Een veel gehoorde kritiek op met name het werk
van Philip Glass en Michael Nyman betreft hun knieval voor de
populaire muziek. Het met Paul Simon, Suzanne Vega en andere
popcorifeeën gemaakte Songs from Liquid Days, waarvan
Glass zelf meent dat "het meer dan op een verzameling
onsamenhangende popsongs op een traditionele symfonische
gezangencyclus lijkt"(202), is daarbij vooral de steen des
aanstoots. Zo wordt ook Michael Nymans samenwerking met Peter
Greenaway, voor wiens films hij naast Wim Mertens muziek
componeert, gezien als een poging om zijn composities op
onoorbare wijze een artistieke meerwaarde te geven. Achter
deze kritiek schuilt echter een normatief onderscheid dat
bepalend is geweest voor een waardering van de moderne muziek,
namelijk dat tussen avantgardistische en kitsch,
respectievelijk kritischeklassieke en populaire muziek.
Evenals de avantgarde van de beeldende kunst wordt de nieuwe
muziek van met name Schönberg een kritische functie
toebedeeld: zij zou de vervreemding die eigen is aan de
kapitalistische, burgerlijke samenleving aan de kaak moeten
stellen. Zijn atonale muziek weerspiegelt zich in de
toenemende abstractie in de beeldende kunst. Het kunstwerk
wordt autonoom. Het stelt geen werkelijkheid buiten zichzelf
voor, maar doet een voorstel tot werkelijkheid. Het
representeert niets, maar stelt zichzelf present. Aan de brute
ontkenning van de 'goede smaak' en aan de bruuskering van het
'schone', kortom aan het shockeren van het ingeslapen
burgerdom van wie zij aandacht en openheid eiste, ontleende de
avantgarde haar bestaansrecht. In die zin gaat haar
werkzaamheid eerder terug op de door Kant in zijn Kritik
der Urteilskraft geanalyseerde verontrustende ervaring
van het verhevene of sublieme dan op het harmonische
smaakoordeel van het schone. De ervaring van het verhevene
wordt namelijk door zijn overweldigende massiviteit en kracht
gekenmerkt door een dubbele aandoening van onlust en lust.
Haar aanblik verontrust individuen, maar stimuleert hen
tegelijkertijd tot een grotere verbeelding dan het bestaande.
Het betreft hier dus een moderne, ontmythologiseerde en
geseculariseerde vorm van dat wat we in archaische tijden als
de sacrale huiver zouden kenschetsen. Het schone is
daarentegen een typisch burgerlijk produkt dat door haar
harmonieuze representatie van de wereld de bestaande
verhoudingen intact laat en het lijden maskeert.
I.
Ik zal de vraag opwerpen of minimal music nog in
avantgardistische categorieën en dus in termen van het
sublieme vanuit de oppositie klassiekpopulair te waarderen is
of dat zij juist haar kracht ontleent aan de ontwrichting van
deze modernistische tegenstelling. Als dit laatste het geval
is, betekent dit, dat termen als 'vervreemding' en
'bevrijding' eveneens tekort schieten om de werkzaamheid van
deze muziek te verhelderen. De centrale term in mijn betoog is
daarbij 'gebeuren' of 'happening', die merkwaardige toverterm
die de zieltogende avantgarde in de vijftiger jaren uitvindt
om in een poging zichzelf nog eenmaal te reanimeren de
materialiteit van het gebeuren zelf centraal te stellen. In
zijn voorwoord bij Philip Glass zijn muzikale autobiografie
schrijft Robert T. Jones: "Geen enkele componist heeft deze
nieuwe muziek uitgevonden. Het was een uitbarsting van de
tijd, een onvermijdelijkheid. It happened"(xiii). Daarmee
doelt hij niet zozeer op de genoemde artistieke manifestaties
als wel op de ondoorzichtige ontstaangeschiedenis van de
minimal music in een periode waarin alle vaststaande waarden
op drift raken. De muziekhistorische uiteenzetting van zoëven
suggereert dat werk van componisten als La Monte Young, Terry
Riley, Steve Reich en Philip Glass als een kritiek kan worden
opgevat op de seriële en postseriële muziek, die nog steeds
uitingen van het modernisme zijn. Zijn hun werken nu, zoals
Wim Mertens dit in zijn boek De Amerikaanse repetitieve
muziek. In het perspectief van de westeuropese
muziekevolutie (Vergaelen, Bierbeek, 1980) voorstelt,
juist door deze kritische positie nog modern of tekenen ze
zich af tegen een andere houding, die we gemakshalve voorlopig
even postmodern noemen? Voor de bantwoording van deze vraag
hanteer ik steeds drie perspectieven die voortdurend in elkaar
overgaan: een cultuurhistorisch, een musicologischkritisch en
een iets moeilijker te categoriseren perspectief dat ik in
alle voorlopigheid 'fysiologisch' of 'materieel' wil noemen.
Mijn uiteenzetting zal erop gericht zijn dit laatste
perspectief iets nader uit te werken en precies daar de waarde
van de minimal music te traceren. Tenslotte zal getracht
worden dit in termen van Kants verhevene te vertalen, waarbij
ik een beroep doe op de kunstfilosofische analyses van
Jean-François Lyotard omtrent de 'postmoderne' aard van het
sublieme.
1 Gemeenschapszin versus technologie?
Laat ik simpel beginnen: wat is minimal music? Het eerste dat
direkt in het oog springt, is de terminologische verwantschap
met een stroming in de beeldende kunst die tegelijkertijd, dat
wil zeggen aan het begin van de zestiger jaren, opkomt:
evenals in de 'minimal art' van Sol LeWit wordt met een
beperkt aantal basiselementen het proces van het musiceren
zelf benadrukt. Herhaling en stapeling zijn de leidende
principes. Terry Rileys In C in wellicht de eerste
toepassing van deze principes. Toch schiet de term 'minimal'
om twee redenen tekort. Allereerst zijn dit soort composities
immers al veel eerder in de muziekgeschiedenis op te sporen.
De Bolero van Ravel, waaraan iedere ontwikkeling
ontbreekt, is daarvan het meest uitgesproken voorbeeld. Maar
dat waarvoor Ravel zich zijn leven lang schaamde, wordt
methodisch uitgangspunt bij de minimalisten. Toch blijkt met
name door hun al snel in complexiteit toenemende composities
deze term ook van binnenuit te worden uitgehold. Het voorstel
van theoretici als Wim Mertens om hen als 'repetitieven' te
classificeren biedt evenmin uitkomst. John Schaefer merkt
terecht op dat "minimalisme vaak gebruikt is om repetitieve
muziek te kwalificeren, maar muziek heeft eigenlijk altijd in
enige vorm van herhaling gebruikt gemaakt." Erik Satie's Vexations
zou dan eveneens in de categorie repetitieve muziek vallen.
Maar dat wat in diens oeuvre een incident is, wordt bij de
genoemde componisten een grondprincipe. Als noch het minimale
noch het repetitieve doorslaggevend zijn, wat is dan het
cluster van specifieke kenmerken waar minimalisme en herhaling
zich in voegen? Allereerst valt op dat zij meer dan hun
voorgangers gefascineerd zijn door wat 'psychoakoestische
effecten' worden genoemd. Op haast methodische wijze wordt
getracht een muzikale ervaring op te roepen die zo
ondoorzichtig en indringend tegelijk is dat de toehoorders in
dubbel opzicht fysiek 'beroerd' worden. Evenals hun beeldende
kunstbroeders gaat de aandacht van de minimalisten uit naar
het proces: naar de compositie als gebeuren, als happening,
performance of Aktion. Indirekt schuilt daarin een laten we
zeggen: esoterische behoefte om spelers en publiek uit te
leveren aan een collectieve ervaring die hun individuele
bewustzijn overstijgt. Merkwaardig genoeg is deze drang, die
bij La Monte Young en Riley tot een haast mystieke dimensie
uitgroeit, gekoppeld aan een fascinatie door de technologie.
Met name Riley en Reich zijn hun carriere als minimalisten
begonnen met manipulaties van tapes. Bij Reich mondt dit uit
in phaseshifting, waarbij twee gelijklopende tapes onmerkbaar
langzaam uit elkaar gaan lopen. Dat stond Reich voor ogen in Slow
Motion Sound uit 1967. Wat hij wilde bereiken kan met
een visuele metafoor worden uitgedrukt: het uitrekken van een
filmshot van een vingerknip tot een uur. Daarbij voltrekt zich
de verandering zo langzaam dat deze nauwelijks waarneembaar
is. Bij Riley wordt dit tapelooping, waarbij feed wordt
gemanipuleerd. Deze tapemanipulatie wordt al snel tot
performance.(Schaefer, 53) Het publiek wordt aan graduele
mutaties blootgesteld die ze in eerste instantie niet
waarneemt, maar warvan ze wel de werking ondergaat.
2 Happening of totaaltheater: muziek, theater
(film) en dans
Het gebeuren van de muziek is het eerste onderscheidende
kenmerk. Zo krijgt in de minimal Music een tegencultuur
gestalte, waarin traditionele scheidslijnen tussen
afzonderlijke kunstpraktijken radicaal doorbroken worden. Het
overschrijdende principe van de happenings van John Cage
waaraan naast de schilder Rauschenberg tevens de danser
Cunningham deelneemt, wordt overgenomen. Ook diens
belangstelling voor oosterse ideeën en praktijken vinden we
terug in de gerichtheid op voor nietwesterse muzikale en
ritimische patronen, wat wellicht tevens hun belangstelling
voor de jazz verklaart. Riley werkt met Coltrane, Cherry en
Konitz. La Monte Young componeert met Chet Baker filmmuziek.
Meer dan Boulez en de serialisten zijn de inspiratiebronnen
voor de jonge Philip Glass Earle Brown en Morton Feldman. Hij
heeft daarnaast veel contacten met beeldende kunstenaars als
Sol LeWitt en Richard Serra. Riley en Young werken samen met
de choreografe Ann Halpin. Glass is gek van theater. Tijdens
zijn verblijf in Parijs in de zestiger jaren, wanneer hij bij
Nadia Boulanger compositie studeert, is hij meer gericht op
het theater en op films van Godard en Truffaut dan op de
gevierde Boulez. In zijn autobiografie beweert hij: "Beginnend
met dat werk van Beckett in Parijs in 1965 begon ik mij te
bewegen in een waarlijk eigentijdse manier van denken over
muziek en theater. Ik begon in te zien dat kunstinhoud
samenhing met onze relatie ermee, een idee dat mij een basis
gaf voor een echt moderne, of misschien wel postmoderne
esthetica. Bovendien was het een esthetica die, op
bevredigende wijze, artiesten uit alle gebieden met het
hedendaagse denken verbond, of het nu filosofie, wetenschap of
psychologie betrof"(37). Dit dramatische aspect, dat ook in
het performances karakter van zijn werk tot uitdrukking komt Music
in the form of a square, gebaseerd op Saties Music
in the form of a pear, is zo'n voorbeeld van een
muzikale performance vergemakkelijkt een integratie van zijn
werk in andere kunstpraktijken. Wat nagestreefd wordt, is
echter geen synthese van verschillende kunstmedia, maar de
spanningsvolle relatie ertuusen. En het is precies deze
openheid waardoor toeschouwers actief bij het gebeuren worden
betrokken. Het laat hem in deze tussenruimte, deze nietplaats
of atopie iets ontdekken dat niet in de compositie is gelegd.
De samenwerking met Robert Wilson die in de opera Einstein
on the Beach uitmondde, is voor Glass het voorlopige
culminatiepunt van een poging geluid en beelding naast elkaar
te zetten zonder dat ze in elkaar overgaan. De snelheid van de
muziek en de traagheid van de beelden creëren in deze opera
een vreemdsoortige spanning. De solfège en het zingen van
nummers in plaats van teksten benadrukt het
nietrepresentatieve karakter van de muziek. In The
Photographer(1982), gebaseerd op het leven van de 19e
eeuwse fotograaf Eadweard Muybridge wordt het maken,
ontwikkelen en projecteren van foto's, kortom het hele proces
van de fotografie in de drie acten verwerkt, waarin tevens
dans is verwerkt. Zijn bemoeienis met het filmmedium zet door
in Mishima en in meest pregnante zin in het met
Godfrey Reggio gemaakte Koyaanisqatsi (198183), een,
zoals hij zelf zegt "beschouwing over de natuur, technologie
en het hedendaagse leven"(203).
3 Van avantgarde naar Underground
Uit dit alles mag blijken dat er door het vanuit de
benadrukking van het proces ontstane performancekarakter geen
sprake meer is van een gescheiden muziekpraktijk. Bovendien
worden allerlei nieuwe ontwikkelingen in deze muziek
geintegreerd, waardoor er zich een merkwaardige
dubbelfascinatie aandient: zowel voor een mystieke ervaring
als voor electronische procede's. Terwijl technologie door
vele avantgardisten wordt gezien als een van de oorzaken van
artistieke en esthetische corruptie, proberen de minimalisten
tegelijkertijd met Warhole de mechanismen van de
consumptiemaatschappij te bevestigen. De afwijzing van de
technologie overtroeven zij met een volledige affirmatie. Door
een radicale toepassing wordt een nieuwe muzikale ruimte
geopend. In die zin wordt bij de minimalisten de grondslag van
de pop en rockmuziek met de klassieke muziek verweven. Evenals
bij beeldende minimalisten als Sol LeWit wordt, in de woorden
van Edward LucieSmith, de avantgarde tot underground: "de
underground kunstenaar verschilt van zijn voorgangers van de
avantgarde door te geloven dat hij zo duurzaam vervreemd is,
dat er nauwelijks meer iets aan kan worden gedaan. De enige
oplossing die hij biedt is een utopische. Intussen trekt hij
zich terug in het bastion van de kunst, die alleen nog over
kunst gaat"(12). Deze hyperreflexiviteit is kenmerkend voor
onze postmoderne gesteldheid. Maar daarbij mogen we sde andere
kant van de medaille niet uit het oog verliezen: de
esoterische behoefte om de muziek tot een gemeenschappelijke
ervaring te maken. Het utopische element is precies dit
esoterische, wat later in de New Age muziek met haar
benadrukking van meditatieve en therapeutische kracht van de
muziek zijn erfgenaam zal vinden. Toch lijkt de New Age muziek
precies de kracht van de minimal music te verliezen, die
gelegen is in de fysieke verontrusting dioe zij op wil roepen.
Terwijl de minimal music door de affirmatie van de de
technologie elke vorm van nostalgie pareert, keert dit in de
New Age muziek in het verlangen naar harmonie en rust terug.
Reden voor vele kritici om, zo we ons tot de tegenstelling
progressiefreactionair zouden beperken, deze huidige erfgenaam
van de minimal music als reactionair aan te merken. New Age
zou de metafysica weer nieuw leven inblazen. Haar
synthetiserende werking zou, als we het echt kwaadwillend
zouden stellen, een poging zijn om het nietwesterse
fundamentalisme te pareren en de dialectische synthese van de
19e eeuwse symfonische muziek in gemaskeerde vorm te
herstellen. Door repetitieve elementen over te nemen en een
ervaring van tijd en subjectloosheid te viseren lijkt ze
weliswaar iedere vorm van dialectische ontwikkeling te
vermijden, maar door de louterende en bevrijdende werking van
de muziek te benadrukken herstelt ze een belangrijk
dialectisch pricipe dat juist in de 19e eeuwse esthetica zo op
de voorgrond trad. Teruggrijpend op Aristoteles hebben 19e
eeuwse denkers als Schopenhauer en in zijn voetsporen Freud
erop gewezen dat ondragelijke aandriften afgevoerd konden
worden door de muziek. Maar met name Nietzsche kritiseerde
deze dialectische opvatting van Schopenhauer en benadrukte de
mogelijkheid van de muziek om de dissonantie van het leven
niet op te lossen maar te toonzetten en zo dragelijk te maken.
Muziek is geen therapie, maar een esthetische rechtvaardiging
van de wereld. Zij herstelt geen harmonie, maar installeert de
disso nantie. Of in Kants termen: niet het schone maar het
sublieme element wordt in de muziek gerealiseerd. Minimal
music lijkt mij in die zin eerder Nietzscheaans dan Kantiaans.
Dit komt ook naar voren in het belang dat aan de
lichamelijke affecten wordt gehecht. Zoals gezegd zijn La
Monte Young, Reich, Riley en Glass ieder op hun eigen manier
geïnteresseerd in de psychoakoestische werking en de
fysiologische aspecten van zowel de produktie als de
consumptie van hun werk als een proces. Geheel in
overeenstemming met de performancecultus van de laatvijftiger
en zestiger jaren worden zij naast componist tevens uitvoerder
van hun eigen muziek. Daarmee komen ze tegemoet aan de eis van
een zieltogende avantgarde om een laatste poging te doen de
kloof tussen leven en kunst het spanningveld waarbinnen de
avantgarde praktijken zich hebben kunnen voordoen te dichten.
Nu alle middelen zijn uitgeput komt het lichaam als
materialiteit in het centrum van de belangstelling. Joseph
Beuys gaat daarvoor samen met een coyote in een kooi zitten,
Chris Burdon laat zich in zijn arm schieten, de Wiener
Aktionist Herman Nitsch giet darmen en bloed over vrijende
paren heen, Gina Pane kruipt naakt over glasscherven en Steve
Reich voert met zijn ensemble urenlange stukken uit, waaraan
iedere ontwikkeling vreemd is en slechts de intensiteit door
phaseshifting alsmaar wordt vergroot. De term 'ritueel' valt
zelfs expliciet als Reich in zijn Writings about Music
(1974) beweert, dat "we, terwijl we graduele muzikale
processen uitvoeren en beluisteren, kunnen deelnemen aan een
echt bevrijdend en onpersoonlijk soort ritueel"(11). De term
'bevrijdend' wijst nog op de modernistische intentie om de
vervreemding die een technologisch maatschappij als de onze nu
eenmaal met zich meebrengt teniet te doen. Dat deelt Reich in
ieder geval nog met Schönberg die meende met zijn muziek een
kritiek op deze vervreemdende burgerlijke samenleving te
kunnen uitoefenen. Maar door zijn integratie van de
electronica in zijn werk en de benadrukking van de
fysiologische werking van het muzikale proces kan hij niet
meer als voortzetter van de avantgardetraditie worden gezien.
4 Fysiologisch perspectief: hypnose en extase
De avantgarde wordt Underground. De ondermijning van de
burgerlijke orde, waar zij nog steeds een deel van is, gaat
over in het scheppen van een tegencultuur. Bevrijding lijkt,
zoals het in de zestiger jaren elders in de samenleving ook
wordt gezien, zich primair lichamelijk te uiten en met lust en
onlust samen te hangen. Technisch gezien wordt deze
inderingende werking op het lichaam bewerkstelligt door het
electronisch versterkte pulserende karakter van de
composities: "de puls", meent Reich, "en het concept van een
helder tonaal centrum zullen opnieuw verschijnen als de basis
elementen van nieuwe muziek"(28). Deze puls laat zich door de
explosieve ontwikkelingen op electronicagebied steeds beter
manipuleren. Door deze electronische 'pulse', die bij Glass in
de gedaante van electronisch versterkte blaasinstrumenten een
enorme impact krijgt en zeker in de middenwerken haast zijn
signatuur lijkt te zijn, door deze stuwende cadans appelleert
minimal music aan iets in ons lichaam. Kan de New Age muziek
van Brian Eno aangewezen worden als de erfgenaam van het
esoterische of meditatieftherapeutische aspect van de minimal
music, in de Disco en de huidige Housemuziek lijkt deze
pulserende dimensie haar populaire nazaten te vinden. Deze
stuwende ervaring, roept, zouden we er metaforisch over willen
spreken, het beeld van een voorbij denderende stoomtrein op.
Dat zou dan tevens verklaren waarom de trein bij de
verschillende minimalisten onvermijdelijk in hun oeuvre
opduikt. Dit is niet zo verwonderlijk, want zonder dat we dit
wellicht beseffen heeft deze pneumatische verbeelding vanaf
het midden van de vorige eeuw ons begrip van onze innerlijke
wereld beheerst. Van de populaire uitdrukking "even stoom
afblazen" tot de grondprincipes van Freuds metapsychologische
overwegingen wordt het beeld van een stoomketel opgeroepen. En
het zijn de vroege filmmakers geweest die zich op hun beurt
door deze pneumatische verbeelding hebben laten inspireren om
het moment suprème van nietoorbare sexuele handelingen met een
gerust geweten aan hun publiek te communiceren. Deze
pulserende werking appelleert blijkbaar aan een libidineuze
dynamiek die, zo we er maar lang genoeg aan worden
blootgesteld, onafwendbaar een fysieke reactie oproept.
Sommige theoretici zoals Mertens die overigens ook componist
en uitvoerder van munimal music is schrikken er niet voor
terug om deze ervaring nu eens als "staat van onschuld,
hypnotisch, religieus" dan weer als "gecamoufleerd
erotisch"(156/7) te beschrijven. Aanvankelijk lijkt deze
beschrijving nogal overtrokken. Toch beperkt zij zich niet tot
de theoretische verbeeldingskracht van Mertens. Zo getuigt(!)
de fluitist Ransom Wilson, een fanatieke vertolker van het
werk van Jean Pierre Rampal, eveneens in dergelijke termen van
zijn, we mogen wel zeggen: bekering tot de minimal music
tijdens de opvoering van de opera Einstein on the Beach
van Glass en Robert Wilson. Nadat hij enkele malen de
onstuitbare behoefte om getergd weg te lopen heeft kunnen
weerstaan wat hem overigens vergemakkelijkt werd door de
volstrekte afwezigheid van enige pauze in dit uren durende
spektakel "realiseerde ik me dat ik plotseling door de muziek
werd gegrepen en meegevoerd. Het had een hypnotisch effect en
op het moment dat zij veranderde kon je dit haast lichamelijk
voelen. Het was een schokkende, fantastische
ervaring."(Schaefer 70) Volgens Mertens "blijkt de repititieve
muziek (...) vooral te werken wanneer de toeschouwer (!)
afstand doet van het dialectische gehoorschema, met andere
woorden de extase vindt alleen plaats wanneer het ik
abdiceert"(156/7). Op deze kenschets valt nogal wat af te
dingen. Kunnen we bijvoorbeeld zomaar afstand doen van een
gehoorschema? Hebben we allemaal wel dezelfde ervaring van
deze muziek? Bovendien valt de extase waar Mertens over
spreekt vast en zeker vele toehoorders van andere
muzieksoorten ten deel, terwijl even zoveel liefhebbers van de
repetitieve muziek een geheel andere, wellicht meer
analytische ervaring van een ten gehore gebrachte compositie
zullen hebben. Toch lijkt mij dat Mertens op z'n minst de
aandacht op een belangrijke tendens in deze muziek vestigt,
die weliswaar in andere muzieksoorten ook aanwezig is, maar
die hier sterker op de voorgrond treedt en methodischer wordt
nagestreefd. We moeten voor een analyse van het hypnotische
effect wel een onderscheid tussen componist, uitvoerende
musici en toehoorders. Wellicht is er slechts bij de musici,
die een direkte fysieke ervaring van de muziek hebben, sprake
van een tranceachtige toestand. Dit geldt voor iedere fysieke
activiteit die in hoge concentratie wordt uitgevoerd. Reich
zegt het zelf met zoveel woorden: "Alles is uitgewerkt, er is
geen enkele improvisatie, maar de psychologie van de
performance, wat echt gebeurt als je speelt, is totale
betrokkenheid bij het geluid"(52). Even verder noemt hij het
'totale zintuiglijkintellectuele betrokkenheid'(52), waarin
zich een analoge ervaring aan 'Yoga breathing exercises'(53)
aandient. Uit de formulering blijkt dat de scheiding tussen
lichaam en geest volledig tekort schiet om dit gebeuren te
waarderen.
5 Cultuurkritisch perspectief: subjectkritiek
Deze nadruk op het lichaam met zijn affecten heeft blijkbaar
een cultuurkritische achtergrond. Zo we de klassieke
cartesiaanse tegenstelling tussen lichaam en geest hanteren,
betekent dit namelijk dat de geest of het zelfbewustzijn van
zowel de componist/uitvoerder als van de toehoorder als het
ware wordt gefragmenteerd. Iets simpeler geformuleerd: er is
geen dialectisch patroon te ontdekken, waardoor de luisteraar
gedwongen wordt met het repetitieve ritme mee te gaan. De
cultuurkritische impact van dit fysiologische perspectief
bestaat uit een kritiek op het rationele ik, op het autonome
subject, dat in zijn streven naar totaliteit de muziek als
uitdrukking van zijn subjectiviteit opvatte. Mertens verwoordt
het als volgt: "De metafoor voor dit radicaal vervreemde
subject dat iedere band met het maatschappelijke verloren
heeft, is de dissonant die de basis vormt van het critische
werk. De dissonantie betekent tegelijkertijd een extreme vorm
van subjectivering en de ontkenning van het traditionele
subject"(143). De dissonant en daarmee de indirekte
betrokkenheid bij de subjectiviteit zou eigen zijn aan het
werk van de serialisten. Het herstel van de drieklank bij
Glass, zou wel eens een poging kunnen zijn om deze
betrokkenheid eens en voor altijd uit te bannen. Door zijn
merkwaardige ritmering, die gebonden is aan de tonen in het
accoord, wordt het verontrustende moment op een andere wijze
ingevoegd. Dit heeft musicologisch weer de consequentie, dat
het werk niet meer in termen van een rationele ontwikkeling en
een omvattende totaliteit kan worden beschreven, waaraan een
begin en een eind, een kop en een staart zit, zoals dit in de
19e eeuwse symfonische muziek het geval was. De dialectische
gestructureerde muziek, waarin verschillende thema's een
strijd voeren die in een apotheotische eind tot een oplossing
wordt gebracht, staat nog in het teken van de expressie van de
innerlijke wereld van de kunstenaar en verwijst naar een
romantische esthetica. Door de toehoorders wordt deze
apotheose doorgaans als een verlossende of louterende synthese
ervaren, wat de samenhang van hun subjectiviteit zou
versterken. Evenals het werk van Cage ontbeert de minimal
music deze ontwikkeling. Of, zoals het in gorgelend Mertiaans
jargon heet: "Het postseriële werk ontwikkelt een pluraal
perspectivisme dat radicaal van de traditioneel dialectische
teleologie verschilt, omdat dit pluraal perspectief de
dialectische synthese uitsluit".(124) Met de dialectische
intentie wijzen zowel Cage als de minimalisten tevens de
katharsis af, ondanks Reichs kwalificatie 'bevrijding'. Zoals
gezegd is de bevrijding nooit resultaat van het proces, maar
valt samen met de ervaring ervan. Daarin worden lichamelijke
affecten niet gezuiverd, maar juist versterkt. Door de
voortdurende herhaling worden ze benadrukt. De composities
worden opgevat als een deel van een kosmische ritme waar de
toehoorders zich op elk willekeurig moment kortstondig kunnen
invoegen. De lange tijdsduur van de vele stukken werkt een
dergelijke openheid in de hand, evenals het
nietrepresentatieve karakter van de muziek bij de film of
theaterstukken. Deze kosmologische dimensie komt in de meer
meditatieve stukken van Young en Riley meer tot uiting dan bij
Reich of Glass. Zo bieden veel van Rileys composities
bijvoorbeeld een merkwaardige spanning tussen stilstand en
beweging. Terwijl in de diverse sequenties door de herhaling
een enorme snelheid en intensiteit wordt ontwikkeld, maakt het
stuk als geheel een statisch, haast verstilde indruk. Dit kan
zeker als we het over Glass z'n stukken hebben, natuurlijk ook
anders, minder welwillend worden geformuleerd: deze getuigen
dan van een neurotische druk, wat de afkeer verklaart van vele
luisteraars, die voor het eerst met deze muziek geconfronteerd
worden. Maar toch is deze kwaadwillende beschrijving een
argument te meer voor de stelling dat het subject in de
minimal music gefragmenteerd wordt. De neurotische of
meditatieve waarde zijn immers beide uitdrukkingen van de
behoefte het calculerende subject waarvan de serialisten voor
de minimalisten ondanks hun kritiek op de dialectische muziek
de uitgesproken gestalten zijn aan zijn lichaamsaffecten uit
te leveren. In die zin sluiten de minimalisten, ondanks hun
hernieuwde belangstelling voor strikte compositie en de
herneming van melodieuze drieklanken, aan bij het aleatorische
werk van John Cage, de vader van de naoorlogse happening. Zo
klinken diens zennistische inzichten op een vertekende manier
door in Reichs opmerking, dat "het mogelijk is door de
gerichtheid op het muzikale proces de aandacht te verleggen
van een naar buiten gericht hij en zij, en jij en ik naar een
het"(11). Door deze omkering van Freuds therapeutische
grondprincipe "waar Es is, moet een Ich worden" wenden de
minimalisten zich eens te meer af van het rationele subject.
Hoewel Reich zich regelmatig in dit soort esoterische termen
uitlaat, is hij toch wars van Cages idee van de leegte en van
toeval. In tegenstelling tot Cage, de bevrijder van ieder
geluid, zelfs de stilte als een oorverdovende afwezigheid
zoals in zijn stuk 4'33'' ervan, wil Reich zijn
toehoorders het muzikale proces laten meebeleven. Naar zijn
mening hebben bij Cage "de compositorische processen en de
klinkende muziek (...) geen hoorbare band"(10). Toch gaat,
zoals ik reeds aangaf, ook zijn aandacht uit naar een
opheffing van de controle door een manipulerend subject.
Paradoxaal genoeg meent hij die juist te vinden in "'een
soort' volledige controle"(10). Deze volledige controle
betreft dan de hyperconcentratie van de uitvoerders, waardoor
hun subjectiviteit geheel samenvalt met de spanning die door
het repetitieve sequenties wordt opgebouwd. Met 'volledige
controle' bedoelt Reich in geen geval de totale controle die
het componenrende subject in de atonale, seriële muziek op het
proces uitoefende. Hoewel modernisten als Schönberg en Boulez
evenals de minimalisten de dialectisch gestructureerde muziek
afwezen, benadrukken beiden volgens Reich meer dan het proces
het werk als omvattende totaliteit. Door de complexiteit ervan
stoot het echter de toehoorder van zich af en wordt het louter
abstract. De complexiteit van het serialisme wordt door de
minimalisten gepareerd met een eenvoud, die haar pulserende
energie put uit de dan opkomende rockmuziek.
6 Lyotard: na het sublieme Adorno, die de
cultuurindustrie diep verachtte, wees in zijn tekst Filosofie
van de nieuwe muziek, waarin hij het muzikale oeuvre van
Schönberg en Stravinsky analyseert, in de voor hem zo
kenmerkende academische bewoordingen op het gevaar van
steriliteit, die in de avantgarde zelf ligt opgesloten: "Zodra
hij in zijn meest eigen omgeving, die van de vrije
kunstzinnige produktie, het laatste heteronome, materiële
helemaal de baas is geworden, begint hij opgesloten in
zichzelf rond te draaien, losgeraakt van wat hem tegenstreeft,
uit de doordringing waarvan hij enkel zijn zin ontving"(26/7).
Totale controle staat hier voor de volledige beheersing van de
materie en daarmee van het gebeuren.
Mede in het werk van Georges Bataille meen ik de
nieuwe gestalte, die de ervaring van het verhevene dan
aanneemt, te herkennen. De ambivalente ervaring van het
verhevene keert bij hem terug als een mengeling van fascinatie
en weerzin die moderne individuen ten overstaan van vermeend
geperverteerde uitingen van de burgerlijke cultuur bevangt.
Zijn theoretisch werk beweegt zich in een domein dat
afgebakend wordt door dood, erotiek en kunst. Geconfronteerd
met het geweld van de dood, het erotische of een
verstrengeling hiervan in een ieder burgerlijke waarde
ontwrichtend kunstwerk wordt de moderne, van god en gebod
verstoken mens aan een grenservaring uitgeleverd, waarin hij
in confrontatie met iets onuitspreekbaars en onvoorstelbaars
met zijn mede mens communiceert: in het aangesproken worden
door het sacrale wordt het gesprek met de medemens mogelijk.
Er vindt geen gesprek over de kunst plaats, maar een gesprek
via de kunst. Sluit Kant de huiver van de ongeciviliseerde
mens uit, Bataille oriënteert zich juist op deze voor ons
geheel onbegrijpelijke rituelen, waarin door bemiddeling van
het offer de gemeenschap van individuen gesticht en vernieuwd
wordt. Erotiek en kunst bieden de moderne mens nog
mogelijkheden tot zelfoverschrijding. Deze transgressie lijkt
een louter destruktieve aangelegenheid: toch wordt in de
destruktie van de goede smaak en burgerlijke waarden een
nieuwe gemeenschap geviseerd, wat de utopische grondtoon van
geschriften van bijvoorbeeld Kandinsky, Klee, en de Stijl
verklaart. Bataille meent echter, dat dit misplaatste hoop is.
Wat in de kunstpraktijk gezocht wordt, is volgens hem
hoogstens nog een ontregelende ervaring die hij soeverein
noemt. Een grenservaring, waarin het subject met zijn autonome
wil en zijn verwachtingen op meer of minder dramatische wijze
aan zijn onbegrip wordt uitgeleverd. Welnu, deze soevereine
ervaring is de aardse rest van Kants verhevene. Evenals de
erotische ervaring wordt ze omwille van zichzelf gezocht. In
de kunst herkent Bataille dan ook een geprofaniseerd ritueel,
waarin moderne individuen, zij het in het negatieve, via een
de verbeelding van een afwezige sacraliteit, onderling
communiceren. In zijn werk ontbreekt dus ieder utopisch
optimisme: pogingen om een nieuwe politieke of esthetische
gemeenschap te stichten zijn volgens Bataille altijd gedoemd
te mislukken. Sterker: de avantgarde leeft van de mislukking.
II. POSTMODERNITEIT
1 Massamedia, banaliteit en het verhevene
Hoewel hij zich niet expliciet op het werk van Bataille
beroept, wordt ook de visie van Lyotard op de aard van de
moderne kunst bepaald door deze gedachte van ontregeling en
soevereiniteit. Abstracte kunst wordt door hem eveneens
opgevat als een poging het oneindige of het absolute in een
negatieve voorstelling te presenteren. Van representatie kan
vanzelfsprekend geen sprake zijn. De avantgarde speelt haar
ontoereikendheid op een nostalgische wijze uit in het
kunstwerk: het onpresenteerbare is negatief aanwezig, de vorm
strekt tot vreugde en troost. We herkennen we Kants thematiek
in Lyotards bewoordingen:
"de vreugde dat de rede iedere presentatie te boven gaat, de
pijn dat het verbeeldingsvermogen of de sensibiliteit niet
harmoniëren met het begrip."(PMK 23)
Evenals dit bij Nietzsche het geval is, is voor
Lyotard het shockerende een van de uitdrukkingen van het
verhevene, dat nu tevens een primitieve kwaliteit van het werk
wordt: het is het nietverteerbare, het nietconsumeerbare in
het kunstwerk. De soms meer, soms minder dramatisch
getoonzette ontreddering van de toeschouwers vormt de
receptieve tegenpool ervan. Enerzijds wordt de goede smaak,
dat wil zeggen het schone dat gemeengoed is geworden,
gebruskeerd, anderzijds voelt, weliswaar vaak in weerwil van
zichzelf, de avantgardekunstenaar zich genoodzaakt het
consumptieprincipe van de kapitalistische markteconomie aan
zijn laars te lappen. Hij doet afstand van het burgerlijke
prestige en meet zich doorgaans in navolging van de 19e eeuwse
dandy een bohèmeleefstijl aan. Inmiddels zijn wij in een fase
van onze cultuur aangekomen, waarin wij ons het bombastische
en nagenoeg groteske van deze existentieel beladen tragiek
bewust zijn geworden. Met het aanbreken van de zestiger jaren
en de opkomst van Neo Dada wordt men zich bewust van de
nostalgische ondertoon van het avantgardisme. Het verhevene
neemt opnieuw een andere gedaante aan. Ik meen dat het gebruik
van de term 'verhevene' nog steeds van toepassing is omdat
alle connotatie van het begrip in dit nieuwe zelfbewustzijn
meespelen. Het shockeffect of de ontregeling komt elders naar
voren. Ironie en parodie vertalingen van Nietzsches 'komische'
en absurde' worden gepaard aan gewelddadige excessiviteit of
verstilde inkeer. Bij Warhol, Newman en in de performancekunst
worden pogingen ondernomen de drang naar het verhevene zo te
toonzetten dat zowel bewustzijn als lichamelijke excessiviteit
daarin worden verdisconteerd. Ik noem deze drie exponenten
omdat de drie elementen waarin ik nog een laatste greep naar
het verhevene herken bij hen expliciet naar voren komen: de
shockervaring ten aanzien van een parodiërende banaliteit, een
excessief feitelijk of symbolisch geweld en een verstild
verstomming en agressie opwekkend minimalisme. Hoewel het
shockerende karakter van Warhole's kunst en van de Aktionen
van bijvoorbeeld de Wiener Aktionisten explicieter is dan in
het werk van Newman het geval is, spreekt de vernietiging van
Newman's "Who's afraid of Red, Yellow and Blue III" op zich
boekdelen. Deze drie exponenten hebben één ding gemeen: zij
weigeren het verhevene nog nostalgisch negatief te
presenteren. Met de 'uitputting van het utopisch potentieel',
zoals Habermas het kenschetst, is de nostalgie duidelijk
geworden. De aandacht verlegt zich naar 'de ondragelijke
lichtheid van het bestaan': naar het banale, het
oppervlakkige, de directe en het momentane dat niets meer te
bieden heeft dan zichzelf. Of zoals Lyotard het formuleert:
"het postmoderne zou dat zijn wat in het moderne verwijst naar
het onpresenteerbare in de presentatie zelf"(PMK 23). Het
"ontzegt zich de troost van de goede vormen". Een nieuwe
sensibiliteit breekt door: het gevoel voor het
onpresenteerbare in de presentatie en presentie van het
kunstwerk. Het accent verlegt zich naar de onmiddellijke
ervaring, naar dat wat zich als een processuele materialiteit
en naar de rol die toeval en willekeur daarin spelen. Reeds in
de écriture automatique van bijvoorbeeld André Masson via de
actionpainting van Jackson Pollock tot de wrijftechniek van
Francis Bacon had toeval een 'methodische' rol toebedeeld
gekregen. Ook op andere gebieden was dit reeds het geval: in
de muziek kan naar het werk van Boulez, Cage, maar evengoed
naar de jazz worden verwezen, maar ook in performances en
Aktionen wordt het onvoorspelbare een factor in de produktie.
De explosiviteit van de banaliteit spreekt
eveneens uit Warhole's lijfspreuk dat 'iedereen een star is'.
Verhevenheid is voor iedereen weggelegd, ook al is het een
uiterst banale vorm ervan. Toch is ook Lyotards visie nieuwe
inzichten op ten aanzien van Warhole's kunst. Zijn werken zijn
immers aanvankelijk nauwelijks te verteren. Precies daarin
ligt de kwaliteit van het verhevene: het is "das
Unkonsumierbare, das man nicht verdauen kann"(KF 363). Ook bij
Jean Baudrillard duikt het thema van de banaliteit op. Hij
heeft de obsceniteit van onze door massamedia beheerste en
volledig op consumptie gerichte samenleving in vele toonaarden
aan de orde gesteld. Volgens hem is het de absolute
oppervlakkigheid die fascineert en afstoot. Het verhevene is
gebanaliseerd en heeft zich genesteld in de onaflatende stroom
beelden die onze consumptiemaatschappij produceert. Voor
Baudrillard betekent dit niets anders dan het einde van de
kunst. Haar bestaan kan nog slechts gezimuleerd worden. En
precies dit herkent hij in het vroege werk van Warhole. Het
'Xeroxpunt' van de kunst is bereikt: haar waarde lost op in de
absolute simulatie of de fetischering ervan. Maar de
verleiding die hier nog van uitging, is met de herhaling van
de popart, met de neopop aan het eind van de tachtiger jaren
totaal verdwenen. De fatale kwaliteit van de gesimuleerde
kunst heeft in deze tweede simulatie volledig aan kracht
ingeboet. Alles is transparant geworden: er wordt slechts
gezegd wat getoond wordt en in die zin is de kunst evenals de
politiek en de sex obsceen. Als het verhevene nog van
toepassing is op deze situatie, dan slechts omdat dit obscene
ons, zoals Bataille meende, tegelijkertijd fascineert en met
weerzin vervult. De kunst staat niet meer tegenover het leven,
vormt geen kritische instantie tegenover de werkelijkheid
meer, maar is evenals politiek en sex overal in de
werkelijkheid binnengedrongen, "in de tegenwoordig zonder
uitzondering gesacraliseerde banaliteit"(KF 389).
2 Het verhevene en de materialiteit: van
representatie naar presentie
Vanaf de zestiger jaren krijgen echter zowel kunstenaars als
wetenschappers veel meer oog voor het toeval. Ik ga hier
verder niet op de cultuurhistorische oorzaken in. Dat betekent
dat de aandacht steeds indringender wordt gericht op het
moment van het ontstaan van structuren. Ook Struyckers werk
getuigt mijns inziens van deze fascinatie. Onder toeval wordt
verstaan: het zich buiten de wil van de kunstenaar om,
plotseling aandienen van een regel en een structuur. Ook in
het werk van Jean François vinden we deze fascinatie met het
moment waarop iets totaal indifferents, onverschilligs
plotseling waarneembare verschillen genereert. Dit moment dat
vanzelfsprekend ook in de kunstpraktijk optreedt, probeert hij
met het begrippenapparaat dat rond het verhevene ontstaan is
te verhelderen. Bij Lyotard materialiseert het verhevene zich
op geheel andere wijze. Niet de banaliteit van de
kunstprodukten en de praktijken die onderdeel zijn geworden
van een onmogelijke ruil, waarbij kunstwerken voor miljoenen
over de toonbank gaan, maar de minutieuze materialiteit van
het artistieke proces zelf krijgt bij hem een verheven
kwaliteit, dat wil zeggen microscopische momenten van dit
proces kunnen met behulp van de verschillende begrippen die
zich binnen de notie van het verhevene gegroepeerd hebben,
worden doordacht. Hoewel ook Lyotard evenals Baudrillard het
sublieme aspect van de kapitalistische markteconomie erkent
zij leeft immers vane en speculatief idee: dat van de
onuitputtelijkheid der bronnen en en oneindigheid van de
overvloed gaat zijn aandacht tevens uit naar een
tegenovergesteld aspect: het onkonsumeerbare, het
onverteerbare van het kunstwerk. Hiermee sluit hij, in
tegenstelling tot zijn analyses van de postmoderniteit van
rond 1980, in zijn laatste werken aan bij het traditionele
avantgardebegrip en wijst hij de transneo en postavantgarde
als een terugval op het schone en de goede smaak van de hand.
a. produktie
Bij Lyotard materialiseert het verhevene zich op microscopisch
niveau. Zijn aandacht gaat echter niet uit naar de parodirende
banaliteit, waaraan toeschouwers van popartkunstwerken worden
blootgesteld. Deze radicale belichaming van het westerse
consumentendom is voor velen eveneens onverteerdbaar, de
spiegeling van de dagelijkse oppervlakkigheid te shockerend.
Lyotard verwijst naar de produktieve pendant van deze
ontregelende onverteerbaarheid in de receptie. Waar, zo vraagt
hij zich af, treedt de ambivalentie van het tekortschieten en
de plotseling herkenning, van de ontreddering en de na
geleidelijke gewenning optredende euforie in het maken van het
kunstwerk nog op? Waar voltrekt zich dat aan niets te meten
absolute moment, waar de kunstenaar spanningvol op wacht door
het toeval zijn gang te laten gaan? Waar dient zich 'een
esthetische toestand' aan, waar nog geen sprake is van regels,
maar die wel regels genereert? Lyotard traceert Kants vorm en
doelloosheid in een negatieve lust die de kunstenaar ten
overstaan van een indifferente materie ten deel valt. Dat wil
zeggen: de woorden voor de dichter, de tonen voor de musicus,
de kleuren voor de schilder, steen of welke concrete materie
dan ook voor de beeldhouwer, de lichaamsbewegingen voor de
danser, de lichaamsaffecten voor de performancekunstenaar,
enz. Als we ons voor het gemak tot de muziek en de
schilderkunst beperken gaat het eigenlijk uitsluitend om
structuurloze tonaliteiten, om nuance en timbre, tint en
toonkleur, die op zich nog niets betekenen, maar in principe
elke vorm aan kunnen nemen en voor ieder doel aangewend kunnen
worden. Dit vormloze en doelloze dient zich slechts op een
manier aan: als indifferente, onverschillige materialiteit. Ik
zeg opzettelijk: indifferent en niet ongedifferentieerd. Het
laatste is al vanuit de vorm gedacht. Het gaat Lyotard dan ook
niet om materie als tegenpool van de vorm. In de Westerse
denktraditie is deze Aristotelische oppositie het uitgangspunt
voor de kunsttheorie geweest. Vorm en materie, vorm en inhoud
verwijzen voortdurend naar elkaar als actualiteit en potentie.
Het gaat Lyotard eerder om indifferentie, om een
onverschilligheid ten aanzien van deze polariteit, om dat wat
zich in de scheppingsdaad om deze archaische term maar weer
eens van stal te halen doet gelden als ondenkbaar substraat
van licht en beweging zonder enige verwijzing. Dat waaraan
kunstenaars vanaf het impressionisme in de loop van de moderne
tijd steeds meer aandacht hebben geschonken. Een materialiteit
zonder vorm die door een eigen dynamiek vanuit de meest
minimale differenties haar eigen structuur blootlegt. Deze
materialiteit ontsnapt dus aan iedere oppositie. En precies
daaraan ontleent de ambivalente ervaring ervan haar verheven
kwaliteit, zoals we reeds bij Nietzsche zagen. Het gaat om het
indifferente, dat zich differentiëert. In tegenstelling tot
Kant legt Lyotard de nadruk op de prelogische, prestructurele
presentie van de materie, waarover we pas kunnen spreken als
we deze vanuit de reeds gevormde en gestructureerde materie
als een verlies extrapoleren. Zoals Gombrich heeft laten zien
in zijn Art and Illusion, dat overigens een sterk
kantiaanse ondertoon heeft, is dit prelogische, daar wij het
altijd al in logische structuren zien en denken, eigenlijk
iets ondenkbaars en onvoorstelbaars. Vandaar dat Lyotard in
een paradoxale wending spreekt over de 'immaterialiteit van de
materie'. Of over het 'onpresenteerbare in de presentatie'(PMK
23). Het verhevene is tot louter presentie van een
indifferente materialiteit geworden. Deze representeert nog
niets, stelt niets dan zichzelf voor, is geen voorstelling
van, hoogstens een voorstel tot iets anders. Barnett Newman
zei van zijn werken: "It points, it does not declaim"(51) en
over een van zijn werken: "Onement I does not mean, it
confronts"(49). Of in een iets andere terminologie: de materie
bestaat, dat wil zeggen existeert niet, maar insisteert:
dringt aan en dringt zich op. De openheid voor deze presentie
staat gelijk met een openheid voor het toeval: la volonté de
chance, zoals Bataille het formuleerde. Filosofisch gezien
betekent het toelaten van het toeval indirekt een methodische
onderdrukking van de subjectiviteit, van het verstandelijke
aspect, van de rationaliteit ten behoeve van lichamelijkheid
of een sensibiliteit. In het diffuse niemandsland van de
'zuivere' materialiteit van tonaliteiten trilt en schittert
iedere vorm door afwezigheid. Ik stelde reeds, dat deze
presentie op zich tegelijk waardeloos en waardenscheppend,
indifferent en differentiërend is. De kunstenaar wacht werkend
in waakzame passiviteit op dat wat hem toevalt, op de
voltrekking van het werk zelf. Het verhevene is nu ingekrompen
tot deze minimale optie van een ondenkbare totale presentie.
Van een, in Lyotards woorden:
"een toestand van de geest zonder geest, die niet door de
geest wordt afgedwongen opdat de materie gezien, begrepen,
gegeven of gevat wordt, maar opdat iets gebeurt (qu'il y
ait)."(I 153)
Dit 'qu'il y ait' is het gebeuren, waar wij
slechts een verheven gevoel aan overhouden: van onlust en
lust, van ontreddering en euforie na de vondst die zich
aandiende en waaraan onze wil part noch deel had, hoewel deze
er paradoxaal genoeg wel op gericht was. Keer op keer begeven
niet alleen kunstenaars zich in dit spanningsveld van
indifferente, doelloze tonaliteiten "om ze met elkaar te laten
verenigen volgens een dwingende eis die hèn eigen is en en die
we aan moeten voelen"(I 153). Ontredderd, wanhopig soms, vaker
gespannen afwachtend wordt de beweging van de materie gevolgd
zonder dat deze dynamiek al bij voorbaat aan een uit de goede
smaak voortkomende regel wordt gebonden. Op zoek naar de regel
der dingen door hun dynamiek te laten gebeuren. De vraag die
Lyotard stelt is 'Y arrivetil?', gebeurt het? en niet "Wat
gebeurt er?", omdat deze vraag reeds de eerste vooronderstelt
en het gebeuren eigenlijk al heeft gesitueerd. In de
differentiring van nuance en timbre 'ontstaat' het kunstwerk
en openbaart het aan ons zijn regels. In dit ondenkbare,
regelloze, vormloze, dus immateriële moment, dat geen moment,
maar een eeuwigheid is, ondergaat de kunstenaar de spanning
die Kant typeerde als de ambivalente lustonlust. Maar strikt
genomen is deze lustonlust ervaring eigenlijk slechts nog een
herinnering aan dit onmogelijke moment. De onmogelijke
presentie waaraan de werking van het verstand vreemd is, dat
wat in een andere context wellicht intuïtie of misschien wel
een 'geniale greep' wordt genoemd, is dat wat, hoewel vanuit
een andere houding, zowel de moderne, als de zogenaamde
postmoderne kunstpraktijk motiveert. Postmoderne kunst blijkt
dan ook geen breuk met de moderne maar eerder een nieuwe
reflexieve modaliteit van de moderne te zijn. De moderne kunst
leverde zelf al een scala van opeenvolgende pogingen om deze
presentie tot zijn recht te laten komen: van Manet en Cézanne
via Picasso en Pollock tot Bacon en Appel. Of van Debussy via
Schönberg en Boulez naar Cage en de jazz. Wat ons van hen
scheidt, is de lege utopie. Hun utopie, de goede plaats, is
onze atopie: een nietplaats in zij volledige gestalte als
totale presentie.
b. receptie
De toeschouwer of toehoorder van het werk moet deze leegte
bewonen. Hij zal opnieuw deze regel moeten vinden door zich
aan het werk over te geven, door de kunst te laten werken,
door haar regel te ontdekken aan haar eigen kwaliteiten. De
goede smaak schiet daartoe te kort, omdat het al bij voorbaat
van gegeven normen uitgaat. Ook hier wordt een appèl aan een
nieuwe sensibiliteit gedaan. Uit de onmogelijkheid de regel te
vinden kan pure agressiviteit voortkomen. De ervaring blijft
dan in louter onlust steken. Voor een ontlading van deze
angstige onlust kan slechts nog een mes uitkomst bieden.
Newmans beginsel 'to start form scratch' wordt dan in zijn
radicale consequentie doorgevoerd.
Lyotard heeft in zijn analyse van de moderniteit
laten zien dat niet de schoonheid, maar de dubbelzinnige
ervaring van het verhevene of het sublieme, met diens
shockerende werking constitutief is geweest voor de dynamiek
van de avantgarde. In het artikel 'Na het sublieme' vraagt hij
zich af wat de kunst resteert nu het, als gevolg van het feit
dat zij geheel in de massamedia is opgegaan, wier excessieve
verbeelding de shockerende werking ervan heeft uitgehold, zijn
kritische functie verloren heeft. Lyotard heeft na zijn tekst
La condition postmoderne uit 1979 afstand genomen van
het idee dat het postmoderne een vruchtbare categorie is om
onze hedendaagse cultuur te analyseren. Tenminste, voor zover
het postmoderne als een periode na de moderniteit wordt
opgevat. Volgens hem is het postmoderne veeleer een modus van
het moderne, een soort hername, wat voor de filosofie inhoudt
dat zij als het ware de taak op zich moet nemen om het moderne
te herschrijven. Dit 'her' betekent echter geen reconstructie,
herhaling of voltooiing van de moderniteit, maar een
speurtocht naar onze positie vanuit het besef dat deze
beweging nooit zijn fundament bloot kan leggen. Vandaar dat
het altijd een dubbel gelaagdheid impliceert, wat een
verklaring is voor de vele verdubbelingen, zoals pastiche,
parodie, ironie en citeren die eigen is aan allerlei
hedendaagse kunstuitingen. Dit zou ook wel eens voor de
minimal music kunnen gelden. Met een woordspeling zouden we
bij componisten als Reich en Glass een poging kunnen waarnemen
de moderniteit te resoneren. In deze resonantie klinkt
vervolgens iets mee dat nooit expliciet kan worden gemaakt en
dat zou wel eens deze behoefte aan een totaalervring kunnen
zijn, die in de New Age muziek te expliciet wordt nagestreefd,
waardoor deze in een soort premoderne dialectische positie
terugvalt.
Na dialectische synthese en tragische
dissonantie: repetitieve resonantie? Na het einde van de
ideologieën, dat naast het einde van de nationale staten ook
dat van de utopische en nostalgische intentie moet betekenen,
tevens het einde van de dialectische en antidialectische
muziek?