamieke omhulling sneller en
dichter bij zichzelf te komen. De afstand daartoe lijkt echter
omgekeerd evenredig toe te nemen met de snelheid waarmee ze dit
‘zelf’ denken te naderen. Verwijst het bewegen van de jager nog naar
de intrinsieke mogelijkheden van het organisme en gaat het
daarbij om doelgerichte activiteiten in dienst van collectief
lijfsbehoud, de moderne versnelling wordt, naarmate de samenleving veiliger
lijkt, voor groep en individu een doel op zich: wij streven
vooruitgang na om
de vooruitgang, groei om de groei. Enigszins
contra-intuïtief geformuleerd: vooruitgang ontbeert
een toekomst. Wat door de versnelling wordt opgelost, is
verwachtingsvolle anticipatie. Het verlangen wordt door de
transparantie obsceen en door de versnelling onmiddellijk ingelost.
Als een zichzelf versterkende beweging kent vooruitgang geen
voortgang meer. Versnelling en autonomie raken in de huidige
automobiliteit zo verstrengeld dat ze nauwelijks meer van elkaar te
onderscheiden zijn: onder het motto van efficiëntie wordt het middel
doel. Is de mens nog de maat der middelen, zoals hij ooit, bij
Protagoras en opnieuw in de Renaissance, de maat der dingen was?
Of is de hypokritische constatering gerechtvaardigd dat, wanneer
vooruitgang omwille van zichzelf wordt nagestreefd, wijzelf de
media zijn en daarmee ongewild door en door middelmatig zijn geworden?
Na het einde van de ideologieën, de ineenstorting van de
statenpolitiek en de uitputting van het utopisch potentieel rest ons
nog slechts het naakte gegeven van de efficiëntie: autonomie,
transparantie en versnelling. Wij verwerkelijken, zoals Sloterdijk in
Eurotaoïsme. Over de kritiek van de politieke kinetiek (1989) stelt,
een kinetische utopie. Sloterdijks opmerking als zou er
een metafysische samenhang bestaan tussen het moderne autonome ik
en de huidige automobilisering slaat de spijker op de kop. De
automobilist is de technische dubbelganger van het principieel
actieve transcendentale subject. Vanuit deze visie zijn we allemaal
automobilisten, of we een rijbewijs hebben of niet.
Dat we ernaar streven een perpetuum mobile of een
aristotelische Onbewogen Beweger te zijn, is misschien wat sterk
uitgedrukt. Misschien is het overtrokken te beweren dat dit
autonome proces niet meer van buitenaf te beïnvloeden is en slechts
aan zijn eigen werkzaamheid ten onder kan gaan. Het automobiele
subject zelf lijkt een vertraging - of iets modieuzer: onthaasting - niet
in gang te kunnen zetten. Zijn geest en lichaam zijn te verlicht.
Afstand doen van de heilige koe (auto) of het gouden kalf (tv) staat
nagenoeg gelijk aan het afhakken van een been of het uitsteken van
een oog. Maar het offeren van een been of oog wordt beslist
afgewezen als een overleefd ritueel uit vroeger tijden. Voorlopig ziet het
er naar uit, dat alleen het exces van de versnelling voor vertraging zorgt:
structurele immobilisering in de vorm van de file of in de nabije toekomst
in die van een computergeleide rit van huis naar het werk. Groei kan omslaan
in wildgroei en als woekering zichzelf verstikken. Voorlopig is de huidige
automobilist nog slechts op één manier achter zijn stuur vandaan te
branden: na de schipbreuk van de snelheid of een total-loss. Als
geïmmobiliseerde tv-zapper of webbrowser zijn we daarentegen
moeilijker achter het scherm weg te branden, omdat we overal
geweest en van alles op de hoogte, dat wil zeggen: volledig geïnformeerd zijn.
In het rijcomfort en het zap- en browsgedrag van het
‘automobiele subject’ wordt de door Virilio bedoelde staat van
gewichtsloosheid bijna bereikt. Gezeten achter ons gouden kalf – het
schitterende scherm – laten we de wereld op ons afkomen en gezeteld in
de heilige koe schiet deze aan ons voorbij. Door een minieme
beroering van afstandsbediening, muis of versnellingspook draait de
wereld of wordt deze naar believen stilgezet. De geïmmobiliseerde
automobilist ondergaat op de minst wellustige, maar meest
vanzelfsprekende wijze een gevoel van totale controle. Hij waant
zich oppermachtig aan gene zijde van het gebeuren. Zoals de
verslaafde in zijn extatische exces, is hij heel even
van de wereld, totdat deze hem als chaotisch materie of zoals ik het in
het vorige hoofdstuk noemde: kritische massa overrompelt.
Dit geïmmobiliseerde individu is niettemin mobieler dan
mobiel: het is panisch. Deze paniek doet zich veelal voor als een
alert verkeren in alle staten van paraatheid: op ieder moment overal
bereikbaar en beschikbaar. Zo rennen we zonder te bewegen
doelloos rond in de atopie van de snelheid, in een niemandsland aan
de uiterste grens van onze geschiedenis waar bewegingsvrijheid
dwangmatig is geworden en waar een collectief consumptieverlangen
de enige oriëntatie lijkt te zijn om tijd en ruimte te doorkruisen.
Paniek, opgevat als een gefragmenteerde, ongerichte en zich-
zelf naar alle richtingen versterkende versnelling, is echter
onaanvaardbaar. In de centrifugale vlucht naar alle kanten lost de
groep op in zich op hun eigen krachten beroepende individuen. In
het zoeken naar een goed heenkomen gaat het nog slechts
om lijfsbehoud. De bodycultuur is een collectieve poging om
de paniek te bezweren die is uitgebroken door het geleidelijk aan
verdwijnen van het lichaam in de media. Dit lijkt de enige werkzame
massapsychose in een post-materialistische samenleving. In onze tijd
betekent het voorlopige hoogtepunt van deze panische zelfbeweging totale automobilisatie. Eind 1999
wordt in de Tweede Kamer een wetsvoorstel opgetuigd waarin het
fundamentele recht op mobiliteit wordt bepleit. Een van de trategische
sleuteltermen valt: veiligheid. Moeten we hieruit concluderen dat we
alleen veilig zijn als we razendsnel de openbare ruimte doorkruisen?
Tegenargumenten zijn problematisch, want inzichten in de bijdrage
van het autogebruik aan de opwarming van de aarde veranderen keer
op keer. Op lokaal vlak gelden echter wel degelijk ecologische,
esthetische en verkeerstechnische argumenten, ook al verliezen deze
door onze hypokritische middelmatigheid snel hun zeggingskracht.
Strijd tegen het tweevoudige pathos: Grote Verhalen
Na deze schets van een geestelijke en materiële
verlichting dringt de
vraag zich op of de vervreemding op geestelijk vlak met
een vergelijkbaar verschijnsel op lichamelijk vlak
overeenstemt en wat de verhouding tussen beide is. Waarvan bevrijden wij ons
in het versneld transparant maken van de materie? Dat de geest
niet, zoals Descartes beweerde, tegenover het zintuiglijke lichaam
staat, maar er zowel een synthese als een extase van is, wordt
consequent door Nietzsche uitgewerkt. Geest is de ‘uiteen-zetting’ van
het fysieke in en als het denken: letterlijk discours. Het Lijf is het
Grote Verstand, meent Nietzsche in Aldus sprak Zarathustra. Een boek
voor allen en voor niemand (1883/85) wanneer hij over de verachters
van het lijf spreekt: het lijf dat zegt echter niet Ik, maar doet ik.
Adorno verbindt in Negative Dialektik (1966) Kant, Freud, Nietzsche en
Marx met elkaar om te laten zien hoe al het geestelijke een
veranderde lichamelijke impuls is. Lust en onlust, pijn en
negativiteit - de motor van de dialectische gedachte - zijn veelvoudig
bemiddelde, onherkenbare gestalten van het fysische.
In een meer eigentijds jargon werpt Lyotard in Het
onmenselijke. Causerieën over de tijd (1992) de vraag op
of we zonder lichaam kunnen denken. Hij wijst op het belang
van paradoxen en tegenspraken: in de zelfontkenning van het
denken werkt het lichamelijke in de geest door. De echte pijn
van het denken ligt niet in de confrontatie met deze tegenspraken, maar
in de aporetische spanning waaraan het denken zich uitlevert
als het afziet van activiteit en besluit besluiteloos te zijn. Lyotard
werkt deze gedachte in Postmoderne fabels (1993) verder uit. In het
hoofdstuk ‘Anima minima’ presenteert hij het subject als een
lichaamsdenken of ‘anima’ dat door en in de beroering – ‘aisthesis’ -
tot leven wordt gewekt. Binnen en buiten zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Druk en weerstand zijn naast kwaliteiten van onze contactiele
oriëntatie op de buitenwereld ook modaliteiten van ons innerlijk
leven. Hierover spreken de menswetenschappen in termen
van affectschommelingen die steeds meer geseksualiseerd
zijn. Schommelingen tussen genot en pijn worden als ‘druk’ervaringen
benoemd. De grens tussen genot en pijn is dan ook fragiel. Dit
spanningsveld vormt het pathos waarin geest en lichaam in elkaar
overgaan. Het is een tweevoudig beroerd worden: heen en weer
geslingerd tussen genot als een beroerd worden door, en pijn als een
beroerd worden van. Zo beroert het harmonische lichaam ons en
worden we beroerd van verscheurde lichamen. In de huivering werkt
deze affectspanning door in een mengeling van fascinatie en
weerzin. Evenals aanraken en aangeraakt worden kent innerlijke
beroering drempelwaarden waar, zoals dit bij warmte, kou en fysieke
druk het geval is, een genieting pijnlijk intens wordt of het
overschrijden van de pijngrens zo’n genotvolle ervaring oplevert dat
deze gecultiveerd wordt in huiveringwekkend
entertainment. Als we de sleuteltermen uit de geestelijke verlichting naar dit
‘pathische’ vlak overzetten, kan zelfbewustzijn geduid worden als
een reflectieve verhouding tot de pathische spanning: als een
samenhangend en vóórtdurend begrip van het gegrepen zijn.
Autonomie verschijnt dan als de volhardende activiteit om
bezetenheid in bezit te nemen. Wat geest aan het vege lijf toevoegt,
is een intentionele betrokkenheid op pathische schommelingen.
Deze intentionaliteit krijgt zin en betekenis - dus richting
- door verhalen: een goed verhaal verlicht de pijn en
stuurt het verlangen. Door een Groot of klein Verhaal krijgt het
pathos de tijd en daarmee een toekomst. Hartstocht en lijden zijn
altijd door Grote Verhalen, zoals Lyotard ze noemt, gereguleerd. Het
succes van polytheïstische mythes, monotheïstische religies,
politieke ideologieën en wetenschappelijke theorieën wordt bepaald
door de mate waarin ze het contingente, incidentele en
onbegrepen karakter van pijn en genot tot collectieve vormen van
verdraagbaar lijden en georiënteerde hartstocht of liefde transformeren. Gaat
pijn over in lijden en genot in liefde, dan zijn respectievelijk
eenzaamheid en intimiteit wellicht hedendaage supplementaire
limietgestalte waarop deze verhalen stuk lopen. Zodra de
contingentie van pijn en genot zin en richting krijgt,
nemen pijn en genot de duurzamere gestalten aan van lijden en
liefde. Pijn blijkt als lijden altijd wel ergens goed voor te zijn en als
platoons of christelijk georiënteerde liefde wordt het momentane
genot en de ondermijnende hartstocht van zijn verontrustende
vleselijkheid en consumptieve extase ontdaan. Zo heeft het christen-
dom de ontregelende, gewelddadige werkingen van pijn en genot
gereguleerd door er oorzaak en doel aan toe te dichten:
een zondig verleden en een hemelse toekomst. Pijn als genot was
slechts voor de meest begenadigden weggelegd. En hoewel hij
nauwelijks meer in hemel of hel gelooft, denkt de joggende en
halterende, postmoderne mens nog steeds dat afmattende inspanningen
lonend zijn, dat ze zijn gezondheid bevorderen of dat hij zijn
lichaam voor het verkrijgen van een langer leven geoorloofd kan
kastijden. De activistische, christelijke moraal gaf deze taak door
aan een in het humanisme besloten disciplinerende rationaliteit.
Gezien de fascinaties en weerzin ten opzichte van lichamen
heeft het er veel van weg dat het tweevoudige pathos de
samenleving en het gedrag van individuen meer ‘aardt’ dan de logos.
Gedeeld leed en onbeantwoorde of vernietigende hartstocht kunnen
nog zo tragisch zijn, er bestaat een haast metafysische
nostalgie naar de verbondenheid die ondanks al het geweld in het pathos
besloten ligt. Zoals de geest met het lichaam verstrengeld is, zo is de
logos onlosmakelijk met dit aardse pathos verbonden.
Na de ondergang van de Grote Verhalen worden we
uitgedaagd een onverwoestbaar besef onder ogen te zien:
lijden en hartstocht zijn, ondanks de humanistische pretentie het
geweld ervan stelselmatig terug te dringen, in laatste instantie
onoplosbaar en onbeheersbaar. Het leven is per definitie lijden en
passie, ook al manifesteert dit pathos zich steeds via media. Van de
immense hoogten van esoterische filosofieën en rationele
levensbeschou- wingen tot de meest triviale volkswijsheden vinden we de
grondintuïtie van het zinloze, maar noodzakelijke lijden terug.
Nietzsche heeft in de westerse cultuur deze paradox misschien wel het
scherpst verwoord toen hij op de principiële zinloosheid van het
lijden wees. Wat voor de mens onverdraaglijk is, is niet het geweld
maar de zinloosheid ervan. De ‘ondraaglijke
lichtheid van het bestaan' kan niet letterlijk
genoeg worden begrepen. Slechts met behulp van steeds weer andere
rationele schijnbewegingen is het gratuïte geweld van de
ondraaglijke lichtheid in een zinvolle activiteit om te
zetten. Uitbarstingen van geweld worden doorgaans teruggevoerd
op intenties van daders en motieven hebben meestal een
‘sociale’ context: de meeste moorden worden door familie en
vrienden gepleegd. Motiefloos geweld wordt per definitie als
zinloos afgedaan: er moet ten slotte een reden zijn om te doden.
De aanvankelijke onverklaarbaarheid van de seriemoord werd
pas weggenomen toen een flexibele, op soapseries verzotte
FBI-agent sociopathische patronen begon te zien los van
conventionele criminologische categorieën. Met dit vertoog verdween de
zinloosheid van deze moorden. De zinloosheid van recent geweld getuigt eveneens van het
ontbreken van een vertoog over ‘publiek’ geweld, zoals
Kees Schuyt het kwalificeert. Weer duidt het predicaat ‘zinloos’ op
een te rigide opvatting van rationaliteit en rituele contactiliteit.
Schuyt situeert ‘publiek geweld’ tussen huiselijk en collectief geweld.
De penibele staat van zelfbeheersing en frustratieregulering bij
jongeren kan een verklaring bieden, maar interessanter is zijn aandacht
voor microsociale processen waarin motieven en intenties pas in
tweede instantie een rol spelen. De zinloosheid van dit geweld
wordt, bij ontstentenis van een gearticuleerd vertoog,
maatschappelijk gepareerd met even zinloze rouwrituelen: witte en stille
marsen. Deze geven alsnog richting aan de opgroepen pathische spanningen.
Ontaarding en vervreemding: bodycultus zonder body
De contouren van een antwoord op de vraag waarvan we ons
bevrijden en waardoor we verlicht raken zijn nu voorhanden: zowel
geestelijke als materiële verlichting beogen in de bevrijding van de
materie - onder het mom van comfort en veiligheid - druk en weerstand volledig op te heffen.
In de geestelijke verlichting loopt dit project vast in tegenspraken, antinomieën en
aporieën die alleen door de introductie van een extern criterium – transcendentie,
immanentie, geschiedenis of empirie - en een daaruit voortvloeiende
noodzakelijke vervreemding weer kan worden vlot getrokken. Het
pathos is vanuit de geest bezien ontaard, maar vanuit het lichaam een
verlangen naar aarding. De spanning tussen vervreemding en
bevrijding die in de nieuwe media doorwerkt, is een uitdrukking van
deze paradoxale verhouding. We ‘willen’ een vanzelfsprekende,
transparante en nagenoeg weerstandsloze verhouding tot de wereld,
maar voelen ons, zodra dit in beeld komt, vervreemd van onze
medemensen. De paradox van de (ont)aarding tekent onze strijd
tegen de materie. In deze paradox blijken zowel reacties op de
huidige mediacultuur – vervreemding èn bevrijding - als
obsessies van de bodycultus - het harmonische èn het verscheurde
lichaam - een rationale te vinden. Joggen, working out en het strak
herdefiniëren van buikspieren compenseren echter slechts
ogenschijnlijk het verlies aan weerstand en contactiliteit. De huidige
cultivering van het lichaam is geen terugkeer naar een verloren
oerstaat: het is de puls van een door en door mediamiek bestaan.
|