1. Eerste esthetische
inspiratie: van Kant naar Nietzsche
In de periode 19621972 wordt er een aantal
colloquia over Nietzsches werk georganiseerd en zien
vele publikaties over uiteenlopende aspecten van zijn
werk het levenlicht. Een van de meest toonaangevende
is het in 1962 door Gilles Deleuze geschreven Nietzsche
et la philosophie. Dit boek en zijn in 1968
gepubliceerde dissertatie Différence et répétition
zullen van grote betekenis blijken te zijn voor een
stroming binnen de Franse filosofie die door anderen
aanvankelijk als poststructuralistisch en door hem als
het denken van het Andere of van de Gens wordt
geafficheerd. Uiteindelijk zal dit soort filosoferen
de geschiedenis ingaan als het denken van het Verschil
of differentiedenken. De belangstelling voor Nietzsche
komt enerzijds voort uit een toenemend ongenoegen met
bestaande filosofische posities waarvan de
existentiële fenomenologie en het dialectische denken
de twee voornaamste exponenten zijn. Husserl en Hegel
blijken de belangrijkste opponenten, zij het dat zij
zijn verpakt in de filosofische inzichten van Sartre,
MerleauPonty of Althusser. Anderzijds blijkt er, met
name bij Foucault, een toenemende behoefte om,
uitgaande van Nietzsche en indirekt geïnspireerd door
de artistieke avantgarde, nieuwe denkwegen in te slaan
waarin oude dilemma's niet zozeer opgelost als wel
vanuit een ander perspectief bekeken en met andere
woorden besproken kunnen worden. In onderlinge
discussies blijken de deelnemers op dan nog
ondoorzichtige, maar achteraf onmiskenbare wijze
zichzelf ingevoegd te hebben in een Nietzscheaanse
denkbeweging, waarin naar mijn mening een aporetisch
spreken en schrijven als schriftuur ('écriture')
centraal staat. Foucault presenteert zijn bijdrage aan
het colloquium in Royaumont onder de titel:
'Nietzsche, Freud, Marx'. Daarin worden deze 'meesters
van het wantrouwen', zoals Ricoeur ze noemt, opgevoerd
als de exponenten van een denken waarin de techniek
van de interpretatie voor het eerst een radicale
gestalte aanneemt: " De interpretatie (is)
uiteindelijk een oneindige taak geworden"(p.187). In
deze lezing geeft Foucault zijn tot op zeer grote
hoogte structuralistische visie op het teken weer, zij
het dat hij De Saussure verrijkt vanuit een
Nietzscheaanse inspiratie. De taal buigt zich over
zichzelf heen zonder dat er uiteindelijk nog een
eenduidig afzetpunt is vast te leggen. Zij organiseert
zich als "een spel (...) van negatieve begrippen,
contradicties, opposities, kortom een geheel van het
reactieve krachtenspel dat Deleuze zo goed heeft
geanalyseerd in zijn boek over Nietzsche."(p.191) In
zijn bijdrage geeft Foucault indirekt de aard van de
franse 'linguistic turn' aan. Deze verloopt niet via
Peirce maar via een door Nietzsche, De Saussure en
Freud ingegeven kritiek op het bewustzijnsfilosofische
vertoog. De kritische zelfreflexiviteit à la Kant en
Hegel wordt geradicaliseerd: Freud, Nietzsche en Marx
"(verwikkelen) ons in een interpreterende taak die
altijd op zichzelf terugbuigt (...)"(p.186). Deze
reflexieve beweging kan echter, gegeven Nietzsche's
herdefiniëring van de waarheid als "een mobiel leger
van metaforen, metonymia en antropomorfismen" en zijn
stelling dat de metafysica een produkt van de
verleiding van de grammatica is nergens anders dan in
de taal worden opgespoord.
2. Tweede esthetische
inspiratie: literatuur als een zelfsplijtend
spreken/schrijven
Geheel in Nietzscheaanse stijl gebruikt Foucault
tezelfdertijd in zijn literatuuressays, met name in
'Spreken tot in het oneindige' allerlei metaforen om
deze 'radicale reflectie' te verbeelden. Bij voorkeur
hanteert hij de metafoor van de spiegeling: "het is
het grote, onzichtbare labyrint van de herhaling, van
het spreken dat zichzelf in tweeën splitst en zijn
eigen spiegel wordt". Ook duikt reeds de later door
Deleuze gecanoniseerde metafoor van de vouw ('pli')
op:
"De mogelijkheid van een taalkunstwerk vindt zijn
oorsprong in de plooi van deze verdubbeling. (...)
Schrijven wil voor de westerse cultuur van meet af aan
zeggen, dat men zich plaatst in de virtuele ruimte van
zelfpresentatie en verdubbeling."(p.9).
Deze verdubbeling die soms ook als
(zelf)splijting wordt gepresenteerd blijkt ingegeven
door het besef dat het denken zich na de dood van God
geconfronteerd weet met iets ondenkbaars en
onvoorstelbaars: de dood. In 'Inleiding tot de
transgressie' werkt Foucault dit naar aanleiding van
het werk van Georges Bataille uit. In 'Het denken van
het Buiten' grijpt hij Blanchots oeuvre aan om dit
aporetische moment binnen het denken op te sporen in
zoverre dit een nietbegrippelijke, maar noodzakelijk
te vatten relatie tot een Buiten onderhoudt in het
spreken en schrijven. Dat het hier om een aporetisch
moment gaat, blijkt mede hieruit dat het artikel met
de befaamde Kretenzer paradox begint en eindigt.
Volgens Foucault is ons probleem echter nu niet meer
het "ik lieg", maar het "ik spreek". Niet het
hegeliaanse denken van het denken, maar Blanchots "het
spreken van het spreken leidt ons via de literatuur,
maar misschien nog langs andere wegen, naar dit Buiten
waarin het sprekend subject verdwijnt"(p.97/8). De
mogelijkheid van 'andere wegen' is interessant en zou
dan al op een andersoortig filosoferen kunnen duiden.
Het ligt voor de hand om de transformatie van de
filosofie door differentiedenkers als een nieuwe weg
te begrijpen die de door Habermas gewraakte vermenging
van literatuur en filosofie impliceert. Voorlopig
beperk ik me echter tot de door Foucault
gethematiseerde literatuur. Het aporetische aspect
impliceert de noodzaak
"... het reflexieve taalgebruik een andere wending te
geven, (...) op een uiterste grens waar het zichzelf
steeds in twijfel moet trekken: heeft het spreken
eenmaal zijn grens bereikt dan vindt het daar niet een
positiviteit die het tegenspreekt, maar een leegte
waarin het geheel en al opgaat...".
Soortgelijke wendingen vinden we ook
in de andere opstellen over Klossowski, Bataille,
Hölderlin, Roussel en Flaubert. Er is geen sprake meer
van een dialectische negatie van het denken, maar van
een nietdialectisch, zeg maar 'differentirende'
negatie. Foucault trekt de consequentie uit de
'linguistic turn'. Reduceerde de bewustzijns of
identiteitsfilosofie het Buiten nog tot het Binnen om
de beoogde eenheid te herstellen, het denken van het
verschil impliceert een principiële openheid voor dit
Buiten dat zich onder andere manifesteert in een
bewust geïntendeerde schriftuurlijke zelfsplijting. In
literair opzicht: door ironie of parodie, in logisch
opzicht: door 'negatieve begrippen' of 'contradicties'
en in schriftuurlijk opzicht: door een aporetische
zelfondermijning. De 'nonlieu' wat in het voorwoord
tot De woorden en de dingen een 'atopie' of
'heterotopie' (p.17/18) heet waar het licht van de
rede niet meer kan schijnen, laat geen reflectie in de
bewustzijnsfilosofische zin meer toe, maar eist "een
vergeten; geen contradictie, maar een tegenspreken dat
uitwist". Het zijn wellicht dit soort onmogelijke
formuleringen die Foucault vanuit een esthetische
inspiratie hanteert om een schrijven en spreken in te
zetten waarin gepoogd wordt metafysische opposities
talig te ontwrichten met behulp van een terminologie
waarin een verstrengeling van empirie en
mogelijkheidsvoorwaarde wordt weergegeven. In dit
soort pseudobegrippen vinden we de eerste aanwijzingen
voor een radicale kritiek op het vertoog van de
metafysica: zij getuigen van de onmogelijkheid om het
empirische en het transcendentale, het materiële en de
mogelijkheidsvoorwaarde, het effect of gevolg en de
oorzaken eenduidig en definitief te scheiden. Deze
dynamische verstrengeling van elkaar uitsluitende
begrippen in dit geval concreet en apriori is naar
mijn mening tevens de aanzet tot een aporetisch
schrijven. Daarin wordt de ontoereikendheid een Buiten
te vatten niet zozeer gemaskeerd alswel geaffirmeerd.
In 'Nietzsche, Freud en Marx' stelt Foucault dat een
radicale interpretatie tot gevolg heeft dat een
'absoluut gevaarlijke ruimte' wordt genaderd. Daarin
gaat niet alleen de interpretatie ter ziele. Het is
tevens de ruimte "die misschien de verdwijning van de
interpreet impliceert"(p.188). Op indirekte wijze
schetst Foucault in het verlengde van Nietzsches 'dood
van God' en als variant van 'de dood van de auteur'
het beruchte 'verdwijnen van de mens' waarmee later De
woorden en de dingen zal eindigen.(p.397/8)
3. Analytiek van de eindigheid:
aporieën in de moderne 'savoir'
Hoe werkt de in de essays geëvoceerde
'literatuur'opvatting door in dit tezelfdertijd
geschreven boek? Zijn bijvoorbeeld de drie
manifestaties van de analytiek van de eindigheid, die
als grondslag van het moderne vertoog naar voren wordt
gebracht de oscillaties tussen het empirische en het
transcendentale, het cogito en het ongedachte, het
vinden en terugwijken van de oorsprong filosofische
uitdrukkingen van een slingerbeweging, waarop aan het
eind van "Het denken van het Buiten" wordt gewezen?
Daar merkt Foucault immers op: "het spreken brengt een
uitwisseling tot stand tussen oorsprong en dood, of
liever: het laat in een flits hun eindeloze
slingerbeweging zien"? Op het eerste gezicht lijkt de
thematiek van de analytiek van de eindigheid waarin de
dood zo'n centrale rol vervuld in de literatuur
gepareerd te worden. Daarin doet zich immers een nieuw
soort oneindigheid voor: "... de eenvoudige,
doorlopende, monotone lijn van een op zichzelf
aangewezen taal, een taal die tot oneindigheid
veroordeeld is omdat ze niet meer kan steunen op het
spreken van het oneindige". Eindigheid en oneindigheid
gaan echter in elkaar over: "Een literair werk is de
belichaming van de taal die de dood doorkruist om de
oneindige ruimte te openen waarin de dubbels worden
weerkaatst"(p.12) Uit deze opmerking zouden we kunnen
opmaken dat de drie doubletten uit De woorden en
de dingen zich aandienen tegen de achtergrond
van een ander soort spreken over de mens dan in de
menswetenschappen het geval is.
a. het verschijnen van de
literatuur
Maar misschien is dit een te snelle conclusie.
Tenslotte gaat het in het wetenschappelijke vertoog om
waarheid en is in het geval van literaire teksten de
vraag naar de waarheid van geen enkele belang. Daar
gaat het veeleer om fictie. In 'een archeologie van de
menswetenschappen' vraagt Foucault uitsluitend naar de
kentheoretische status van al die moderne vertogen die
de waarheid over 'de' mens uit willen spreken. Vóór de
moderniteit dat wil in Foucaults bewoordingen zeggen:
vóór 1800 was de wetenschappelijke taal nog een
transparant medium waardoorheen, mits correct
geanalyseerd, het denken zich zonder enige
vertroebeling in verbinding met het zijn kon stellen.
Door het opduiken van een duistere grond onder de taal
als gevolg van een steeds complexer worden van de
voorstelling waardoor deze zichzelf gaat ondermijnen
wordt de moderne wetenschapper gedwongen zich door de
uiterlijke tekens heen een weg naar de wereld te
banen. In de taal komt dit nog het meest dreigend naar
voren bij Sade: "deze taaluitingen die voortdurend
buiten zichzelf worden gebracht door het mateloze, het
onzegbare, het huiveringwekkende, de verbijstering, de
extase, de sprakeloosheid, het blinde geweld, het
stomme gebaar ..."(p. 14). Deze poging kan nooit
definitief worden afgerond. Foucaults inzicht in de
oneindigheid van de reeks interpretaties getuigt
daarvan. Foucault stelt dat "vanaf de XIXde eeuw de
taal zich in zichzelf terugbuigt, een eigen substantie
krijgt, een eigen historie en wetten en een soort
objectiviteit ontplooit die haar alleen toebehoren".
Het verlies van de voormalige transparantie tracht de
wetenschap op drie manieren op te heffen. Allereerst
is er 'de positivistische droom' die tweevoudig is:
men droomt enerzijds van een objectieve,
wetenschappelijke taal waarin de natuur uiteengezet
kan worden, anderzijds van een volledig gezuiverde
logische taal waarin het denken zich haarscherp kan
uitdrukken. Vervolgens vindt er een kritische
terugbuiging plaats waarin de historiciteit van de
taal een rol speelt: via een wetenschappelijke
'exegese' probeert men de raadselachtige dichtheid van
de taal te verlichten. Naast deze
formaliseringstechnieken en interpretatiemethoden
waarbinnen zich zowel structuralisme en fenomenologie
als analytisch denken en hermeneutiek kunnen
ontvouwen, treedt er een compensatie van het verlies
van de voorheen doorzichtige taal op: "de meest
belangrijke en bovendien de meest verrassende is het
verschijnen van de literatuur"(p.325). In Mallarmé's
werk ziet Foucault hoe vorm en inhoud zich zo op
elkaar enten, dat taal een ervaring wordt die naar
niets buiten zichzelf meer verwijst. Een ervaring die
in bataillaanse zin soeverein is: "in die zin" had hij
reeds in 'Het 'nee' van de vader' (1962) over het werk
van Hölderlin geschreven, "is ieder werk een poging de
taal uit te putten; eschatologie is in onze tijd een
structuur van de literaire ervaring geworden en
literaire ervaring is door geboorterecht een ultieme
ervaring"(p.53). In het spreken van Hölderlin,
Klossowski, Bataille, Blanchot en in dat van Artaud en
Kafka maar voor alles in dat van Nietzsche openbaart
zich volgens Foucault een verschijnsel "waarvan de
noodzakelijkheid in een zeer uitgestrekte configuratie
ligt verworteld, waarin heel de nervatuur van ons
denken en van onze wetenschap zich aftekent". Hoe
werkt deze 'configuratie' dan in de
'mens'wetenschappen door en welke consequenties
verbindt Foucault daaraan? We dienen te beseffen dat
de 'mens' bij Foucault geen antropologische constante,
evenmin een wezen van vlees en bloed, maar voor alles
"een gebeurtenis in de orde van het weten" (p.373) is.
De mens als kentheoretisch construct verschijnt
als effect van de vertoogsmatige bepaling van zijn
vermeende essentiële waarheid. Dit heeft alles met de
'dood' te maken, zij het dat ook deze vanuit
kentheoretisch perspectief dient te worden begrepen.
In de orde van het weten is vanaf het moment dat Kant
de grenzen van de kennis heeft afgebakend dat aan het
licht getreden wat individuen in de ervaring van hun
lichaam, hun begeerte en hun taal "aan den lijve
ondervinden": een radicale eindigheid. De
menswetenschappen voeren de eindigheid in objectieve
zin in. Objectieve kennis van de mens tekent zich
immers altijd af tegen een nimmer achterhaalbare
historiciteit. Terwijl de vraag naar de
mogelijkheidsvoorwaarden van deze kennis de mens als
transcendentale instantie in zijn door Kant
gethematiseerde begrensdheid toont, wordt een
objectieve laatste waarheid door een steeds
terugwijkende historiciteit geblokkeerd. In het
menswetenschappelijk vertoog verschijnt de mens daarom
als dat wat Foucault 'een eigenaardig,
empirischtranscendentaal dubbelwezen'(p.344) noemt.
Iedere vraag naar de 'waarheid' van de mens impliceert
dus zowel een splijting als een verdubbeling. Zo wordt
een oscillatie in gang gezet tussen een object en een
subjectpositie. De wetenschapper wordt heen en weer
geslingerd tussen een empirisch en een transcendentaal
moment, beide gekenmerkt door eindigheid. Echter, als
er al een 'waarheid' bestaat dan manifesteert deze
zich eerder dan in één van beide momenten in de door
een oneindige verdubbeling opgeroepen spanning tussen
beide 'posities': "de analyse van de empirischtranscendentale
verdubbeling toont aan, hoe hetgeen in de
ervaring wordt geschonken en hetgeen ervaring mogelijk
maakt in een eindeloos heen en weer schommelen met
elkaar samenhangen"(p.364). De mens wordt in zijn
funderingspogingen telkens weer "buiten zichzelf"
gebracht. In die zin is hij op bataillaanse wijze een
extatisch wezen.
b. het cogito en het ongedachte:
Foucault werkt deze 'oscillation indéfinie', deze
spanningsvolle relatie tussen een subject en
objectpositie op drie manieren uit. Met het oog op de
in zijn literatuuressays gethematiseerde verhouding
tot het voor het subject ondenkbare Buiten en een door
hem geconstateerde fundamentele aporetische,
zelfondermijnende structuur beperk ik mij tot de
tweede vorm: de oscillatie tussen het cogito en het
ongedachte. Hij kritiseert het cartesiaanse adagium:
cogito, ergo sum. Het is vooral het vermeende 'ergo'
waar hij zijn pijlen op richt. Volgens hem bestaat de
analytiek der eindigheid juist bij gratie van de
onmogelijkheid om vanuit het cogito, vanuit het 'ik
denk' tot het sum, het 'ik ben' te besluiten: de
letterlijke vanzelfsprekendheid van het 'ergo' wordt
in tegenstelling tot het klassieke vertoog waarin
Descartes nog staat, geblokkeerd door een weerbarstige
taal waarvan zoals Nietzsche liet zien de metaforiek
een metafysische verleiding in zich bergt. Het 19e
eeuwse vertoog is zich deze aporie echter niet bewust.
Het moderne denken beweegt zich voortdurend in de
ruimte die zich tussen het cogito en het ongedachte
opent, in de mate waarin het cogito greep op dat wat
het opheft tracht te krijgen. In die zin heeft er
weliswaar een verschuiving plaatsgevonden ten aanzien
van de kantiaanse vraagstelling "het gaat hier (...)
niet om de mogelijkheid tot kennis maar om die tot een
miskennen, ergens aan de oorsprong"(p.349) maar is het
bewustzijnsfilosofische paradigma nog niet verlaten.
Precies in de noodzaak en onmogelijkheid van het
kennen dient zich de aporetische spanning aan die
volgens Foucault in positieve zin eigen is aan het
denken van het Buiten. Op onverwachte wijze komt in
een door een radicale eindigheid ingegeven,
aporetische spanning het thema van de oneindigheid
naar voren: oneindigheid blijkt een effect van de
analytiek der eindigheid. In de innerlijke noodzaak
van het cogito om zijn ongedachte te (om)vatten
herkent Foucault eveneens "een oneindige taak": "het
(cogito) moet in een duidelijk uitgesproken vorm de
geleding van het denken doorlopen, opnieuw activeren
en verdubbelen ten opzichte van wat in, rondom en
onder dat denken wel niet is gedacht, maar wat daarom
toch niet vreemd is, althans niet van een
onherleidbare, niet te overbruggen vreemdheid
('extériorité')"(p.350). Deze verdubbeling die even
verder 'onuitputtelijk'(p.353) wordt genoemd is een
variant van de hegeliaanse definitie van ware
oneindigheid die zich in een formeelontologische
doordenking van de werkelijkheid als vanzelf aandient.
Maar in tegenstelling tot de dialectiek kan dit Andere
als 'een onherleidbare, niet te overbruggen
uiterlijkheid' niet meer geïncorporeerd worden. Het
ongedachte ontsnapt uiteindelijk zelfs aan het zijn,
omdat "het ongedachte (...) zich niet in de mens
bevindt als een ineengerold brok natuur of als een
door de geschiedenis gevormde laag..."(p.353). Het
ongedachte is natuur noch geschiedenis en het valt
dientengevolge ook niet in een legitimeringsstrategie
te vatten: "het is, met betrekking tot de mens, het
Andere", vergelijkbaar met een 'schaduw' of "een
blinde vlek vanwaaruit het mogelijk is hem te leren
kennen". In De woorden en de dingen verhoudt
Foucault zich echter nog op negatiefkritische wijze
tot het moderne vertoog. Hij meent dat, ondanks het
feit dat Hegel, Marx en Freud "zich ervan (van deze
schaduw, ho) bewust zijn geweest" ("Le
savaient")(p.355), moderne denkers de consequenties
van dit inzicht niet radicaal hebben getrokken. Het
Andere werd toch nog als een deel van het Zelf gezien
en dus als een natuur of een geschiedenis ten tonele
gevoerd. Precies in zijn ontkenning van deze
dialectische verhouding opent Foucault een nieuwe taak
voor het denken: de taak om zijn eigen
ontoereikendheid op zo'n manier te denken dat dit niet
opnieuw in een zelfgenoegzame usurpatie verzandt. Dat
ook hier naast Bataille, Sade en Artaud Nietzsche weer
wordt opgevoerd als een van de denkers die deze taak
op zich heeft genomen, zal weinig attente lezers
verbazen.
c. vernunftinterne en externe
aporie
Foucault spreekt in de teksten die hij in de
zestiger jaren schrijft nog met een dubbele tong, als
had hij zich aan de taal bedronken. Enerzijds
constateert hij in negatiefkritische zin een aporie
waarvan het moderne vertoog zichzelf niet bewust is,
anderzijds klinkt een positieve waardering op voor een
nietdialectische verhouding tot het Buiten in zijn
literatuuressays. Maar tegelijkertijd stelt hij dat er
ten aanzien van de subjectkritiek geen absolute
scheiding is tussen literaire en theoretische teksten:
"deze breking van het filosofisch subject worden we
niet alleen gewaar als we in de taal van ons denken
romans en theoretische teksten naast elkaar plaatsen."
Het gaat veeleer "om een voortdurende wisseling van
verschillende taalniveau's..."(p.68) Zodra we zijn in
negatie ontwikkelde subject en moderniteitskritiek op
zijn positieve waardering voor de moderne literatuur
aansluiten laten zich een tweetal vormen van
aporetische spanning onderscheiden: één die weer
teruggenomen wordt in het vertoog en die tot al dan
niet ophefbare antinomieën of tegenspraken leidt en
één die niet te herleiden is, omdat het Buiten of het
volstrekt Andere slechts te ervaren, maar niet te
begrijpen is, ook al kan het denken zich er niet aan
onttrekken dit steeds weer middels discursieve
configuraties te proberen. Of zoals het in 'Spreken
tot in het oneindige' heet: "Maar de taal van de
Bibliotheek vindt in zichzelf de mogelijkheid zich te
splitsen, zich te herhalen en een verticaal systeem te
creëren van spiegels, beelden van zichzelf en
analogieën"(p.20). Maar de geconstateerde oscillatie
binnen het moderne vertoog is niet gelijk aan de
aporetische spanning die in de literatuuressays wordt
gethematiseerd. In tegenstelling tot de nietophefbare
aporetische spanning van de laatste is die van het
moderne weten inherent aan de werking van de rede: de
aporie is 'Vernunftintern' en in die zin nog verwant
met de kantiaanse antinomieën of de hegeliaanse
tegenspraak. Dit blijkt wel uit de voorbeelden die
Foucault aanhaalt om de oscillaties tussen het cogito
en het ongedachte te illustreren. Als een veelkleurige
waaier articuleert het vertoog het ongedachte
variërend van het 'an sich' bij Hegel tot het
'Onbewuste' bij Freud waardoor allerlei nieuwe
dichotomieën ontstaan: 'an sich/für sich',
'ware/vervreemde mens', 'ego/id'. Al deze
tegenstellingen zijn uitdrukkingen van de niet
aflatende pogingen van de rede om het ondragelijke
Buiten door het op begrip te brengen in haar greep te
krijgen. We mogen hieruit concluderen dat Foucault in
De woorden en de dingen op negatiefkritische
wijze de aporetische structuur van het
menswetenschappelijk weten diagnostiseert, terwijl
zijn 'positieve' theorie, dat wil zeggen die
geschriften waarin hij de in zijn kritiek opgedane
inzichten in werking zet, impliciet is terug te vinden
in de literatuuressays. De vraag die zich vervolgens
aandient, luidt: hoe worden esthetische en
kentheoretische elementen, of anders gesteld:
literatuur en wetenschap, c.q. fictie en waarheid op
elkaar aangesloten?
4. Denken voorbij waarheid en fictie
"Het gaat dus om een boek dat functioneert als een
ervaring, meer dan als de vaststelling van een
historische waarheid. (...) En een ervaring is waar
nog onwaar, ze is altijd een fictie, een geconstrueerd
iets, iets dat alleen bestaat nadat het gemaakt is,
niet eerder. (...) Dit spel van waarheid en fictie of
zo u wilt, van constatering en constructie zal aldus
duidelijk maken wat ons bindt aan onze moderniteit en
er tegelijkertijd voor zorgen dat wij die anders gaan
zien."
In het befaamde interview met
Trombadori uit 1980 blikt Foucault terug op zijn werk
en situeert hij dat wat hij dan een 'waarheidsspel'
noemt tussen waarheid en fictie. Dit fictiebegrip gaat
veel verder dan de conventionele duiding ervan die nog
binnen de door Habermas als kritisch afzetpunt
gehanteerde oppositie wetenschapliteratuur figureert.
De nietzscheaanse grondtoon van Foucaults filosoferen
laat een dergelijk cryptodialectische oppositie niet
meer toe.
"Daarom is het nodig, het reflexieve taalgebruik een
andere wending te geven. Het mag niet op een
innerlijke bevestiging gericht zijn (...) maar op een
uiterste grens waar het zichzelf steeds in twijfel
moet trekken: heeft het spreken eenmaal zijn eigen
grens bereikt, dan vindt het daar niet een
positiviteit die het tegenspreekt, maar een leegte
waarin het geheel en al opgaat".
Door het fictiebegrip op
affirmatieve wijze aan deze 'blinde vlek' te binden
kan een ander spreken en schrijven ontstaan. In deze
beschrijvingen wordt opnieuw geëxpliciteerd wat ik als
een vernunftexterne of extradiscursieve aporie meen te
herkennen. Het extradiscursieve aspect van de
machtswerkingen dat hij na 1970 als resultaat van zijn
zelfkritiek invoert, is daarvan de eerste uitdrukking.
Door de inzet van het fictiebegrip dat hij reeds in
zijn literatuuressays ontwikkelt, zet hij bovendien
een esthetisering van het denken in gang, die
tenslotte tot een transformatie van de disciplinerende
savoirpouvoir in een stilerende zelfpraktijk leidt
waarin het menswetenschappelijk weten ('savoir') in
een waarheidsspel en de disciplinerende
machtswerkingen ('pouvoir') in een bestaansesthetica
overgaat.
a. van fictionering naar
esthetisering van het denken
Het fictiebegrip vormt de sleutel tot deze
transformatie. Het komt reeds in zijn essay over
Blanchot ter sprake: "Het fictieve", meent Foucault,
"is nooit in de dingen gelegen noch in de mensen, maar
in de onmogelijke waarschijnlijkheid van iets tussen
hen". (p.102) Geheel in overeenstemming met de
overgang van een vernunftinterne naar een
extradiscursieve aporetische spanning kenschetst hij
de werking van de fictie niet als "het onzichtbare
zichtbaar maken (dat wil vanuit een
bewustzijnsfilsoofische optiek zoveel zeggen als: het
ongedachte denkbaar maken, ho), maar laten zien hoe
onzichtbaar de onzichtbaarheid van het zichtbare
is"(p.102) Met andere woorden, de blinde vlek in het
denken wordt niet gedacht, maar getoond. Of
geformuleerd in overeenstemming met Foucaults eigen
beschrijvingen: in ervaring gebracht. Dit wijst eerder
op een esthetische inwerking van de aporetische
spanning dan op een discursieve uiteenzetting ervan.
Foucault is zich in tegenstelling tot moderne denkers
in zijn latere werk bewust van de blinde vlek in zijn
denken. Zijn kentheoretische kritiek krijgt een
esthetische affirmatie. Na de wending naar de taal het
zicht op de 'nonlieu', 'atopie', 'leegte' of 'absoluut
gevaarlijke ruimte' openen impliceert naar mijn mening
dat de aporetische spanning in de tekst voelbaar dient
te worden gemaakt. Of in esthetische termen: getoonzet
moet worden. Precies dat maakt de tekst tot schriftuur
of tot een 'ervaringsboek'. Dit kan bijvoorbeeld door
de lezer op logisch niveau aan nietophefbare
tegenspraken en op stilistisch niveau aan filosofische
vormen van zelfsplijting uit te leveren. Ironie en
parodie hebben bij Foucault dan ook altijd een
methodische kwaliteit. Hij voegt daartoe in zijn
teksten in toenemende mate ambigue uitdrukkingen in
als het eerder genoemde 'concrete apriori'. Dat
verklaart waarom hij zijn boeken, zoals het in zijn
retrospectieve zelfanalyse heet, steeds nadrukkelijker
opvat als 'ervaringsboeken' in plaats van
'waarheidsboeken' of 'bewijsvoeringsboeken'.(p.16) Zo
geeft hij gehoor aan dat wat hij in zijn essay over
Bataille als de constitutieve ervaring van een
'nietdialectische filosofische taal' zag: "... de
ervaring van de transgressie. Misschien zal deze
ervaring voor onze cultuur ooit nog eens even
beslissend blijken te zijn, even fundamenteel, als
kort geleden de ervaring van de contradictie dat was
voor het dialectische denken"(p.59).
b. de ethischpolitieke inzet van
het denken van het Andere veranderen als
opgave
Foucault merkte in De woorden en de dingen
nog in negatiefkritische zin op dat het Andere als
'schaduw' of als 'blinde vlek' uitsluitend 'een
nimmeraflatende verdubbeling was" die "nimmer om
zichzelfs wil, op autonome wijze, voorwerp van denken
is geweest"(p.253). In zijn methodologische testament
De archeologie van het weten (1969) verwees hij
vervolgens naar de 'bijzondere weerzin' van historici
"om het verschil te denken" alsof "we bang waren het Andere
te denken in de tijd van ons eigen denken"(p.21). In
de inleiding van Het gebruik van de lust
(1984) formuleert hij zijn project echter op
affirmatieve wijze: "Er zijn momenten in het leven
waarop de vraag of je anders kunt denken dan je denkt
en anders waarnemen dan je ziet, essentieel is om te
blijven kijken en nadenken"(p.13/4). De aanvankelijk
negatiefkritische inzet is nu omgezet in een
affirmatieve inzet die, gegeven zijn positie voorbij
de oppositie literatuur/wetenschap, een produktief en
scheppend karakter heeft: het gaat er niet meer om de
waarheid te ontdekken, maar om haar middels een
ervaring uit te vinden. De kentheoretische
aporetische spaning is tot een ontzettende ervaring
van een blinde vlek in het denken geworden. Zijn
esthetische inspiraties van weleer hebben tot een
bloedserieus spel geleid, ook al menen zijn critici
dat dit zichzelf veranderen zich tot preliminaire
"spelletjes met zichzelf" moet beperken. Voor Foucault
gaat het echter geenszins om een discursieve
autoerotiek. Het 'essay' als bevoorrecht filosofisch
procédé is vooral "een proeve waarmee je jezelf in het
waarheidsspel verandert". Tenslotte kan uit de
esthetische inspiratie een ethische gevolgtrekking
worden gemaakt. In feite gaat het in dit veranderen in
de vorm van een als een waarheidsspel gearticuleerde
bestaansesthetiek of zelfpraktijk opnieuw om een
positivering van dat wat evenals de aporetische
spanning reeds in het moderne vertoog, zij het ook nu
weer onbewust, lag besloten: "...het essentiële is,
dat het denken voor zichzelf, en ook binnen het
machtig bestek van de erdoor verzette arbeid, zowel
een weten is als een verschuiving van dat, wat het
weet". De daaraan toegevoegde zinswending is
veelzeggend als we de opmerking over het veranderen
uit Het gebruik van de lust voor ogen houden:
" en ook: zowel een nadenken als een transformatie van
de zijnswijze van dat waarover het denkt". Dat in de
daaropvolgende alinea de ethiek ter sprake komt, zal
de oplettende lezer niet meer verbazen: "het moderne
denken is van het begin af aan in zijn volle omvang
een zekere manier van handelen"(p.355).
Laat ik terugkeren naar mijn inzet
de affirmatie van een aporetische spanning in
Foucaults werk die hij aan Nietzsche ontleent om te
laten zien hoe de openheid voor het Andere in een
ander soort handelen uitmondt dan het
technologischmanipulerend handelen dat in De
woorden en de dingen impliciet en later in de
uitwerking van de disciplinerende machtswerkingen
expliciet wordt gekritiseerd. Dat wat Foucault voor
ogen staat hangt misschien samen met een geheel andere
tijdservaring die aan het eind, opnieuw bij monde van
Nietzsche, wordt beoogd. Het gaat daarbij om een
actief vergeten. Ook hier kan de zelfondermijnende
werking van de aporie op affirmatieve wijze worden
ingevoegd. Toegespitst op het filosofisch spreken (en
schrijven) impliceert dit een spreken dat zichzelf
uitwist, zichzelf vergeet. Maar daarbij gaat het niet
om vergetelheid of vergeetachtigheid. Dit vergeten, zo
laat Foucault in zijn essay over Blanchot zien,
"mogen we evenwel niet verwarren met de versnippering
van de verstrooiing noch met de slaap waardoor de
waakzaamheid zou verslappen (...) het (is) eerder nog
een afscheid van de nacht en een volledig openstaan
voor een dag die nog niet is aangebroken. In die zin
is vergeten opperste aandacht. (...) In het vergeten
handhaaft het wachten zich als wachten."(p.212)
Dit actief uitstaan naar een
toekomst die niet zonder meer een extrapolatie van een
verleden is, kan misschien nog het meest adequaat
worden begrepen als dat wat Foucault in zijn
herdenking van Kant 'een ontologie van het heden'
heeft genoemd. Dit houdt niet zozeer het
anachronistisch begrip van het verleden vanuit het
heden in, als wel een kritische waarneming van het
heden vanuit een geproblematiseerd verleden. Precies
in deze 'waarneming', in deze aisthesis om met
woorden van Lyotard te spreken zou eens te meer de
esthetische dimensie in Foucaults werk zich openbaren.
|