|
DE MYTHE VAN DE MODERNITEIT
GETOETST
Deleuze en de Dogon
Deze lezing komt voort uit een langdurige
fascinatie. Een titel en een plaatje, waar ik in de loop der
jaren telkens weer op ben gestoten. Het staat in een boek van
de filosoof Gilles Deleuze en lacaniaans georiënteerde
psychiater Felix Guattari: het in 1980 uitgekomen Mille
Plateaux, dat deel twee vormt van een studie met de
titel Schizofrenie et Capitalisme. De titel van het
artikel luidt: 28 november 1947 Hoe een lichaam zonder
organen te maken? En onder deze merkwaardige titel staat
het volgende plaatje: (blad 1) met het onderschrift: Het
dogon ei en de verdeling van intensiteiten. Een uiterst
intrigerende, maar enigszins ondoorzichtige combinatie. Ik
lees u de eerste alinea voor om u een indruk te geven van de
filosofische ontreddering die mij bij de eerste lezing ten
deel is gevallen:
"In ieder geval heeft u er een (of meer),
niet inzoverre het al van te voren bestaat of kant en klaar
gegeven is ofschoon het in een zeker opzicht al van te voren
bestaat maar in ieder geval maakt u er een, u kunt niet
verlangen zonder er een te maken en het wacht op u, het is een
oefening, een onvermijdelijk experiment, reeds voltrokken op
het moment, waarop u het onderneemt, niet voltrokken zolang u
het niet onderneemt. Het is niet geruststellend omdat u erin
kunt falen. Ofwel, het kan afschrikwekkend zijn, u de dood in
drijven. Het is zowel nietverlangen als verlangen. Het is
helemaal geen notie, geen concept, eerder een manier van doen,
een geheel van handelen. Het Lichaam zonder Organen, men
bereikt het niet, men kan het niet bereiken, men is er nooit
in geslaagd toegang toe te krijgen. Het is een limiet. Men
zegt: wat is dat het LzO maar men bevindt zich er al op, zich
voortslepend als ongedierte, aarzelend als een blinde, of
rennend als een dwaas, reiziger van de woestijn en nomade van
de steppe."(185/6)
1. Nieuwe lichaamsnotie
De titel, zo blijkt even verderop is ontleend aan een
radioexperiment van de franse schrijver/acteur Antonin Artaud,
waarin deze voor de wetenschap als 'gek' gekwalificeerde
theaterinnovator, de oorlog aan de organen verklaart.
Filosofischer gesteld: de wijze waarop in de westerse, moderne
wereld het lichaam ervaren en geobjectiveerd wordt, aan een
radicale kritiek blootstelt. Dan volgen er allerlei
beschrijvingen van lichaamservaringen van vermeende psychisch
gestoorde individuen: van de schizofreen via de verslaafde tot
de masochist. Hierbij wordt echter niet zozeer de
pathologische identiteit alswel de ondefinieerbare intensiteit
van het lichaam benadrukt. De schrijvers zijn blijkbaar niet
geinteresseerd in het morele oordeel van de burger, noch in
het wetenschappelijk oordeel van de psychiaters. Veeleer
richten zij hun aandacht op het lichaam als krachtenveld, als
een veld van intensiteiten dat vanuit zijn eigen werkzaamheid
beschreven kan worden. Het lichaam wordt als machine, als een
zichzelf voedend en funderend proces opgevat. De vermeende
samenhang gaat onder in een chaotisch vloeien, een elkaar
versterkend en opheffende strijd tussen affecten. Alles draait
blijkbaar om een lichaamsopvatting die niet in overeenstemming
is met de westerse lichaamsnotie. Op de een of andere we
zullen zien zeer vreemde wijze trachten Deleuze en Guattari de
relatie tussen het Ik en het lichaam zo kort te sluiten, dat
de subjectobject determinatie verdwijnt. Maar dit alles zou
weinig relevant zijn voor ons colloquim als het artikel niet
zou beginnen met die tekening. Blijkbaar heeft de mythologie
van de Dogon iets te maken met en nieuwe lichaamsnotie. Bij
verdere lezing blijkt het dogonmythe een plaats te krijgen in
een bonte verzameling werken, waarin naast Spinoza's Ethica
Castaneda's Lessen van Don Juan, de Tao Teh King en de
Japanse Pillowbooks voorkomen. Sporadisch zijn er
verwijzingen naar het dogonei: "Het LzO is een ei." Er wordt
over de Dogontweeling, de Nommo, gesproken in de context van
een andere verklaring van het verlangen. De oorsprongsmythe
van de Dogon wordt naast de westerse psychiatrie gesteld. Dus
niet als elkaar uitsluitende betekenisstructuren. Op de een of
andere manier is er volgens de schrijvers een verband tussen
wetenschap en mythe, tussen embryologie en mythologie, tussen
het biologische ei en het psychische of kosmische ei een
verband:
"Het ei, stellen ze, duidt altijd een
intensieve realiteit aan, niet ongedifferentieerd, maar waar
de organen zich uniek onderscheiden door de graden, migraties,
zones van nabijheid." (202)
Deel één van Schizophrénie et
Capitalisme bevestigt het vermoeden dat er een poging
wordt gedaan vanuit de relatie tussen wetenschap en mythe een
andere versie te ontwikkelen van enerzijds de Ikwij relatie,
anderzijds Iklichaamrelatie. De titel verwijst daar al naar: L'Antioedipe.
De mythe Oedipus wordt bekritiseerd. Maar daarmee
tegelijkertijd de wetenschap die zich van deze mythe bedient:
de psychiatrie, met name de psychoanalyse. Kortom, Schizophrénie
et Capitalisme presenteert zich als een radicale kritiek
op zowel het denken van Marx (vandaar 'Kapitalisme') als op
dat van Freud (vandaar 'Schizofrenie') en indirekt op al
diegenen die in de 60er jaren getracht hebben een synthese
tussen beide denkers tot stand te brengen (ik denk hier
bijvoorbeeld aan de humanistische psychologie van Erich Fromm
en en de cultuurkritiek van Herbert Marcuse).
Uitgaande van deze kritiek zou ik de vraag
naar de functie van de mythe in het westerse denken op willen
werpen. De beantwoording van deze vraag staat ons wellicht toe
iets te zeggen over de functie van de Afrikaanse mythes zoals
die van de Dogon binnen het westerse vertoog. We moeten echter
beseffen dat het hier om een locale terreinverkenning gaat.
Hier en daar kunnen kunnen slechts op tentatieve wijze
verbanden met bestaande discussies worden gelegd. Op de
achtergrond speelt wellicht een aspect van de vraag mee, die
dit colloquim in gang heeft gezet: op wat voor manier kan de
westerse filosofie toegang krijgen tot Afrikaanse denkvormen
zonder dat deze volledig door haar worden ingekapseld? Want
dit laatste bleek tot voor kort naast een volledige ontkenning
van het Afrikaanse denken de enige mogelijkheid. Dat er een
kloof tussen het Afrikaanse denken en het westerse gaapt, mag
duidelijk zijn. Eén van de oorzaken hiervan is waarschijnlijk
Hegels geschiedsfilosfie geweest. In Die Vernunft in der
Geschichte stelt hij namelijk dat in het gedeelte ten
zuiden van de Sahara "eigenlijk geen geschiedenis plaats kan
vinden.(...) Er is daar geen doel, geen staat, waar men zich
op kan richten, geen subjectiviteiten, slechts subjecten die
zich ontregelen." (216/7) Onmogelijke subjecten dus. Maar
Hegel laat het hier niet bij. Even verder velt hij het
eindoordeel over Afrika: "Deze toestand is niet tot
ontwikkeling of vorming in staat (...) Het heeft eigenlijk
geen geschiedenis. (...) Het is geen historisch
werelddeel"(234). Inmiddels is Hegels denken door de tijd of
beter: door de zogenaamde vormende activiteiten van het
kolonialisme en het imperialisme achterhaald. En hopelijk is
de ontwikkelingshulp in zijn paternalistische vorm een laatste
veruitwendiging van zijn te absolute geest geweest. Deze
emanciperende bedrijvigheid heeft westerlingen echter tevens
doen inzien dat hun idee van ontwikkeling niet alleen
vernietigend is voor andere culturen, maar juist door zijn
excessieve karakter hun eigen cultuur bedreigt. De wijze
waarop het westen met tijd en ruimte, met zichzelf, de
medemens en de natuur omgaat, blijkt de grenzen van het
mogelijke te overschrijden. Welnu, tegen de achtergrond van
deze kritiek dient het werk van Deleuze en Guattari gelezen te
worden.
2. Antioedipe: ik, wij en het lichaam
Het is een nagenoeg onmogelijke taak om de inhoud van hun
uiterst complexe boek kort weer te geven. Het is zo
geschreven, dat het zich meer als leeservaring dan als
samenhangend betoog aandient. Maar laat ik de advokaat van de
duivel spelen. De titel maakt al duidelijk dat wij midden in
een mythe terecht komen. De mythe van Oedipus, die in weerwil
van zijn eigen goede bedoeling als gewraakte vadermoordenaar
en incestpleger in de netten van het noodlot verstrikt raakte.
In L'AntiOedipe wordt ons verlangen onder een tweetal
invalshoeken bekritiseerd. Enerzijds de wijze waarop het
individuele verlangen in het gezin gevormd wordt. Anderzijds
de wijze waarop het collectieve verlangen, met andere woorden
de economische en sociale behoeftes geproduceerd worden. In
het eerste geval is Freuds psychoanalyse en met name de wijze
waarop hier onder het mythische beeld van Oedipus onze
relaties met andere mensen, in eerste instantie familieleden,
betekenis krijgen. In het laatste geval gaat het om Marx'
analyse van de productieverhoudingen. De sociale verlangens
worden door Freud vanuit de individuele lusthuishouding
verklaard terwijl Marx ervan beticht wordt juist een
tegengestelde denkbeweging te eenzijdig uit te voeren: de
reductie van de individuele leven op het sociale, of exacter:
op de productieverhoudingen. Maar hoeveel tegenstellingen er
tussen beide 19e eeuwers ontdekt kunnen worden, in een ding
stemmen hun reducties overeen: zij hanteren de scheiding
tussen het gezin en de maatschappij als gemeenschappelijke
vooronderstelling. 'De heilige familie` van Marx is het
oedipaal bepaalde burgermansgezin van Freud. Wat willen
Deleuze en Guattari nu aantonen? Allereerst dat individuele en
sociale verlangens zich zonder bemiddeling van het gezin zich
voortdurend op elkaar enten. Individuele verlangens zijn
altijd al groepsverlangens, waarin het fantasma een
constituerende rol vervult. Vanuit de Saussuriaanse
tekentheorie bezien vervult dit fantasma de rol van een
betkenaar, die slechts een ontologisch fundament suggereert,
maar haar in werkleijkheid ontbeert. Voor de betekenaar
bestaat geen exclusieve betekenis. Dit impliceert dat Freuds
analyse van ons verlangen als oedipaal verlangen slechts een
van de vele mogelijke betekeningen is. Het verlangen kan door
de theatrale voorstellingswijze van Freud wel betekend, echter
nooit als ontologisch fundament verklaard worden. Het
onbewuste is geen theater, maar een fabriek, dat niet vanuit
de reeds voorgekookte categorieën van de psychoanalyse
begrepen kan worden. Het Onbewuste heeft een autonome werking
die ieder fantasme, iedere betekenisgeving ontkracht. Dat dit
in het dagelijks leven ook inderdaad gebeurt, blijkt wel uit
de enorme aantallen individuen die 'afwijkend' zijn: de
perverten, sadisten, masochisten, de hysterici, de schizo's en
de paranoia. Er zijn er nog veel meer te noemen. Daarnaast
tonen zij aan dat ons verlangen evenmin vanuit belangen te
begrijpen is. De pogingen die Marx heeft ondernomen om het
verlangen van een historisch subject het proletariaat in
termen van belangen opheffing van de onvrijheid, realisering
van een machtsvrije samenleving te duiden, steken schril af
tegen enerzijds de concrete resultaten van de bestaande
`dictaturen van het proletariaat' anderzijds tegen de vanuit
zijn theorie volkomen onverklaarbare fascinatie van de massa's
voor bijvoorbeeld het fascisme. Misleiding, ideologie, vals
bewustzijn en vervreemding zijn de theoretische instrumenten
geweest waarmee neomarxisten dit voor hun onbegrijpelijke
verschijnsel hebben trachten te verklaren. Wilhelm Reich een
van de wetenschappers die Freud en Marx heeft willen
integreren heeft echter als een van de eersten gesteld dat het
fascisme wel degelijk de uitdrukking van het verlangen van de
massa's was. Hetgeen hem overigens niet in dank is afgenomen.
Zijn analyse van de zelfervaring van de westerse mens stelde
evenals Freud krachten centraal die de mens slechts ten dele
kon beheersen en begrijpen. Freud heeft dit ook gedaan, maar
hij heeft hen met name via de fantasma's en mythe van Oedipus
getracht in te dammen. In navolging van Reich stellen Deleuze
en Guattari dat het Ik eerder dan een samenhangende
innerlijkheid een veelheid van intensiteiten is, die niet door
het gebrek maar door de overvloed wordt bepaald. Een veelheid
die zichzelf voortdurend als veelheid wil bekrachtigen, waarin
intensiteiten in elkaar overgaan en zich aan steeds weer
andere objecten in de wereld vastzetten. Deze lustbezettingen
kunnen niet tot het gezin beperkt worden en staan in
tegenstelling tot wat Freud beweert direkt in verband met het
sociale en de geschiedenis.
3. Het lichaam
Maar wat heeft dit nu allemaal met het lichaam te maken?
Wellicht zal inmiddels duidelijk geworden zijn dat in de
kritiek op het subject impliciet op een geheel andere
lichamelijkheid geanticipeerd wordt. De in het hegels denken
gearticuleerde subjectobject dichotomie, die constituerend zal
blijken te zijn voor de in de 19e eeuw opkomende
menswetenschappen, waarin de kennis van de zijnsstructuur van
de mens neerslaat, wordt geheel ontwricht. Het lichaam kan
niet meer als een onmondige pendant van de geest worden
opgevat. Het heeft een eigen 'autonomie', zo zouden we haast
kunnen stellen, een eigen werkzaamheid, die tot op zeer grote
hoogte bepalend is voor de geest. De geest, het ik, of
kentheoretisch uitgedrukt: het subject is veeleer het product
van een specifieke betekenisgeving van de lichamelijkheid. De
normering van de gedragingen die overigens alle terugwijzen
naar de in de verschillende menswetenschappen ontwikkelde
categorieën heeft uiteindelijk een ikervaring, een
zelfervaring tot gevolg waarin lichamelijkheid slechts een
marginale rol speelt. Haar gewelddadigheid wordt door een
rigide technologisering geneutraliseerd. De psychoanalyse zelf
is een van deze technologieën van het lichaam. Maar meer nog
dan deze enigszins elitaire praktijk zijn het de
gezinspraktijken, de schoolpraktijk en alle therapeutiserende
praktijken waarin het individu telkens weer tot zichzelf terug
wordt gebracht. Het lichaam is een verzadigingspunt van
sociale en historische bewerkingen, die in tegenstelling tot
wat Freud beweert, niet in eerste instantie in het gezin
worden gevormd, maar voor alles door de aansluiting van het
lichaam van het kind op de samenleving en op diens
geschiedenis. Het gezin is slechts een modulatie van het
sociale en het historische. Deleuze en Guattari proberen een
lichamelijkheid te denken die voorbij deze opgelegde structuur
ligt. Ik zeg met opzet: voorbij en niet onder, daar het hier
niet opnieuw om een ontologisch fundament gaat. Deze
lichamelijkheid hebben zij reeds elders in de westerse
filosofie getraceerd, met name bij Spinoza. In een artikel
over de Ethica stelt Deleuze dat het leven of welke
levende individualiteit dan ook niet in eerste instantie als
vorm of als een ontwikkeling van een vorm begrepen moet
worden, maar als een complexe verhouding van verschillende
snelheiden: "Men dient, zo stelt hij, een dier of een mens
niet door zijn vorm, zijn organen of functies en ook niet als
subject te definiëren: men moet ze middels haar affecten waar
zij toe in staat is definiëren." (KG 77) Hier klinkt de
inspiratie van Friedrich Nietzsche door. Lichamelijkheid wordt
onder de invalshoek van het affect, dat wil zeggen de
mogelijkheid om aangeraakt te worden of zich instinctmatig en
niet rationeel of slechts dan als rationaliteit ook als
uitdrukking van een affect wordt opgevat met iets in de
buitenwereld verbonden te voelen, bekeken. Het LzO begint
langzaam in beeld te komen. Op het niveau van deze affecten
wordt geen fundamenteel verschil gemaakt tussen individuele
lichamen of het maatschappelijk lichaam, tussen de totaliteit
van het lichaam of affecten, tussen actualiteit en
geschiedenis, tussen persoonlijke geschiedenis en collectieve
geschiedenis. Al deze afbakeningen voltrekken zich op het
niveau van de theorie. Op het niveau van de affecten staat
alles direkt met elkaar in verbinding. Het verlangen van het
individu wordt bepaald door de collectieve geschiedenis èn de
actuele ontwikkelingen. Het gezin transformeert slechts en
houdt de illusie van een scheiding tussen prive en publieke
orde in stand. Dit voltrekt zich op het niveau van de
belangen, niet van het verlangen. Op het niveau van het
subject met zijn intenties, niet op het niveau van het
verlangen met zijn intensiteiten. Maar hier rijst een
probleem: kunnen beide los van elkaar bestaan? Zou dit wel
kunnen dan zou er een gelouterde, zuivere zijnsvorm mogelijk
zijn, waar het verlangen volkomen vrij is van belangen.
Deleuze en Guattari verwerpen deze optie. Wel stellen ze dat
er een ervaring van deze affectiviteit mogelijk is, waarin het
subject momentaan verdwijnt en het Ik met zijn totale
lichamelijkheid, met de veelheid van zijn organen samenvalt.
Het organisme verdwijnt als samenhangend geheel. De
subjectobject relatie lost op. Het wordt steeds duidelijker
wat het verband met het Dogonei is. Of liever met de
samenlevingsvorm die in dit ei zijn expliciete verwoording
vindt.
4. De Dogonmythe
Er is nog een andere wat algemenere reden waarom de beide
Franse inetllectuelen zich van deze mythe bedienen. Deze
merkwaardige Afrikaanse oorsprongsmythe wordt namelijk voor
het eerst uitgebreid opgetekend door de ethnoloog Marcel
Griaule uit de mond van een van de belangrijkste stamleden. De
aanwezigheid van Griaule in het gebied tussen Mali en
Oppervolta heeft alles met het Franse kolonialisme te maken.
Want zoals iedere zichzelf respecterende koloniale mogendheid
heeft ook Frankrijk door de bestudering van de leefgewoonten
en denkwijzen van de door haar onderworpen volkeren geprobeerd
niet in eerste instantie meer begrip maar veeleer meer greep
op hun doen en laten te krijgen. Griaule, een leerling van
Marcel Mauss, een van de oprichters van het Franse instituut
voor ethnologie in 1925, leidt in de 30er jaren de eerste
grote expeditie van Dakar naar Djibouti leidt, waardoor hij
zich intensief met de Dogon bezig gaat houden. Dit qua taal
zeer verscheiden maar cultureel en religieus innig verbonden
volk, dat ongeveer 300.000 zielen telt, wordt object van een
uitgebreid onderzoek. De publicaties over hun leefwijzen,
rites en mythes worden vanaf dat moment gemeengoed van vele
Franse intellectuelen. Griaule heeft samen met bijvoorbeeld
Michel Leiris en Georges Bataille zitting in het
cultuurkritisch blad Document waarin allerlei
nietwesterse gebruiken als kritisch afzetpunt voor een
radicale cultuurkritiek worden opgepakt. De culturele,
economische en politieke impasse waar de westerse wereld zich
in de 30er jaren in bevindt, nodigt deze intellectuelen uit
tot allerlei denkexperimenten, waarvan vreemde culturen een
niet weg te denken onderdeel vormen. Welnu, het is mede door
de invloed van dit soort publikaties dat latere generaties
Franse intellectuelen gevormd worden.
Bij de Dogon beheerst de mythologie met haar
symbolen de hele samenleving. Zij bepaalt zowel de individuele
als de sociale gebeurtenissen. Tijd en ruimte worden met een
veelheid van tekens ingedeeld. In het kort komt deze mythe op
het volgende neer. Amma. God schept de zon en de maan in de
vorm van potten. De zon is omringd door 8 ringen rood koper,
de maan door geel koper. Hompen rondgeslingerd klei vormen de
sterren, waaronder Sirius een speciale plaats in neemt: zijn
eclips (60 jaar) bepaalt de tijdsindeling. De aarde kneedt
Amma van klei en speeksel. Als Amma zich met de vrouwelijke
aarde wil verenigen wordt hem de weg door en termietenheuvel
versperd. Pas nadat deze is weggeruimd kan gemeenschap plaats
vinden: het wegsnijden van clitoris gaat hier op terug. Dit
vormt echter een inbreuk op de universele orde, waardoor in
plaats van de verwachte tweeling aan de jakhals of de vos het
leven wordt geschonken. Deze vos zal Amma veel last bezorgen.
Een tweede poging resulteert alsnog in de geboorte van de
tweeling, de Nommo, tweeslachtige wezens, half mens, half
slang, groen en glad als water met 8 sinusachtige ledematen.
Eenmaal terug in de hemel bij hun vader zien ze hun moeder
naakt en verscheurd onder hen liggen. Over haar spreiden ze
een van garen geweven jurk uit, die rood kleurt van het bloed.
Met deze jurk schenken ze de aarde de eerste taal van de
geesten. Techniek en taal vormen een geheel. De vos steelt de
jurk en daarmee verkrijgt hij via de taal macht over de aarde.
Hij bevrucht zijn moeder. Amma ziet na deze schanddaad van
ieder contact met haar af en schept zelf de 8 voorouders van
de mens, die door de Nommo tot tweeslachtige wezens worden
omgevormd. Zij worden ook in de hemel opgenomen. Het 7e paar
moet echter naar de aarde terugkeren om de mensen het tweede
woord en een tweede techniek te schenken: het weven. Door een
inbreuk op de hemelse orde moeten later alle voorouders de
hemel verlaten. Zij mogen echter allen iets nuttigs meenemen.
Zo komen gebruiksvoorwerpen op aarde. Bovendien k nnen zij hun
hemelse kennis van technieken aanwenden. De derde taal, de
huidige Dogontaal, wordt nu aan de nazaten geschonken. En met
haar de smeedtechniek, die door een van de voorouders uit de
hemelse smidse is gestolen. Op zijn vlucht, achtervolgd door
de Nommo, glijdt hij via de regenboog naar de aarde. Door zijn
snelheid breekt hij al zijn ledematen die vanaf dat moment de
menselijke vormen aannemen. De sterfelijkheid van de mens
wordt door de volgende gebeurtenis veroorzaakt: als een oude
vrouw op een dag de rode jurk van de Nommo vindt, krijgt ze
een macht over de mensen. Jaloerse mannen doden haar later
zonder het de oudste man te vertellen. Deze inbreuk op de orde
komt aan het licht als de man, eenmaal gestorven en de
gedaante van een slang aangenomen, hen in deze jurk ziet. In
zijn woede spreekt hij ze met de 3e taal aan. Deze mag echter
niet door geesten gesproken worden. Zijn overtreding maakt een
terugkeer naar de hemel onmogelijk, en hij kan evenmin onder
de mensen leven. Op dat moment zijn zijn nazaten sterfelijk
geworden.
5. Dogonei als tekentheorie
Hoe wordt in L'AntiOedipe de dogonmythe opgevat? De
volgende opmerking geeft een eerste aanwijzing:
"at the beginning of Le renard pale
Marcel Griaule and Germaine Dieterlen sketch out a splendid
theory of sign: the signs of filiation, guide signs and
mastersigns, sings of desire, intensive at first, which fall
in a spiral and traverse a series of explosions before
extending into images, figures and drawings"(154).
Voor alles is het voor hen "a splendid
theory of signs". In die zin is voor hen de Dogonmythe
gelijkwaardig aan de Oedipusmythe. Ze structureert zowel het
individuele als het sociale lichaam. En inderdaad, Griaule en
Dieterlen benadrukken de waarde van het teken binnen de
Dogoncultuur. Het teken schenkt leven. Het zijn geenszins
arbitraire toevoegingen aan het leven, maar zij vormen er de
vitale kern van. We hebben dit reeds in de oorsprongsmythe ten
aanzien van het woord gezien. Het woord als uitdrukking van
het teken is bepalend voor de beslissende gebeurtenissen in de
Dogongemeenschap. Het Dogonei is eigenlijk de totale schepping
in een notedop. Daaruit emaneert de schepping. Het is een veld
van intensiteiten met een dynamisch emanatieprincipe dat de
gehele wereld reeds in zich draagt. In het ei zien we series
punten, 266 in totaal. Alle tekens zullen later een specifieke
vorm aannmenen. Uit de vier elementen lucht, water, aarde en
vuur waarin de zogenaamde 'sleutelbeenderen' van Amma zitten
(blad 2), die tot de Nommo worden, volgt via het dynamische
principe van de universele vibratie dit tweede ei, de yala,
dat we bij Deleuze en Guattari tegenkomen. Voordat de tekens
zich via een viertal series abstracte tekens, merktekens of
beelden, figuren of schema's en tenslotte ontwerpen of
feitelijke dingen tot de concrete dingen van de wereld
emaneren waarin het vrouwelijke en mannelijke uit elkaar
vallen sociaal uitgedrukt in de initiatieriten: besnijdenis en
wegsnijden van clitoris als het uitwerpen van respectievelijk
het vrouwelijk en het mannelijke deel , zijn het nog slechts
intensiteiten, die het gehele lichaam van de schepping
doorkruisen. Het totaal van de tekens is Amma. De hele
scheppingsmythe schrijft zich vervolgens in het
maatschappelijke veld in, waar het individu zich direkt, dat
wil zeggen niet bemiddeld door het gezin, op aansluit. Dit
houdt een letterlijke, wrede betekening van het lichaam in:
wegsnijden uit en insnijden op het lichaam. Ook worden het
grondplan voor huizen en dorpen, een vaste tijscyclus,
gebonden aan de begrafenisriten en de doden, aan de tekens
ontleend. De geforceerde scheiding tussen het individuele en
het sociale zijn hier niet aanwezig. Alle uitdrukkingen van de
werkelijkheid, door ruimte en tijd, in welk lichaam dan ook,
dierlijk, menselijk, maatschappelijk vindt zijn laatste
betekenis in dit dogonei, dat Amma is. Zelfs de taal is door
deze intensiteiten bezet: ze heeft een materiële uitwerking op
de dingen.
6. Wetenschap en mythe
Opnieuw stellen we de vraag naar de functie van deze mythe in
het westerse vertoog, dat Schizofrenie et Capitalisme,
ondanks zijn kritische potentie, immers is. Is het slechts een
illustratie voor een andere verlangensstructuur? Is het een
ideaalbeeld waar nostalgisch naar terug wordt verlangd? Of
wijzen ze op de ontoereikendheid van onze pogingen met een
gewelddadige natuur om te gaan? Als zij al een voorstel tot
een andere houding doen dan is het zeker niet de taak noch de
competentie van de filosofie om deze te realiseren. Het kan
hoogstens een voorstel tot een andere ervaring zijn, die
opgehangen wordt aan de Dogonmythe, die een illustratie is
voor het lichaam zonder organen. Deleuze en Guattari toveren
ons zeker geen nieuw wezensfundament van de wereld voor. Het
gaat hen voor alles om een tekentheorie. Een manier van
betekenisgeving. Maar daar doorheen speelt er een veel
fundamentelere discussie. Een discussie die ook in Afrika
gevoerd wordt. Daar raakt het echter de aard van de Afrikaanse
filosofie. Aan de ene kant wordt de eigenheid van het
Afrikaanse denken in de vorm van mondeling overgeleverde
mythes en verhalen benadrukt, aan de andere kant tracht men
met behulp van een westers instrumentarium deze verhalen op
een ander plan te brengen. Het gaat hier om de relatie tussen
mythe en wetenschap. De kritiek op de etnofilosfie betreft
voornamelijk het irrationele karakter van deze
wereldbeschouwingen. De modernistische tendens binnen het
Afrikaanse denken zou zich liever van deze irrationele
elementen ontdoen. De kritiek van Irung Ishitambal'a Mulang op
een radicale scheiding tussen beide opties is wellicht een
aangrijpingspunt om een vergelijking met enkele westerse
vormen van filosofie te maken. Mulang stelt:
"The radical dichotomy between the rational
and the mythopeic is misleading, since philosophical thought,
from presocratics to present times, is informed in no small
measure by mythical elements. Not only have thinkers like
Plato and Marx used forms of expression that properly belong
to myth but, too, philosophers and philosophy as such can't
proceed without in some measure having recourse to these forms
of expression"(Quest, 12).
Ik zou hier willen beweren dat, ondanks het
feit dat wij denken de mythe geheel uit onze wereldbeschouwing
gebannen te hebben, dezelfde discussie zich reeds enige tijd
bij ons afspeelt. Deze discussie is ingezet in De
dialectiek van de verlichting van Adorno en Horkheimer,
waarin het rationele vertoog van de moderne westerse
filosofie, het vertoog van de verlichting en het autonome
subject, als nieuwe mythe ontmaskerd wordt. De filosofie denkt
dat zij zich in de loop van de laatste 3 eeuwen van de
kluisters van de laatste mythes of een aan haar uiterlijk
opgelegde autoriteit de religie ontworsteld heeft: "De mythe
gaat in de verlichting over en de natuur in louter
objectiviteit." (23) En zo laten zich" de vele mythische
figuren volgens de verlichting alle onder dezelfde noemer
brengen: ze worden teruggevoerd op het subject." (20) Maar ,
zo menen Adorno en Horkheimer, het subject zelf blijkt de
grote mythe van de moderniteit: "Zoals in de mythe al
verlichting ligt besloten, zo raakt de verlichting met elk van
de stappen die zij zet verder in de mythologie verstrikt."
Tenslotte heeft ook de burgerlijke rationaliteit geen
weerstand kunnen bieden aan een mythe die als een van de
perverse uitwassen van haar eigen angst voor iedere autoriteit
de 20e eeuw bestookt heeft: het fascisme. Daar heeft de mythe
niet alleen als rechtvaardiging van racisme, totalitarianisme
en volkerenmoord gediend. Het heeft tevens nieuwe betkenissen
verleend aan een verscheurde gemeenschap diue ieder gevoel van
solidariteit en elke oriëntatie op de geschiedenis verloren
had. De functies en de werking van de mythe blijkt in het 20e
eeuwse westen nog mogelijk.
7. Functie van de mythe
Maar wat doen we met deze Afrikaanse mythe? Wat voor waarde
heeft zij voor ons, westerse individuen die in een wereld
leven waarin geen plaats meer is voor het sacrale en waar het
ritueel geen bemiddelende rol meer kan spelen? Met Deleuze en
Guattari kunnen we tot de conclusie komen dat onze
werkelijkheid nog wel degelijk gestructureerd wordt door de
mythe. We geloven dan wel niet in het werkelijke verloop van
het verhaal, maar de functionele aspecten van de mythe werken
wel degelijk in onze dagelijkse omgang met de wereld door. Zo
zouden we door de mythe en de organisatie van afrikaanse
samenlevingsvormen zicht kunnen krijgen op verdrongen aspecten
van onze cultuur: de noodzaak met een onvermijdelijk geweld
van ons lichaam en van het maatschappelijk lichaam om te gaan.
We blijken nog midden in de mythologie te leven: volgens
Deleuzen Guattari die van Oedipus en volgens Horkeimer en
Adorno die van het verlichtingsideaal bij uitstek: het
autonome subject. Niet westerse denkwijzes en
samenlevingsvormen zijn een potentieel waaruit de kritiek op
het eurocentrisch, subjectgerichte denken kan putten. Zij zijn
echter geen voorstellingen van, maar eerder voorstellen tot
een andere verhouding met onszelf en de wereld. Want met de
uitputting van het utopisch potentieel in de loop van de jaren
70 dat mede het gevolg was van de ontgoochelende ervaringen
van een zichzelf steeds verder in zijn eigen paradoxen
verstrengelende postindustriële samenleving, bleek de
cultuurkritiek redelijke alternatieven te ontberen. Het
socialistisch model dat lange tijd als een laatste
toevluchtsoord fungeerde bleek gegeven de problematische
verwerkelijking in de socialistische landen geen realistisch
alternatief meer te bieden. De kritiek op het marxisme na mei
1968 en de getuigenissen van de overlevenden van de Goelag
maakte een herformulering van de kritiek in termen van een
sociale utopie onmogelijk. De langzaam aan het licht tredende
problemen van de verzorgingsstaat stelden de liberalistische
en postkapitalistische modellen eveneens onder verdenking.
Cultuurkritiek nam steeds radicalere vormen aan. In de 60er en
70er jaren werden allerlei voornamelijk oosterse denkwijzen en
praktijken nog als redelijk alternatieven gepresenteerd:
zenboeddhisme, macrobiotiek, yoga en andere meditatievormen,
die per goeroe verschilden. Maar inpassing in de westerse
cultuur leverde naast een dikbelegde boterham voor
trendgevoelige ondernemers slechts een versplintering van
leefstijlen op. Maar juist deze verstrooiing toont hoe
nietwesterse denkwijzen door kunnen werken. Vanuit het besef
dat het mogelijke vormen zijn om met de wereld en de medemens
in contact te treden en om een gemeenschap te stichten krijgt
het een esthetisch karakter, vanwaaruit een levenshouding
ontwikkeld kon worden. De cultuurkritiek van Deleuze en
Guattari staat niet op zich. Een hele generatie Franse
filosofen heeft zich tegen de idealen van de verlichting
gekeerd. Het betreft hier een aantal denkers die wellicht
onder de noemer 'differentiedenkers' in de annalen van de
westerse filosofiegeschiedenis ingeschreven zullen worden.
Denkers als Michel Foucault, Jacques Derrida, Luce Irigaray en
JeanFrancois Lyotard om er maar een paar te noemen. Zij leggen
zoals in het geval van Foucault de bestaansvoorwaarden van de
moderne westerse mens bloot, kritiseren zoals Lyotard de
mogelijkheid om de geschiedenis en de wereld vanuit Grote
Verhalen betekenis te verlenen en erkennen de noodzaak om het
'patchwork of minorities' als positief uitgangspunt te nemen.
Met de verlichting is de mogelijkheid van een universele
moraal verdwenen. Ieder leeft in zijn bescheiden kring zijn
eigen mythe, die slechts bij gratie van de belichaming in een
praktijk tot leven kan komen.
|