|
POSITIVITEIT
VAN DE LEEGTE
|
ETHIEK EN
BEWUST ZIJN VAN DE DOOD IN
JAPAN
|
Henk
Oosterling
(Gepubliceerd
in: Crisis van de rede?
Perspectieven op cultuur. Erik
Heyermans & Paul Wouters (red.),
Van Gorcum, Assen/Maastricht 1992,
pp. 407-413)

Als
we ons afvragen hoe Japanners zich
de dood bewust zijn, dan moeten we,
gegeven de eerder vermelde
methodische overwegingen, op grond
van een andere collectieve omgang
tot een andere doodsbeleving
concluderen. Het moderne Japan staat
namelijk nog bol van de rituelen.
Het jaarlijkse Bon odorifeest, een
groots nationaal gebeuren tussen 13
en 15 juli ter ere van de
gestorvenen die naar hun woonplaats
terugkeren, is slechts een van deze
manifestaties. Het voortbestaan van
deze ritualiteit is niet
verwonderlijk. Pas sinds 1867 zijn
onder druk van de kanoneerboten van
de Amerikaanse vlootcommandant Perry
Japans feodale structuren
opengebroken. De assimilatie van
Westerse, 'universele' waarden
verliep ogenschijnlijk snel. Sinds
1946 is Japan een democratische
samenleving. Maar eigenlijk is ook
dit in de gedaante van de generaal
McArthur door het Westen
afgedwongen. Zevenhonder jaar
Westerse geschiedenis is zo in
honderd jaar overbrugd. Moesten vijf
generaties het werk van vijfendertig
opknappen? Als de ontwikkeling van
het Westen de maatstaf is, dan moet
een vergaande schizofrenisering het
gevolg zijn. Voor de westerling zijn
de contrasten soms dan ook stuitend
of onthutsend: naast tempels
verrijzen wolkenkrabbers, een punker
doet, wanneer hij een tempel
passeert, snel zijn Namu Amida Butsu
schietgebedje. In Westerse begrippen
zou dit van verregaand cultureel
eclecticisme en economisch
opportunisme kunnen getuigen. Het is
echter nog maar de vraag of Westerse
criteria toereikend zijn om dit
assimilatieproces te begrijpen. De
positieve methodische pendant van
onze kritische blik zou wel eens in
de opschorting van onze eigen
ervaringscategorieën kunnen liggen.
a. Catastrofale eindigheid
De hedendaagse Japanse ziel is door
twee collectieve doodservaringen
getekend. Terwijl het Westen de
apocalyps slechts als een 40 jaar
lang gekoesterd visioen of als een
door een kwaad geweten verdrongen
angstbeeld ten gevolge van de
massale vernietiging van het
verdrongene van haar eigen
samenleving, dat wil zeggen van
joden, zigeuners, communisten en
homosexuelen heeft gekend, onderging
Japan een dubbele apocalyps: de op 1
januari 1946 over de radio
uitgezonden verklaring van de
Japanse keizer Hirohito, dat zijn
goddelijke afstamming een verzinsel
was, werd vooraf gegaan door de
atoombombardementen op Hiroshima en
Nagasaki. Deze vernietiging kon niet
zoals in Westen verdrongen, ontkend
of gemarginaliseeerd worden, maar
vereiste een expliciete collectieve
omgangsvorm: een ritueel. In de
jaarlijkse manifestatie in Hiroshima
culmineert het dagelijkse leed, dat
nog steeds het leven van vele
Japanse gezinnen bepaalt Tot twee
maal toe dringt zich aan het
collectieve bewustzijn het accute
besef van eindigheid op. Als u de
intensiteit van het eerste gebeuren
wil bevatten, stelt u zich dan eens
voor wat het voor toegewijde
katholieken zou betekenen, als de
Paus morgen voor CNN verklaart, dat
hij niet de plaatsvervanger van God
op aarde is. Onze nihilistische
onwil of onmacht dit gebeuren te
bevatten geeft wellicht aan hoe
ondoorgrondelijk de Japanse ziel
voor ons is.
b. Zelfmoord als indicator
De
dood heeft in het sociaal politieke
en religieuze systeem altijd al een
andere betekenis gehad.
Interessanter dan de figuurlijke
onthoofding van het systeem in 1946
zijn misschien wel de rituele
zelfmoorden die direkt erop volgden.
Deze staan in verband met het
traditionele bewust zijn van de
dood. Als we zelfmoord opvatten als
indicator van het doodsbesef, wordt
onmiddellijk duidelijk dat de
waardering van dat wat in de
volksmond harakiri heet, maar in een
meer formele terminologie seppuku
wordt genoemd, namelijk de rituele
zelfmoord door het opensnijden van
de buik in schril contrast met het
westerse waardering van de zelfmoord
staat.
[1] Willen we enig begrip van dit
verschijnsel krijgen dan moeten we
ons paradoxaal genoeg los maken
juist die Westerse categorieën, van
waaruit we als gevolg van 2000 jaar
christendom en twee eeuwen
filosofische en
menswetenschappelijke
theorievorming, naar onze wereld
kijken. Iets wat wij in principe
niet kunnen. In het huidige
euthanasiedebat speelt nog steeds de
christelijke opvatting, dat
zelfmoord afbreuk doet aan de
goddelijke almacht.
[2] Ons zondebesef en Gods
transcendentie worden door Kant
weliswaar in de immanentie van de
redelijke en zedelijke, dat wil
zeggen autonome zelfbepaling
verankerd, maar de negatieve
waardering van de zelfmoord blijft
bestaan. Hij meende immers dat,
zodra we uit eigenbelang ons leven
beëindigen, deze aandrift, eenmaal
in een coherente maxime onder een
universeel gezichtspunt gebracht
"zichzelf tegenspreekt en niet als
natuur zou kunnen bestaan"(Kant
1974: VII, 52; B/A 54). Zijn
'plicht', dat wil zeggen: de achting
voor de zedewet omwille van zichzelf
sluit zelfdoding per definitie uit.
Deze 'pathologische' aandrift
vernietigt juist iedere zedelijke
zelfbepaling. In zijn antropologie
merkt hij verder op, dat de vraag
"of zelfmoord ook moed of slechts
verzaking veronderstelt, geen
morele, maar een psychologische
vraag is"(Kant 1974: XII, 589; B/A
214). Maar niet alleen Kant moeten
wij achter ons laten. Ook Emil
Durkheim en Sigmund Freud, die
respectievelijk de sociologische en
psychopathologische oorzaken van het
Westerse doodsverlangen hebben
blootgelegd. Hoewel Freud het
primaire masochisme en de doodsdrift
als antropologische constanten zag,
was hij er toch van overtuigd, dat
sublimeringen deze pathologische
tendens konden keren. Durkheim weet
op zijn beurt de toenemende
zelfmoordcijfers van het vorige fin
de siècle aan de anomie in een door
groeiend individualisme en
economisch expansionisme gekenmerkte
samenleving, waarin ieder
traditioneel sociaal verband
gaandeweg werd uitgehold. Hoewel de
zelfmoordcijfers in Japan nauwelijks
verschillen van die van de rest van
de wereld blijkt het aantal jongeren
en ouderen dus: niet produktieven
die een belasting voor hun omgeving
vormen onder de zelfmoordenaars
percentagegewijs groter te zijn dan
elders. Tegenover iedere moord staan
bovendien drie zelfmoorden.(Pinguet
1984: 28) Het is dus maar de vraag,
of seppuku iets met masochisme,
groeiend individualisme of met de
bevrijding van Kants autonome
subject "aus seiner selbst
verschuldeten Unmündigkeit"(Kant
1974: XI, 53; A 481) te maken heeft.
Maar hoe dit te begrijpen zonder
Kant, Durkheim of Freud?
c. Zelfmoord en plicht
Japanners kennen geen transcendente
principes of God. In de
oorspronkelijke natuurgodsdienst,
shinto, staat zuiverheid niet als
morele, maar als hygiënisch of
esthetische waarde centraal. Kwaad
is voor alles onzuiverheid, die door
rituele reiniging kan worden
opgeheven. De culturele esthetiek,
van bloemschikken, ikebana, tot
dagelijkse hoffelijkheid, gaat terug
op deze louterende vormelijkheid.
[3] Hierachter ligt een fundamenteel
andere opvatting over de onderlinge
verhoudingen tussen het goede, ware
en schone. Wordt door Kant het
schone hoogstens als een symbool van
het goede en het ware opgevat(Kant
1974: X, 294; B 258/A 254), in Japan
lijkt de 'schone schijn' het gedrag
van de wieg tot het graf te bepalen.
Het hindoeistische maya, de sluier
van de schijn, kent Japan als
tatemae, als het noodzakelijk
vertoon, het spel, het ritueel. Toch
zijn deze formuleringen misleidend.
Onze westerse ideeëngeschiedenis is
er reeds in verdisconteerd. De
tegenstelling schijn zijn volstaat
namelijk niet om deze vormelijkheid
te begrijpen. De schijn is niet
uiterlijk, omdat er namelijk geen
innerlijk aan beantwoordt.
[4] Dit kan aan de omgang met het
geweld geïllustreerd worden. Geweld
als zodanig is voor Japanners geen
moreel probleem. Tokyo is een van de
veiligste steden, waar volwassen
mannen in de metro desondanks
sadomasochistisch getinte strips
zondere enige schroom verslinden.
Ook hier overschaduwt een
'esthetische' waardering een
ethische verwerping, omdat een
transcendent principe, van waaruit
geweld afgewezen zou kunnen worden,
ontbreekt. Sociale setting en een
concrete verplichtingen geven de
doorslag voor het al dan niet
gebruiken van geweld. Daarbij is de
zuiverheid van de dader altijd in
het geding. Zijn bereidheid zelf aan
het toegebrachte geweld ten onder te
gaan, van doorslaggevend belang.
[5] Door de afwezigheid van iedere
transcendentie bergt het concrete
zowel het bezielde als het
onbezielde in zich. Dat Japanners
zich altijd bewust zijn van de
vergankelijkheid wordt mede
uitgedrukt in het nationale symbool
van de kersebloesem: hierin wordt
een kort, maar intens mooi leven,
dat ieder moment kan worden
weggerukt, gesymboliseerd. Zo is de
dood altijd aanwezig. Ieder leven
krijgt zijn voltooiing in een
schone, maar gewelddadige dood: in
een euthanasie. Individuele
beslissingen worden altijd gemaakt
met het oog op de harmonie, wa, van
de groep. Een Japanner manoeuvreert
binnen een pyramidaal
gestructureerde veelheid van
verplichtingskringen, waarvan de
familie de basis en de keizer de top
vormen. Wijkgemeenschap, werkkring
en lokale autoriteiten krijgen
hierbinnen ieder hun plaats. Iedere
verplichting, elke on, vereist een
gepaste delging: giri. On, wa en
giri constitueren het zelfrespect
van de Japanner. Maar zij zijn
nauwelijks vergelijkbaar met Kants
plicht, omdat dichotomieën als
transcendent immanent, autonoom
heteronoom en individueel sociaal er
niet op van toepassing zijn. Niet
Kants individuele, rationeel
bepaalde zuivere geweten, maar het
op zuiverheid gerichte zelfoffer
kleurt de eigenwaarde van de
Japanner. Kants in een universele
rede gefundeerde zelfrespect is voor
de Japanner, zo hij al in deze
termen over zichzelf kan denken, de
opperste vorm van egoïsme. De
confucianistische leer bood vanaf de
17e eeuw een institutioneel kader
voor deze doodsesthetiek. Ieder
uitwas of een mogelijke doorbreking
van de sociale orde kon daarmee
worden bestreden. Zo was het boeren
weliswaar toegestaan tegen de hoge
belastingdruk in opstand te komen,
maar alleen dan als degenen die de
petitie overhandigden vervolgens
seppuku pleegden.(Buruma 1984:
167-8) De dood van de raddraaiers
verplichtte de heer volgens de giri
tot verzachtende maatregelen. Dit
sociaal politieke stelsel steunde
voorts op een tweede religieus
fundament, dat zich al vroeg in de
Japanse cultuur vestigde: het
boeddhisme, dat in de vorm van het
zenboeddhisme in de 12e eeuw door de
krijgerskaste, de samoerai, als
leidraad voor het handelen werd
geadopteerd. Met het opheffen van
het lijden door absolute
zelfverzaking als inzet ontstond er
een ethische code, waarin de
onvoorwaardelijke loyaliteit aan de
eigen heer en in laatste instantie
aan de keizer tot zijn hoogste
waarde werd verheven. Deze
onvoorwaardelijke trouw betekende
uiteindelijk: bereidheid tot het
ultieme offer, de rituele zelfmoord,
op de meest pijnlijk wijze
voltrokken.
[6] Zodra de eer van de groep en
daarmee van voorouders én nazaten
bezoedeld werd, moest deze schaamte,
die niet als zonde, maar als
onzuiverheid werd ervaren, worden
weggenomen. In het ergste geval kan
het in onze ogen als
gewetensconflict opgevatte
verplichtingsconflict door rituele
zelfmoord worden gedelgd. Maar het
is ook mogelijk dat de seppuku de
absolute trouw uitdrukt. In de
moderne tijd hebben generaals niet
alleen na de definitieve nederlaag
de hand aan zichzelf geslagen, in
het geval van Generaal Nogi en zijn
vrouw was het de absolute trouw aan
de gestorven keizer die hen ertoe
aanzette na zijn overlijden seppuku
te plegen. Barthes neemt in zij
tekst over Japan twee foto's op, van
de generaal en zijn vrouw. Hoewel
het hem om de ogenschijnlijke
onverstoorbaarheid van hun gezichten
gaat, wijst hij op uiterst pregnante
wijze op de gewelddadige grondslag
van de ethiek. Na een uitweiding
over hun 'gelaatstrekken', schrijft
hij: "Net als voor de acteur in
travestie is er geen enkel adjectief
mogelijk, is het predicaat
ontslagen, niet door de plechtigheid
van de nabije dood, maar omgekeerd
door de ontheffing van de zin van de
Dood, van de Dood als zin. Generaal
Nogi's vrouw heeft besloten dat de
Dood de zin was, dat beide elkaar
tegelijkertijd opzegden en dat je er
dus niet over moest spreken, al was
het maar met je gezicht". (Barthes,
1987: 101). Zo vindt de giri zijn
raison d'être en ultieme vorm in de
seppuku. In tegenstelling tot Kants
bewering dat zelfmoord slechts een
psychologische vraag opwerpt, blijkt
deze in Japan de ethiek te schragen.
[7] De offerdood is dus geenszins
een ontkenning, maar veeleer een
bewijs van de ethische gemeenschap.
Misschien heeft de christelijke
samenleving dit inzicht juist door
het primaat van een transcendente
God vanaf haar oorsprong, dat immers
de offerdood van Christus was,
verdrongen.
d. Doodsverlangen en leegte
Maar de keizer is dood. In het
hedendaagse, moderne Japan zijn
ouders, leraren, directeuren en
politici object van on en giri.
Hoewel seppuku sinds 1870 formeel
verboden is (Seward 1968: 95-6;
Nitobe 1969: 111-125), is de
positieve waardering ervan nog
aanzienlijk. Weinigen snijden nog
hun onderbuik open ten overstaan van
de groep de schrijver Yukio Mishima
was in 1970 de laatste beroemdheid,
maar het idee van de zelfmoord
verplicht nog steeds. Het omgekeerde
is ook het geval: als zelfmoord
uitblijft, slaat dit als negatief
oordeel terug op de waardering van
de persoon in kwestie.
[8] Schuilt achter deze positieve
waardering wellicht een collectief
doodsverlangen? De Japanse
literatuur getuigt voortdurend van
een 'doodsverlangen'. Niet alleen
bij de geëxalteerde Mishima, maar
ook bij de bedaarde Tanizaki komt
het terug, als hij in een van zijn
romans, sprekend over zij jeugd,
verzucht: "Waarom is hij nu
verdwenen, die wereld? Is dat
misschien wat men bedoelt met de
dood?". Japanse wetenschappers
hanteren natuurlijk ook westerse
modellen om dit aspect van het
doodsbesef te 'verklaren'. Zo moet
de sleutel van zowel dit verlangen
en als de on volgens sommige
psychiaters gezocht worden in de
eerste zes levensjaren, waarin de
moeder zich volledig voor het kind
opoffert, de vader nagenoeg afwezig
is en Freuds Oedipuscomplex zich dus
niet kan ontwikkelen.(Doi 1971) Het
Überich, in de gedaante van het
geweten blijft uit.(Pinguet 1984:
51-7) Het verlangen naar deze 'reële
orde', zoals Lacan haar noemde,
heeft zich duurzaam in de Japanse
ziel genesteld. Maar zelfs als we
deze Westerse verklaring accepteren
blijkt het doodsbesef een nog
integraler bestanddeel van de
Japanse cultuur uit te maken.
Uitspattingen in het bordeel en de
kroeg zijn er zelfs op terug te
voeren. De dronkenschap wordt door
zeer vele mannen dagelijks aan het
eind van een zeer lange werkdag
gezocht. In dit momentane
zelfverlies is nagenoeg alles
toegestaan en niemand wordt achteraf
een verwijt gemaakt. Maar het zal
duidelijk zijn dat inzicht in de
Japanse ziel en haar verlangens
verder gaat dan deze psycho
analytische verklaring, die nog
steeds op subjectgerichte opposities
als innerlijk uiterlijk is
gebaseerd. Zodra we het ons bekende
terrein verlaten blijkt een inzicht
in het doodsbesef onvermijdelijk een
kritiek op de vermeende
universaliteit van moderne, Westerse
ervaringcategorieën te impliceren.
Proberen we de positieve ervaring
van de dood van binnenuit te
begrijpen, dan blijken opposities
zoals autonoom heteronoom,
individueel sociaal, innerlijkheid
uiterlijkheid en uiteindelijk
wellicht die tussen het iets en het
niets of de leegte, zo bepalend voor
het Westerse denken vanaf Parmenides
uiteen te vallen. Waar wij,
westerlingen, als we bij onszelf te
rade gaan, een individuele geweten
vinden, daar schouwt de oosterling
wellicht in een immense leegte: een
niemandsland tussen allerlei
groepsbepaalde verplichtingszones.
De tweedeling individueel collectief
die steeds in onze analyses
voorondersteld wordt, blijkt nu een
methodische vooronderstelling te
zijn die meer zegt over de blik
waarmee dan over de ervaringswereld
waarnaar wordt gekeken.
1 Literatuuropgave
- Roland Barthes, L'empire des
signes. Editions du Seuil, Parijs
1970. Ned. vert. Het rijk der
tekens. 1001, Amsterdam 1987.
- Ian Buruma, De Spiegel van de
Zonnegodin. Arbeiderspers, Amsterdam
1984.
- Dante Alighieri, Divina Commedia.
I. Inferno, Canto XIII. Ned. vert.:
Frederica Bremer, Tjeenk Willink
& Zoon, Haarlem 19504.
- Doi Takeo, The Anatomy of
Dependence. Tokyo 1971.
- Immanuel Kant, Grundlegung der
Metaphysik der Sitten. VII. Werke in
zwölf Bänden, Wilhelm Weischedel
(Hrg.), Suhrkamp, Frankfurt a/M.
1974.
- Immanuel Kant, "Anthropologie.
Didaktik. Vom Begehrungsvermögen",
B214/A214. In: Schriften zur
Anthropologie,
Geschichtsphilosophie, Politik und
Pädagogik 2. XII, o.c.
- Immanuel Kant, "Beantwortung der
Frage: Was ist Aufklärung?", in:
Anthropologie,
Geschichtsphilosophie, Politik und
Pädagogie 1. XI, o.c.
- Immanuel Kant, Kritik der
Urteilskraft. X, o.c.
- Inazo Nitobe, Bushido. The Soul of
Japan. Tuttle, Rutland/Vermont &
Tokyo 1969.
- Maurice Pinguet, La mort
volontaire au Japon. NRF Gallimard,
Parijs 1984.
- Jack Seward, Harakiri. Japanese
Ritual Suicide. Tut Books,
Rutland/Vermont & Tokyo 1968.
- Daizetz T. Suzuki, Zen and
Japanese Culture. Bollingen Series,
Princeton 1959.
[1] Er bestaan verschillende vormen:
de jisai, de individuele zelfmoord
als zoenoffer om een
verplichtingsconflikt op te lossen,
de junshi waarbij de vazal zijn
meester in de dood volgt. De shinju
is de volkse vorm: twee geliefden,
door de klassenscheiding
uiteengedreven, verkiezen de
gezamelijke dood boven een
maatschappelijke verordende
scheiding.
[2] Dante voert de zelfmoordenaars
in de zevende ring van zijn Inferno
op als boomblaadjes de laagste
levensvorm die telkens geplukt
worden. Inhoudsloze vormen, die het
eens zelfgekozen lot nu tot in de
eeuwigheid moeten ondergaan. Zie:
Dante Alighieri 19504: 165. Dante's
boomblaadjes krijgen in Japan een
positieve tegenhanger in de
kersenbloesem, de sakura. De
kersenbloesem is het toonbeeld van
een ethisch/esthetisch leven: een
vluchtige schoonheid die slechts
kortstondig in zijn volheid schijnt.
[3] Volgens de shintoleer leeft de
ziel na de dood voort als kami, als
een goddelijke kracht, die iedere
concrete vorm aan kan nemen. De kami
van de voorvaderen worden ieder jaar
van 13 tot 15 juli op het Bonfeest,
dat allerlei reinigings en
offerrituelen kent, grootschalig
herdacht. Hoewel er in shinto wel
degelijk sprake is van andere
werelden takama no hara (de hemelse
wereld) of homi/tokoyo no kuni
(gindse wereld) zijn deze altijd met
de onze vervlochten. De karmische
noodzakelijkheid, die het opheffen
van het lijden dus het individuele
verlangen of de wil beoogt, en het
overigens uiterst vage idee van een
Nirwana in het boeddhisme ontberen
eveneens iedere morele
overbelasting. Zelfverzaking wordt
een uitdrukking van zuiverheid: de
vorm is alles, de inhoud niets.
Hegeliaans uitgedrukt: de vorm is
inhoud.
[4] Zie: Barthes 1987. Barthes laat
zien hoe in het Bunrakupoppenspel de
opposities binnen buiten, bezield
onbezield ontoereikend tvoor enige
begrip zijn: "wanneer het gaat om de
fundamentele tegenstelling, die van
het bezielde en onbezielde, vervaagt
het Bunrakutheater die, wist hem uit
zonder aan een van beide termen de
voorkeur te geven".(62) En even
verder: "Het Bunrakutheater keert
niet meteen de verhouding zaal
toneel om (...); wat het des te
diepgaander verandert is de
dynamische as die van het personage
naar de acteur loopt en die bij ons
altijd wordt opgevat als de
expressieve uitweg van een
innerlijkheid"(65).
[5] Zie: Ian Buruma 1984. Deze
tegenspraak wordt het duidelijkst
geïllustreerd door de Japanse
kritiek op een documentaire achtig
boek, dat handelt over een in Parijs
woonachtige Japanner, die zijn
kannibalistische aandriften op zijn
nederlandse vriendin uitprobeert.
Niet de onverbloemde verwerking van
het gegeven, maar stilistische
aspecten bleken steen des aanstoots
te zijn. De vader van de
desbetreffende Japanner, een
directeur van een multinational,
bood overigens daags na het voorval
en plein publiek zijn
verontschuldigingen aan en nam
vervolgens ontslag om de schaamte op
te heffen.
[6] In de classificatie van wereldse
relaties ouder kind, man vrouw, heer
vazal biedt alleen de laatste
toegang tot een zuiverder
toekomstige rencarnatie. Seppuku ten
gunste van de vazal junshi situeert
de voltrekker op de grens van drie
levens: het vorige, huidige en
toekomstige.
[7] De in het zenboeddhisme
nagestreefde ascese paart rituele
reiniging aan esthetische
zuiverheid, waarvan het idee van de
leegte, mu shin, niet alleen de
kerngedachte, maar tevens
categorisch imperatief en utopisch
ideaal is. Zie: Suzuki 1959. Suzuki
beschrijft hoe deze fundamentele
gedachte van mu shin zich als
ervaring in allerlei Japanse
culturele praktijken aandient: van
de theeceremonie en de haikutraditie
tot ogenschijnlijk daarmee
onverenigbare martiale kunsten zoals
het boogschieten en het
zwaardvechten: "He (een groot
zwaardmeester: Tajima no kami) says
that the mind that is no mind is the
last stage in the art of swordplay.
'To be of no mind' (mushin) means
the 'everyday mind' (heijo shin),
and when this is attained everything
goes well. (...) When things are
performed in a state of 'no mind'
(mushin) of 'no thougt' (munen),
which means the abscence of all
modes of self or ego consciousness,
the actor is perfectly free from
inhibitions and feels nothing
thwarting his line of
behaviour."(147)
Barthes die Japan bezocht, maar zich
bewust van enige inleving onthield
om Japan als een tekensysteem te
kunnen beschrijven geeft in L'empire
des signes aan hoe onze logica op de
klippen loopt: "Zen voert in zijn
geheel oorlog tegen de verzakingen
van de zin. Zoals bekend doorkruist
het boeddhisme het fatale verloop
van alle positieve (of negatieve)
beweringen met zijn aanbeveling om
nooit verstrikt te raken in de
volgende vier uitspraken: dat is A;
dat is niet A; dat is zowel A als
niet A; dat is noch A noch niet A.
Deze viervoudige mogelijkheid nu
correspondeert met het volmaakte
paradigma zoals de structurele
linguïstiek het heeft
geconstrueerd." (Barthes 1987:75).
[8] Zo werd het gedrag van een
aantal leden van het Japanse
ultralinkse militante Rode Leger,
die door de politie in het nauw
gedreven vijf dagen stand hielden,
achteraf door iedereen afgekeurd.
Niet omdat zij geweld gebruikten of
verkeerde idealen nastreefden, maar
omdat ze zich na de spectaculaire
belegering overgaven. Seppuku lag in
de lijn der verwachting.
|