Tune in deep listening stay connected


bet with android




Rotterdam Culturele Hoofdstad van Europa.


Aan de toekomstige bewoners van de Huisstijl.
Over connecties en trajecten


Henk Oosterling (Centrum voor Filosofie & Kunst Rotterdam)



Enkele vragen

1 Kunnen vele onzichtbare steden verbeeld worden? Dient in deze verbeelding niet tevens het ongehoorde op te klinken?

2 Laat een stad waarvan de primaire dynamische karakteristieken transport, transitie en transformatie zijn, zich wel in een logo visualiseren?

3 Hoe verhouden logo en huisstijl zich tot het concept van een raamvertelling, waarin onzichtbare steden een gezicht en een stem zouden moeten krijgen?

4 Kan een stad zodra deze tot culturele hoofdstad van Europa wordt, wel gerepresenteerd worden door lokale beelden?

5 Denken we nog in termen als representatie, vertegenwoordiging èn voorstelling?

6 Kortom, wat is de beeldende logica van een uitgelezen huisstijl?

Connecties: interactiviteit en entertainment

Rotterdam Culturele Hoofdstad 2001 zou een manifestatie moeten zijn van dat wat zich doorgaans in besloten kring of in niet collectief communiceerbare code's iedere dag in alle lagen van de Rotterdamse bevolking afspeelt: onzichtbare steden als vele verhalen. Deze zouden niet alleen aan het licht treden in het openbare leven van 2001, ze zouden elkaar door de interactiviteit ook moeten versterken om het idee van multicultureel of multietnisch samenleven meer zeggingskracht te geven.

De heterogeniteit van het Rotterdamse samenleven misschien is het beter van nu af aan iedere abstractie af te zweren en niet langer over dé Rotterdamse samenleving maar over daadwerkelijk samenleven te spreken deze heterogeniteit treedt naar voren in openbare manifestaties: festivals. 2001 is vanzelfsprekend meer dan een feestje of een incidentele festiviteit: er valt iets meer te vieren dan knellende sociaaleconomische banden. Het gaat om een dubbelzinnig `entertainment': hoe onderhoudend dit festival ook moge zijn, hoe stichtend en leerzaam het ook moge doorwerken, voor alles dient duidelijk te worden dat entertainment niet alleen bestaande sociale relaties onderhoudt, maar ook een andere betrokkenheid en interesses initieert.

Als er al een identiteit van Rotterdam is, dan manifesteert deze zich als en in allerlei dynamische openbare interacties. Wordt deze dynamiek afgedwongen theoretisch of fysiek dan verdwijnt de heterogeniteit uit beeld en wordt Rotterdam een loze abstractie waarin onzichtbare steden niet meer gereflecteerd worden. Betekent het ontwikkelen van een huisstijl dat deze onzichtbaarheid zo wordt vormgegeven dat 2001 op vele manieren kan worden bewoond? Is de verbeelding de rationale van het huisvestingsbeleid van 2001?

Onzichtbaarheid tonen vereist als visualisering en toonzetting een specifieke ruimte en een geëigende tijd. Kortom: waar en wanneer vindt deze dubbelzinnige vertoning (een) plaats? En: wat is het huis van de stijl? Moet het een open huis zijn waarin iedere relatie kan worden ontvangen? Maar zal de huisstijl evenals Rotterdam zelf gedurende het jaar dan niet aldoor bewoond en verbouwd dienen te worden,omdat alleen de wisselende bewoners de even dynamische als flexible inrichting dienen te bepalen? Alleen dan kunnen immers interactiviteit en het dubbelzinnig `entertainment' tot hun recht komen. De ruimte van de verbeelding wordt dan gevormd door het `inter' dat alle relaties verbindt.

Trajecten: verplaatsen en (een)plaatsvinden

Heeft Rotterdam een afkomst? Heeft de stad een toekomst? Rotterdammers hebben een afkomst en een toekomst. Als er een pregnant beeld is dat Rotterdam bezielt en dat afkomst en toekomst verbindt dan is dat het beeld van de aankomst. Niet door hun afkomst te verloochenen en te vergeten worden vreemdelingen Rotterdammer, maar door met verhalen de stad te bewonen. De stad wordt zo een onderkomen voor vele verhalen. Ze blijft daarmee naar de wereld openstaan. Door deze openheid worden verhalen van een herkomst contouren voor met anderen gedeelde toekomstige verhalen.

Vertellen als (een) plaats vinden van connecties is tevens een mededelen. Een verhaal is altijd een mededelen: een mededeling als een traject in de tijd. Hoewel verhalen (hun) plaats vinden in het heden, verplaatsen ze luisteraars en vertellers naar andere tijden en andere plaatsen. Verhalen zijn ruimtelijke en tijdelijke trajecten. Op deze trajecten wordt niet alleen het spanningveld tussen lokale en het globale, maar ook dat tussen het verleden en de heden doorkruist. RCH 2001 kan als accumulator en katalysator voor mededelingen werken. Daartoe is echter openbare ruimte en vrije tijd vereist. Alleen daarbinnen werkt entertainment.

Ieder mededeling is een verplaatsing, iedere verplaatsing draagt in zich een gezamenlijk traject. Elkaar kruisende trajecten vormen geleidelijk aan knooppunten die de wereld reflecteren. Zoals de dam ooit een verzamelplaats was, zo worden deze knooppunten lokale overslagplaatsen van sociaaleconomische relaties en culturele betekenissen. Deze knooppunten representeren de stad echter niet, zij functioneren als presenties van diversiteit en heterogeniteit die als stad worden verzameld.

Het centrumperiferie model blijkt ontoereikend om deze diversiteit van connecties en interacties te verhelderen. Marginaliteit is een kenmerk van onzichtbaarheid: als de stad in de vrije tijd doorwerkt, vindt zij ook in de marge (haar) plaats. Zodra trajecten elkaar kruisen ontstaan er plaatsen van samenkomst en samenscholing. Vanzelfsprekende mededelingen zijn soms ongehoord. Maar wat de aard van een verplaatsing ook moge zijn, ze vormt een onmiskenbaar deel van de stad als verzameling van trajecten.

Enkele mededelingen

  1. Een huisstijl werkt met reeds gegeven beelden, hoe ongehoord of vanzelfsprekend ook, die tot ieders verbeelding spreken. De interactie van de beelden zetten de toon voor nieuwe trajecten die door de bewoners van de verhalen ingeslagen worden. Via beelden die verhalen vormen gaan de bewoners andere connecties aan.

  2. De dynamiek van de stad reflecteert zich in een stijl die niet alleen op, maar ook in het transformatieproces zelf betrokken is. Het logo is een lege matrix die voortdurend andere inhouden kan absorberen en doorgeven. Dit transformatief absorptievermogen vormt de aantrekkingskracht van stijl en logo.

  3. In het logo als matrix vertellen de verhalen zichzelf. Door de connecties en de gelaagdheid van de beelden wordt de verbeelding verleid tot tussentrajecten. Deze reflecteren de zichtbare dimensie van onzichtbare steden en geven nauwelijks hoorbare verhalen een stem. Een huisstijl voor een raamvertelling is zelf een raamwerk dat meer zicht biedt naarmate er meer interactivitijd (een) plaats vindt.

  4. In de verbeelding komen afkomst en toekomst samen. Niet door beide eenduidig te representeren, maar door de connecties en trajecten die zij openen aan te bieden. De dynamische spanning tussen het lokale en het globale is daarbij het oriëntatiepunt bij uitstek. Dé stad blijkt telkens een tijdruimtelijke verdichting in dit spanningveld.

  5. Huisstijl en logo representeren niemand. Zij faciliteren presenties. Zij zijn geen voorstelling van een alles overkoepelend verhaal, maar doen voorstellen tot nieuwe verhalen. Iedere ogenschijnlijke representatie is in werkelijkheid een presentatie en presentie van diversiteit en heterogeniteit.

  6. Misschien draait het om die vergeten betekenis van het begrip `logo(s)' en `logica': verzamelen en lezen. Als dit aandachtig samenbrengen de radiante kern van een huisstijl is, dan verzamelt deze op een open en uitnodigende manier dynamische openbaarheid in en rond zich. Een huisstijl laat zich bewonen, biedt huisvesting, verzamelt socialiteit zonder daar vorm of richting aan te geven. Logo en huisstijl reflecteren het kernthema: hoe een eenduidige identiteit dé stad, dé Rotterdammer altijd eerst een uiterlijke verzamelplaats is van verhalen. Deze kunnen natuurlijk afzonderlijk worden gelezen, maar iedere lezing neemt onvermijdelijk andere verhalen in zich op en verbindt zo ongemerkt de verteller met andere vertellers. Ook al heeft ieder verhaal een object en is er altijd een verteller als subject, het verhaal werkt uiteindelijk slechts als traject.

HETEROGEEN BOUWEN

Bij het afscheid van Bert van Meggelen Beste Bert, het kan raar lopen. Ik ken je nauwelijks twee dagen en nu moet ik al weer afscheid nemen. Maarten Struijs vroeg mij in het kader van jouw afscheid een impressie van mijn opvattingen over kritische reflectie nu ten gehore te brengen. Nu, dat wil zeggen tussen 1998 en 2001. Is kritische reflectie op het bouwen nog mogelijk en zo ja, wat houdt dat dan in? En hoe onderwijs je dat?

Blijkbaar zit het in de lucht: alleen al dit jaar heb ik twee projecten idealisme gedaan met studenten van de TU Delft en van het Sandberg instituut van de Rietveld academie. We zijn blijkbaar het dolen zat en snakken naar inspiratie. Maarten Struijs vroeg me echter of ik me zou willen oriënteren op de sociale woningbouw in Rotterdam, terugblikkend, zo mogelijk, op ruim 25 jaar Rotterdamse renovatie. Op die grootschalige materiële projectie van een van te voren budgetair en politiek afgebakend visioen.

Kritische reflectie. In 20 minuten. Ooit, even voordat hij hier als jonge veelbelovende, sociaal bewogen en politiek gedreven docent werd aangesteld, kwam Bert van Meggelen terug uit Frankfurt, na bij Jürgen Habermas zijn licht te hebben opgestoken. Bewapend met communicatieve handelingsvaardigheden, bedreven in het stellen van legitimatievragen en geïnspireerd door redelijk beargumenteerde, contra factische visioenen, die smeekten om op hun waarheid, juistheid en waarachtigheid te worden bevraagd.

Het was in dezelfde tijd dat er nog 'denktanks' werden samengesteld, zoals die van militairindustriële eschalons van de Amerikaanse bewapeningsindustrie. Herman Kahn en Anthony Wiener futurologen die deel uitmaakten van zo'n Amerikaanse denktank, hadden ook een visioen over het jaar 2000. Hun 'establishment futurologie' is met al die andere futurologieën zoals de Prognostica van Polak hier te lande die de technologische euforie van de jaren zestig heeft voortgebracht, een zachte dood gestorven.

Zoals de denktank van president Rooseveldt ooit een visioen schetste van een naoorlogse tijd, waarin nagenoeg geen enkel civiel vliegtuig voorkwam, zo schetst iedereen zijn eigen tijd vooruit. Met een grove toets doorgaans en vaak met versleten kwasten. Vooruitzien is een kunst. Het vergt naast inventieve extrapolaties en geraffineerde kostenbaten analyses vooral compromisloze verbeeldingskracht. Die kracht was wel te vinden in andere uitgaven van de Paul Brand reeks van Werkgroep 2000, zoals Marcuse's

De eendimensionale mens. Of de programmatische tekst van Feitse Boerwinkel. Met zijn voorstel tot 'inclusief' denken werd toentertijd op z'n minst een toon gezet. Maar de titel van het voorwoord wasemt nog dat typerende onkritischideologische paternalisme uit: "Waarom dit geschrift en voor wie?" En onder het kopje 'waarom' staat dan het volgende: "Van adequaat handelen kan echter pas sprake zijn als er een denken aan ten grondslag ligt, dat mede ontstaan is uit een confrontatie met de werkelijkheid waarin we leven. Daarom beginnen wij (FB dus) met enkele wezenlijke trekken om daarna te zien welke wijze van denken door deze nieuwe tijd wordt geëist. Waarbij ik (ook FB) aanteken dat ik onder 'denken' in dit verband meer versta dan een louter intellectuele activiteit.

Misschien zou daarom het woord 'ethos' beter mijn bedoeling weergeven. Toch laat ik het woord denken staan, omdat het een accent legt op de intellectuele inspanning die wij ons zullen moeten getroosten om boven allerlei vage 'gevoelens' uit te komen." 'Adekwaat' werd toen nog zo geschreven dat de politieke woede via de spelling werd aangewakkerd. Kritische reflectie rond 2000. Reflectie lijkt mij geen probleem. Er is reflectie genoeg. Maar deze kaatst vooral terug van de spiegelgevels van de postmoderne kathedralen, die het geheim van het leven de levensverzekering achter hun zwarte spiegelglas koesteren of van de knisperende beeldschermen van de massa en nieuwe media.

Onze beeldschermcultuur is voor alles reflectie. Dus daaraan is geen gebrek. Maar kritische reflectie? Kritisch ten opzichte waarvan gaat nog. We kunnen overal 'ja,maar' tegen zeggen. Hegel noemt dit een 'bepaalde negatie': hij weerlegt daarmee het scepticisme en het nihilisme. Je kunt immers niet overal een vraagteken bij zetten. Je staat altijd al ergens, stevig verankerd, als een uitroepteken: leunend tegen dit uitroepteken kun je vraagtekens rondslingeren.

Er is altijd een positieve grond vanwaaruit wordt ontkend: "de werkelijkheid waarin we leven" zegt FB, of Habermas Leefwereld, die wel steeds verder wordt gekolonialiseerd. Helaas kennen we de grond onder onze voeten nauwelijks. Goed, kritisch is dus mogelijk. Maar kritisch vanwaaruit? Een visioen is teveel gevraagd. Bovendien moeten we zoals FB stelt boven allerlei vage gevoelens uitkomen, zeker als het om onderwijs gaat. Een expliciete, goed opgepoetste visie is dus onontbeerlijk: alleen daarin kunnen we de samenhang van het bestaan, de leefwereld spiegelen. Een gereflecteerd referentiekader is vereist. Liefst degelijk wetenschappelijk en conceptueel zo onderbouwd, dat dit duidelijk omschreven criteria oplevert die als toetststenen kunnen worden gebruikt om vooraf een ontwerp van een wijk een discursief geschraagd schaalmodel, een intelligente computeranimatie of achteraf een gebouwde wijk gericht te analyseren.

Op grond van deze kritische analyse kunnen vervolgens voorstellen worden geformuleerd ter verbetering van de bestaande situatie en dan trekken we de heipalen weer uit de grond en begint het weer van voren af aan. De kritische analyse kan natuurlijk ook worden gebruikt om de architect in een gerenommeerd vakblad af te branden. Kritische reflectie. Geen open deur, maar toch graag uitzicht. Maar is dat nog mogelijk als de spiegels waarmee we het licht van de geschiedenis opvingen en geconvergeerd op de toekomst richtten, als die spiegels in diggelen zijn gevallen? Waaraan spiegelen we ons nog? Foucault heeft in 1966 "het verdwijnen van de mens" aangekondigd, Lyotard in 1979 de ondergang van de Grote Vertellingen afgekondigd en zelfs Habermas moet in 1985 in zijn geschrift over de nieuwe onoverzichtelijkheid schoorvoetend 'de uitputting van het utopisch potentieel' erkennen.

Het Oostblok en de Muur waren de laatste spiegels die vier jaar later aan diggelen gaan. En toen deze politiek geologische massieven het westerse ideologische licht niet meer als zwarte gaten absorbeerden, trad de ongerichtheid van de westerse gefragmenteerde politieke verbeelding schrijnend aan het licht. Kritisch is een ambivalent begrip. Het heeft een negatieve kant en een positieve kant. Maar hoe je het begrip ook wendt of keert, het begint als we geld en macht even terzijde laten bij een affectief visoen en een esthetische visie. Als we het toespitsen op het bouwen, voor wie bouwen we en waartoe? Niet waarom, zoals FB zich voornam, dat mag duidelijk zijn: mensen moeten een onderdak hebben. Ze moeten beschut en beschermd worden. Maar waartoe?

Ik had me voorgenomen hier met Foucault een kritische noot te kraken. Ik zou dan een verhaal hebben gehouden over openbaarheid en openbare orde en voorbeelden hebben geven van nieuwbouwwijken met verloederde transparante openbare ruimtes. En dan had ik, hoewel gevoelig voor het veiligheidsargument openbare orde en no go areas me afgevraagd of 'kritisch' dan zou kunnen betekenen dat deze inbreuk op een recht op verdwijnen nog architectonisch aan de kaak moet worden gesteld.

Maar ik heb besloten Foucault eruit te laten en een meer Deleuzeaanse optiek te spiegelen. Ik geef toe: het ligt een beetje in de lijn: Ben van Berkel construeert al bewegende bruggen en Lars Spuijbroek bouwt ook vloeibaar. Maar ik ben een simpele filosoof: ik probeer Deleuze te begrijpen in zijn eigen medium om daarna door zijn bril naar de wereld te kijken. Foucault had deze bril al schoongepoetst: wat we plotseling allemaal zagen waren al die marginale groeperingen die daarvoor een onzichtbaar bestaan leidde: buitenlanders, homo's, vrouwen, krakers, junks, zwervers, daklozen. En veel later die altijd aanwezige maar steeds onzichtbaarder groep omdat hun ouders niet langer oud wilden worden: de groep jongeren in alle hiervoor genoemde varianten. Kritische reflectie op sociale woningbouw.

Welke groepen bevolken de wijken? Welke bezetten en doorkruisen, teksten, tekens en tijd consumerend, de openbare ruimten in het centrum? Wat is de grens van deze dynamische openbaarheid? Is het toch weer de openbare orde, zoals recentelijk weer eens bleek toen skaters systematisch van Adriaan Geuzes Schouwburgplein werden geweerd. Schenk ze elders een halfpipe en het probleem lijkt opgelost. Zo wordt een dynamische stad aan het zicht onttrokken die zich voortbewoog op de ambiante sampels van DJ Spooky . Niet voor niets noemt hij zich op zijn laatste cd "spatial engineer of the invisible city": een onzichtbare stad wordt ingevoegd in de stad. Wat is in dit licht socialiteit? Organiseert de openbare ruimte socialiteit of nodigt zij er slechts toe uit?

Is sociale woningbouw gestolde socialiteit: schept zij mogelijkheden tot contact contactiliteit of bevordert ze de collectieve smetvrees en weerhoudt zij grootstedelingen er juist van openbare intimiteit te ontwikkelen? En toegespitst op de wijken: voor wie bouwen we? Natuurlijk ten dele voor de opdrachtgever. Maar als die een visie krijgt voorgeschoteld is die, zolang er binnen de butgetten wordt geviseerd, te overtuigen en kunnen de bewoners via de achterdeur binnenkomen. Maar welke bewoners? De autochtoon, de Turk, de Surinamer, de Tamilstrijder, de junk, de Bosnische Koerd? Het gezin, de alleenstaande weduwe, de autobezitter, de oudere, de jongere, de oude jongere?

Laatst gaf ik een lezing voor PRC Bouwcentrum waarin mij gevraagd werd iets te zeggen over de populatie van bejaardentehuizen in 2010. Want gaat u maar eens na wie u allemaal als makke schapen in het bejaardehok moet drijven: de bewust alleenstaande, ouderen die LAT relaties hebben onderhouden, expliciet homosexuelen, bewuste veganisten, vegetariërs of anders ecogeoriënteerden, allochtone ouderen uit een diversiteit van culturen en etnische groepen, maar ook de verslaafde dopeheads, die met hun verslaving hebben leren leven. En dit is slechts een greep uit de vele leefstijlen.

We kunnen er natuurlijk op gokken dat alle toekomstige ouderen na hun 75ste vervallen tot de oerstaat van de traditionele indolente, incontinente, demente bejaarde, maar inmiddels is in Rotterdam de eerst bejaarde dopepopulatie in het geweer gekomen. Dat maakt het bouwen er niet makkelijker op. Gaat dit beeld op voor de sociale woningbouw? Als we geen homogene rijtjeshuizen meer willen bouwen en als we, vanuit een kritische reflectie, de diversiteit en heterogeniteit of zoals Foucualt en Deleuze zouden stellen: niet de identiteit maar het verschillen recht doen, wat gaan we dan met Hoogvliet en al die naoorlogse getto's doen? Welke visie mobiliseren we? Laat ik het visionaire gehalte van Rotterdam eens peilen en het centrum periferie model gebruiken. Het lijkt erop dat, wil je voor heterogeen bouwen in aanmerking komen, of ontzettend rijk, of ontzettend lastig moet zijn.

De voorwaarde scheppende planologische bouw van Riek Bakker is slechts voor een beperkte groep weggelegd en dan nog blijkt dat de Weena, ondanks het toegegeven deficit, voor bedrijven en in alle staten van paraatheid verkerende regelaarsstellen veel aantrekkelijker is dan de Kop van Zuid. Aan de andere kant toont Maarten Struijs' ontwerp voor woningen voor zwakzinnigen met gedragsstoornissen aan de Wielewaal hoe divers dit soort woningbouw kan zijn. Maar daarvoor moet de toekomstige bewoner als zeer problematisch worden ingeschat. Ziedaar de beide uiteinden van het scala mogelijkheden: aan het ene eind de afwijkende sociale woningbouw bouw op doktersindicatie, zullen we maar zeggen aan het andere eind van het spectrum de infrastructurele architectuur. Daartussen zou zich vanuit een kritisch reflectieve visie een nieuwe sociale woningbouw moeten ontplooien.

Ik weet niet of deze overweging van de afwijking en de overlast de bouw van Jef Reintjens in Tussendijken en Bospolder mogelijk heeft gemaakt, maar dat allochtone medelanders een probleemgroep vormen is door de politiek al lang geleden erkend. Misschien geldt ook ergens nog, hoe lastiger en hoe afwijkender, hoe meer kans er bestaat dat heterogene woningbouw kan worden gerealiseerd. Maar kunnen we van de afwijking een regel maken, dat blijft de vraag. Laten we, om met Foucault te spreken, de rigide norm los en affirmeren we, om met Deleuze te spreken, de beweging? Bouwen we heterogeniteit in het homogene in. Bouwen we, nu de utopie de reflectie niet meer leidt, nog slechts clusters heterotopieën in de hoop dat ze door het openbare leven organisch aan elkaar gekoppeld worden?

Goed, nog eenmaal: kritische reflectie, is dat te onderwijzen? Kan hedentendage een opleiding voor bouwkunst nog een pioniersfunctie vervullen, zoals ze dat ooit dat wil zeggen ruim 25 jaar geleden pretendeerde? Lijkt mij niet. Is het mogelijk nog zo kritischreflexief te bouwen dat louter het bewonen van deze architectuur het zelfbewustzijn van de bewoner structureel verlicht in de tweevoudige betekenis van dit woord? Lijkt me niet. Moeten architecten zich net als de politiek beperken tot het managen van de sociale verworvenheden? Lijkt me niet. (Dat is overigens op zich een nobele taak, maar voor een kritischreflexieve innovatie toch de dood in de pot) Kunnen in budgetair krappe postmoderne tijden, waarin de politiek hoogstens door zijn visionaire bevlogenheid van weleer wordt bespookt, kunnen toekomstige bouwers zich daarin nog een visie eigen maken? Lijkt me wel. Hoewel verbeeldingskracht niet onderwezen kan worden, is het wel noodzakelijk plaats ervoor in te ruimen.

Een visie onderhouden kost tijd, er een uitvoeren kost bakken met geld. Maar een opleidingsinstituut dat steeds meer moet beknibbelen kan zich uiteindelijk geen visie meer veroorloven. De ontwikkeling van de verbeeldingskracht neemt nu eenmaal tijd en ruimte in en in die zin dus stagnerend werkt. Een laatste woord over deze verbeeldingskracht. In de nieuwe spelling wordt 'stedebouw' geschreven als 'stedenbouw'. Daar is natuurlijk tegen geprotesteerd: één stad vond men meer dan genoeg om van 'stedebouw' te kunnen spreken. Maar toch is 'stedenbouw' een adequatere term. Een stad is minstens twee, maar doorgaans meer.

Ook al tonen de bouwplannen één stad of stadswijk, zodra deze is gebouwd, zijn het er al twee en zodra de eerste bewoners erin trekken zijn het er, voor je het doorhebt, al vele. Om DJ Spooky aan te halen: iedere architectect is dus ook 'a spatial engineer of the invisible city'. Foucault heeft fictie in postmoderne tijden ooit als volgt omschreven: het gaat er bij ficte niet om het onzichtbare zichtbaar te maken (dat is nog een modern utopisch project: de verwerkelijking van het ideaal) Het gaat er om te laten zien hoe onzichtbaar de onzichtbaarheid van het zichtbare is.

Fictie is noodzakelijk om de blik voor de gelaagdheid en heterogeniteit te openen. De utopische visie leidt de kritische reflectie niet langer. Maar we moeten niet vergeten dat utopie oorspronkelijk twee betekenissen heeft: eutopie, de goede plaats, en outopie of atopie, de nietplaats. Ook al is het utopisch potentieel uitgeput, het atopisch en heterotopisch bassin staat op overlopen. De kleine verhalen klinken op elke straathoek op. Straatkranten staan er vol mee. Op de postideologische, utopische ontreddering volgt de bevrijding van een atopische verbeeldingskracht. Daarin gaat het niet om de plaats, maar om verplaatsing en om plaatsvinden. Bert van Meggelens uitgangspunt is pure fictie: Italo Calvino's boek. Vanuit deze atopische visie hoopt hij en ik hoop het met hem dat Rotterdam in 2001 als culturele hoofdstad zal plaatsvinden. DJ Bert gaat voor 2001 onzichtbare steden sampelen. Ik wens hem daarbij veel sterkte en visie.