Tune in deep listening stay connected

 

         

bet with android


 


Belangrijk vindt Oosterling, het aloude credo 'niet lulllen maar poetsen' Rotterdam is een omslag aan het maken. We zien steeds beter hoe we de kracht in deze stad kunnen benutten. De aanstelling van Ahmed Aboutaleb als burgemeester is daar een voorbeeld van. We moeten niet lullen, maar poetsen. Nou ja je moet natuurlijk wel een beetje lullen om te kunnen poetsen, maar je moet oppassen dat het geen oeverloos gezwam wordt. Woorden als daden. Rotterdam heeft 't, het is alleen nog niet aan de oppervlakte gtekomen. We moeten het oppoetsen. Als voorbeeld noemt hij het boek Rotterdam, de Zuiderlingen, dat dit weekeinde aan de koningin is overhandigd. Op zuid zijn 155 groepen geportretteerd, Liefst 155 groepen! En wij maar roepen dat er geen sociale cohesie is. We zien het gewoon niet en maken overal een probleem van. Ook mooi: er zit een scoutinggroep in met de naam Ibn Ghaldoun. Scouting dat is zo Hollands als wat.








       De Rotterdam Lezing 2004


Kleurloos Rotterdam 2025? Werk in uitvoering

Spreker: Dr. Henk Oosterling

 

Verder met: dr. José van Eijndhoven, mr. Sadik Harchaoui en de Woorddansers

 

Tekst van de Rotterdam Lezing, 12 mei 2004



Kleurloos Rotterdam 2025. Hoe stellen we ons dit voor? Willen we een indruk krijgen van wat onze voorspellingen waard zijn, dan is het instructief om ons ruim 20 jaar terug in de tijd te verplaatsen. Wie kon er in 1984 - dat beladen jaar van George Orwells boek, dat beschrijft hoe veiligheid in terreur is omgeslagen - net bekomen van de demonstratiegolven tegen kruisraketten, vermoeden dat het Oostblok 5 jaar later zou verkruimelen en weer 15 jaar later Russische satellietstaten tot de Europese Gemeenschap zouden toetreden? Hadden we toen kunnen denken dat Mandela de eerste president van een Apartheidvrij Zuid-Afrika zou worden? En wie had toen enig benul van computers, Internet of GSM-tjes? Welke politicus had zich ooit om Afghanistan bekommerd? Het enige dat in Nederland naar Afghanistan verwees, was goeie hasj, muf geurende, harige hippiejassen. En de uitdrukking ‘ammehoela’: nooit van mijn leven, mij niet gezien. Deze uitdrukking verwijst naar de Afghaanse koning Ammanullah, die na de Russische Revolutie in 1917 en de instorting van het Ottomaanse Rijk in 1918 het feodale Afghanistan op een hypermoderne leest wilde schoeien, vergelijkbaar met het Turkije onder Kemal Pascha, Atatürk. Tot hij in 1929 door de toenmalige geallieerden onder Britse leiding van de troon werd gestoten. Wie richtte in 1984 sowieso zijn blik op de islamitische wereld? Niemand dus.

 

1. Prognose Rotterdam: local-global

En kijk hoe Rotterdam er rond 1984 in vergelijking met 2004 voorstond. In 1983 wordt deze GemeenteBibliotheek geopend. Als centrum van kennis, beschaving en cultuur richtte deze zich nog op de emancipatie van de lokale bevolking die voornamelijk werkte. Rotterdam werkstad. ’s Avonds en in het weekend kon je in het centrum een kanon afschieten zonder iemand te raken.

De bibliotheek heeft zich echter in de loop der jaren getransformeerd tot een semi-openbare ruimte. Er vinden evenementen plaats, van collectief schaken tot debatten. De boeken vol kennis zijn er nog, maar belangrijker is haar rol als informatieverstrekker. Fysiek in de vorm van uitgebreidere krantenvoorziening en baliemedewerkers, maar vooral virtueel via computers en Internet. Kennisoverdracht is vervangen door informatievoorziening. De Bieb is een knooppunt geworden in een virtueel netwerk dat de hele wereld omspant. De GemeenteBieb is local en global, de bieb is glocaal.

Dit geldt natuurlijk niet alleen voor de bibliotheek. Ook Rotterdam is intussen geglocaliseerd. De doorvoerhaven Rotterdam had dat altijd al een beetje: stukgoed en bulk werden van zeeschepen op rijnaken, treinwagons en vrachtwagens overgeheveld en doorgevoerd. Maar inmiddels ligt de haven buiten de stad en zijn op de voormalige haventerreinen torenhoge, bovenmodale flats verrezen. Daarvan was in 1984 echter nog geen sprake: Rotterdam was nog een vrij platte, in zichzelf gekeerde stad.

Nederland besefte toen wel al dat ‘gastarbeiders’ blijven en noemt ze dan ook ‘minderheidsgroepen’. In de Minderheden nota van 1983 wordt de nadruk gelegd op onderwijs in eigen taal en cultuur (BB 37) en volgens de toenmalige CDA minister Brinkman van Cultuur “wordt er nergens zo goed Nederlands geleerd als op de islamitische scholen”. Pas in 1989 heet het Rapport van de Wetenschappelijke Raad van de Regering Allochtonenbeleid. Er begint iets te dagen over de problemen die een open, globaliserende wereld met zich mee brengt.

Terug naar Rotterdam. Rotterdam zoekt zijn identiteit, bouwt de Willemsbrug in 1981, lanceert Radio Rijnmond in 1983. Er vindt sporadisch een inval van de FIOD plaats bij banken zoals in 1983 bij de Slavenburgbank op de Coolsingel. Vakbondsleider Kok gaat op de schouders bij stakingen en heeft nog geen last van ‘duivelse dilemma’s’. Feijenoord wordt in 1984 landskampioen zonder rellen. Maar ook al vindt in de zomer van 1984 het eerste Antilliaanse Zomerfestival plaats, Rotterdam is nog lang niet de cultuurstad die het nu is. De cultuur vindt grotendeels in besloten ruimten plaats: binnenskamers, in bioscoopzalen, schouwburgen en concertzalen. Poetry International moet nog Dunya voortbrengen. In 1985 wordt weliswaar met de bouw van het WTC op de Coolsingel begonnen, maar het grote stadsdecor is nog niet opgetrokken. Het Weena is nog steeds een vlakte. Mensen communiceren via de post en per telefoon. Van mensen die op straat plotseling hardop in zichzelf beginnen te praten, wist je toen nog zeker dat ze psychisch gestoord waren. Inmiddels praat iedereen in zichzelf. Als je goed kijkt zie je een headfoon.

Niemand vatte Rotterdam in 1984 als een grootstedelijke theater op, ingebed in een global netwerk, voor zich. Voorspellen is nu eenmaal moeilijk. Zeker bij gebrek aan kristallen bol of goddelijke openbaringen. Nu meer dan ooit. Want in onze netwerk-, informatie- of mediasamenleving wordt informatie door allerlei media zo snel rondgepompt dat er nauwelijks tijd is om na te denken en te overwegen. We moeten pro-actief zijn, sneller dan sneller, panisch. De toekomst is meer afhankelijk van speculaties dan van prognoses. De inschatting van een gebeurtenis verandert ons gedrag al bij voorbaat. We denken in risico’s. Niets is meer zeker, nog het minst onze pensioenen. Het gevoel voor onveiligheid is doorslaggevender dan feitelijke onveiligheid.

We leven nu in een risicomaatschappij waarin sociaal-economische transacties en politieke interacties glocale consequenties hebben: door een politieke omwenteling in Azië kunnen er hier ontslagen vallen en andersom. ICT is cruciaal. Alle beslissingen op lokaal en nationaal niveau liggen ingebed in internationale regels en wetten. Voor Nederlands welvaren wordt de koers grotendeels in Brussel en Washington uitgezet. Er is weinig nationale speelruimte, vooral ook omdat het politieke bedrijf in termen van 4 hoogstens 8 jaar denkt - en altijd in coalities. Van die 4 jaar zijn bovendien het eerste jaar (uitkristalliseren van de coalitie) en het laatste (voorbereiden op de nieuwe verkiezingen) niet productief. Voor visies beroept de politiek zich op commissies en adviesbureaus, die zich baseren op informatie uit stapels rapporten vol met statistieken en tabellen. De stad wordt gemanaged.

Als ik me, wijs geworden door de onwetendheid van 1984, toch laat verleiden een toekomstbeeld te schetsen, begrijpt u dat ik me eigenlijk niet tot Rotterdam kan beperken: ons lot is verbonden met dat van Nederland (ruimtelijke ordening, Hoekse waard, 2e Maasvlakte), van Europa (afschaffen landbouwsubsidies, wereldhaven) en van de wereld (war on drugs, war on terror). Toch waag ik de gok. Hoe ziet Rotterdam er uit in 2025? De gemeentelijke Dienst voor Stedebouw en Volkshuisvesting (dS+V) waagde zich in 1995 bij het 50-jarig jubileum van de Wederopbouw nog aan een prognose voor de komende 50 jaar. Dat heette Terugkeren om opnieuw te beginnen, van scenario’s naar visies. Van al die visies is weinig over. In de Nieuwe Pastorale Politiek gaat het dS+V, volgens de huidige direkteur Mariet Schoenmakers, om het faciliteren van betrokkenen partijen en de communicatie ertussen.

Het enige bouwproject in Rotterdam dat zich over 20 jaar uitstrekt, is Erasmus MC. Rond 2025 zal op de huidige plek van Dijkzigt een geheel nieuw Medisch Centrum met facilitaire bedrijven en shoppingmalls verrijzen: een soort DijkCity. Crooswijk is vóór die tijd al volledig getransformeerd, evenals Nesselande in de Alexanderpolder. Er zal een vernieuwd, maar sober Centraal station staan, aangesloten op de rest van de Randstad. De Randstad is dan één grootstedelijk gebied waarin de metro, Randrail en NS een immens netwerk vormen zoals in miljoenensteden als Londen, Parijs en Tokyo. Er zijn geen snelwegen meer die zomaar toegankelijk zijn. Om het immense fileprobleem op te lossen zullen er onder het asfalt van de snelwegen binnen de Randstad sensoren liggen die communiceren met sensoren die standaard in bumpers en in het dak van auto’s zijn verwerkt. De auto’s zullen via het GPS - of tegen die tijd de Europese variant: Galileo - centraal worden aangestuurd. Met vaste snelheid en op afstand van drie meter van elkaar zullen deze zich als een rij luxueuze treincoupe’s van stad naar stad bewegen. Sturen is er niet meer bij. Er kan vanuit de auto gewoon worden doorgewerkt. Eenmaal binnen de stadsgrenzen gaat dit systeem weer over op handbediening. Tenminste, als het pasje waarmee de automobilist de snelweg via de digitale poortjes opreed, nog kredietwaardig is of niet om andere redenen is geblokkeerd.

Kortom, surveillance en beveiliging zullen 2025 kenmerken. De openbare ruimte als vrije, oncontroleerbare ruimte zal niet meer bestaan. Dit zat al in de pen voordat de huidige variant van de ‘war on terror’ na 11 september 2001 was uitgebroken. Eigenlijk was deze al direkt na de Tweede Wereldoorlog begonnen met de ‘balance of terror’ tussen het vrije Westen en het Oostblok. De openbare ruimte is inmiddels al danig ingekrompen. Niet alleen door particuliere beveiliging zoals in de semi-openbare Koopgoot, maar ook door de manier waarop wij ons door die ruimte heen bewegen. Meestal individueel of per gezin in één auto en liever niet met openbaar vervoer. De openbare ruimte is bovendien enorm uitgedijt: door Internet en het GSM verkeer is er een nieuwe virtuele ruimte ontstaan. Deze ‘information highway’ is in de bestaande, fysieke openbare ruimte geënt. Dit heeft de privatisering van de fysieke openbare ruimte nog verder versterkt, ook al merken we dit niet. Al pratend in onze GSMetjes is de openbare ruimte eigenlijk een eilandenrijk van halfvirtuele privécapsules geworden. Ook al lijkt het alsof we vrij rondlopen, op de keper beschouwd zijn we met onze automobielen en mobieltjes individuele afgesloten capsules geworden. Heel, schoon en veilig zijn de sleutelwoorden als we het over de kwaliteit van de openbare ruimte hebben.


2. Jongeren: urban culture

Maar welke mensen zullen deze beveiligde dubbelruimte – fysiek en virtueel - deze grootstedelijke of urbane ruimte bevolken? Buiten de kantooruren en de winkeltijden zijn dat altijd al jongeren geweest. Ze hangen niet alleen in de openbare ruimte, ze gaan er ook in uit. Jongeren hebben nu eenmaal iets met openbare ruimte: ze ontsnappen dan voor even aan het toeziend oog - de filosoof Michel Foucault noemt dat: de normaliserende blik - van hun ouders en leraren. Ze leren van elkaar, ten goede en ten kwade. Tussen thuis en school is de straat hun domein. Ook al loopt het inderdaad wel eens de spuigaten uit, overlast is van alle tijden en wordt sterker gevoeld naarmate we meer te verliezen hebben. Deze jongeren zijn voor het toekomstige Rotterdam van het grootste belang, omdat, zoals de statistieken ons vertellen, Nederland vergrijst en ontgroent, maar Rotterdam daarentegen vergroent.
 


Deze grafiek geeft aan hoe tussen 2002 en 2017 de verwachte ontwikkelingen er uit zien. Rood is Rotterdam, groen Nederland. In Nederland zullen rond de 35% meer vergrijsden zijn (rechtsboven), terwijl baby- en kleutertal teruglopen (linksonder). In Rotterdam blijkt het omgekeerde het geval. Het aantal baby’s, kleuters en basisschoolkinderen nemen toe tot 2017, evenals de potentiële beroepsbevolking. Er kan dus gewerkt worden. Scholieren in het voortgezet onderwijs blijven nog iets achter bij de landelijke tendens. Maar als we er nog eens 8 jaar bij doen tot 2025, dan zijn al die kleuters en kinderen een schooltype opgeschoven en hebben we een enorme hoeveelheid pubers en preadolescenten.

Maar ook dit voordeel heeft zijn nadeel. Het in 2003 verschenen rapport De Staat van Rotterdam concludeert n3melijk dat witte (kinder)rijke gezinnen naar de buitenwijken wegtrekken, terwijl alleenstaand, arm en gekleurd in de stad blijft. De verjonging komt dus grotendeels op rekening van het allochtone deel van de bevolking, dat in 2002 al 46% van de 598.467 inwoners uitmaakt. Dit zal na 2017 naar 2025 verder oplopen, ook al is het afhankelijk van de economische ontwikkelingen: lokaliseert Nederland dan komen er minder migranten, globaliseren we verder dan zullen er proportioneel meer migranten toestromen.

Maar zelfs in het geval van een economische stagnatie zullen er meer allochtone jongeren komen. De huidige problemen rond zwarte scholen en op vmbo scholen, de hoge werkloosheid onder allochtone èn autochtone jongeren en hun vermeende onaangepastheid bieden voor de toekomst weinig florissante vooruitzichten. We hebben zelfs een dubbel probleem. Want wie zal in 2025 Rotterdam moeten runnen? Dat zullen toch de 35 tot 45 jarigen van 2025 moeten zijn. Die generatie is NU 15 tot 25 jaar. Die vormt een probleem. Justus Veenman heeft verleden jaar in zijn Rotterdamlezing al inzicht gegeven in de hoge werkloosheid en de lage opleiding van zowel autochtone als allochtone jongeren in Rotterdam.

Natuurlijk wijst de politiek altijd naar de meest achtergestelde groepen. Maar daarmee verliest ze snel de maatschappelijk succesvollen uit het oog. Want hoe houden we al de afgestudeerden van de Erasmus Universiteit en van de Rotterdamse hogescholen, die bovendien percentagegewijs de meest gekleurde populaties hebben van heel Nederland, hoe houden we het intellectuele kapitaal van als die ‘bachelors’ en ‘scientific’ en ‘professional masters’ in Rotterdam? Waar wonen ze tijdens hun studie onder de huisvestingsnormen die meer en meer de aandacht verleggen naar bovenmodale gezinnen? Hoe herinvesteren we dit steeds verder verkleurende kapitaal? Hoe beleggen we het ontwikkelde creatieve en culturele kapitaal dat op de Hogescholen wordt opgebouwd? Naast huisvesting zijn banen, die gericht zijn op de creatieve industrie, zoals bijvoorbeeld door Charles Landry in zijn boek The Creative City. A Toolkit for Urban Innovators (2000) is beschreven, een minimumvoorwaarde. Voor het uitbouwen van de broodnodige ondernemende middenklasse liggen hier kansen te over. Maar dan moet de incassopolitiek de culturele vorming wel serieus nemen.

Om het probleem van Rotterdam 2025 te tackelen, moeten we dus NU beginnen ons op de jongeren te richten. Rotterdam 2025 begint nu, hier. En zoals ‘werk in uitvoering’ op publieke werken en op het openbreken van de openbare weg slaat, zo gaat het mij ook om het openbreken van de openbare ruimte in positieve zin om deze van binnenuit op te laden. Dit gebeurt niet door controle en privatisering die uitsluiting en tegenstellingen bevorderen. Dit gebeurt door de potenties en talenten van jongeren uit te baten, om het maar eens economisch te formuleren. Een repressief veiligheidsbeleid mag dan als tijdelijke correctie noodzakelijk zijn, scoren via veiligheidsindexen, louter afrekenen en incassopolitiek bedrijven is op den duur funest voor de grootstedelijke leefbaarheid. Want wat doen we als we na de laatste fouillering met lege handen staan? Wat gebeurt er als half-delinquente jongeren van de tuchtschool terugkomen in de maatschappij? Hoe geven we een positieve invulling aan de omslag die met het oog op de toekomst van jongeren, voor jongeren, maar vooral door jongeren moet plaatsvinden?

Cultuur is hier de sleutelterm. Het Rotterdamse college van B&W beseft dat wel, maar weet door de leefbaarheidsfixatie op schoon, heel en veilig geen samenhangend beleid te formuleren. In de eerste collegeprogramma’s van 2002 werd nauwelijks een zin aan cultuur gewijd. In de kadernotitie 'Sociale Integratie in de moderne Rotterdamse Samenleving' van april 2003 staat de overgang van werkstad naar cultuurstad centraal en wordt gesteld dat "het versterken van deze aspecten en benutten van talenten van allochtone Rotterdammers van belang zijn voor het sociale, economische en culturele klimaat in de stad". Ook het College ziet natuurlijk in dat cultureel kapitaal tegelijkertijd ook sociaal kapitaal en economisch kapitaal betekent: mensen ontmoeten elkaar bij culturele evenementen, leren elkaar op een relaxte manier kennen en - laten we dat niet vergeten - geven bakken met geld uit.

In het actieprogramma 'Mensen Maken de Stad' staat wel de openbare ruimte en de straat centraal, maar alles verloopt via Opzoomeren en Stadsetiquette. En natuurlijk kan het Stadsdebat en de Dag van de Dialoog via communicatie de integratie bevorderen, maar het is de vraag of zo’n vorm van nadenken en reflectie volstaat. Ook beseft het College dat het onderwijs ten dienste staat van "de sociaal-culturele integratie: het scheppen en bevorderen van gemeenschappelijke waarden, normen en vaardigheden"(8/9). In het meest recente collegeprogramma Rotterdam Zet Door. Op weg naar een stad in balans 2017 wordt eindelijk een - zij het korte - paragraaf over ‘culturele integratie’ toegevoegd. Dat dit wordt getypeerd als "veruit het moeilijkste onderdeel in het politieke integratiedebat"(41) vat ik op als een indicatie voor een te beperkte visie op de doorwerkingen van cultuur in het dagelijks leven van jongeren.

Rick van der Ploeg, de staatssecretaris van Cultuur in het tweede kabinet Kok, richtte met zijn nota ‘Cultuur als confrontatie’ zijn beleid al op een verregaande cultuurparticipatie van jongeren en allochtonen. Het is hem door gevestigde gezelschappen en instituties niet in dank afgenomen. Maar met de analyse van Rotterdam 2025 in ons achterhoofd blijkt zijn politieke move niet geheel van zin verstoken. Het is nu zaak om deze ‘verjonging’ en ‘verkleuring’ in een breder politiek kader te plaatsen zonder dat overigens de culturele waarde van diep in de cultuur verankerde esthetische en artistieke kwaliteiten verkwanseld worden. In het advies van de Rotterdamse Kunststichting wordt daarom gewezen op dwarsverbindingen tussen wat ooit hoge en lage cultuur werd genoemd. Die staan allang niet meer tegenover elkaar. Kunst met een grote K, kleinkunst en culturele activiteiten gaan steeds meer interacties aan. Iets technischer geformuleerd: interdisciplinariteit, multimedia en interactiviteit, dat wat in het onderzoek van het Centrum voor Filosofie & Kunst van de Faculteit der Wijsbegeerte aan de Erasmus Universiteit ‘intermedialiteit’ is genoemd, is kenmerkend voor hedendaagse cultuurbeleving van grazende grootstedelingen.

Deze breed ingezette cultuurparticipatie lag ook ten grondslag aan Rotterdam Culturele Hoofdstad 2001. Los van alle kritiek die op de keuzes gemaakt zijn, er is wel een enorme hoeveelheid cultureel kapitaal vergaard. Cultureel kapitaal dat nu ligt te verinteresten. Laten we bijvoorbeeld eens naar de cijfers van de cultuurbezoek in 2001 van allerlei verschillende groepen in verschillende leeftijden kijken.



Wat zien we? Vrouwen participeren iets meer dan mannen. Na de film scoren pop/wereldmuziek en dance/houseparties bij alle jongerengroepen het meest. Wat mij als filosoof vooral interesseert, zijn kunst- en cultuuruitingen die mensen aan het denken zetten. Die de diepgewortelde vooroordelen liefst op een humoristische, maar scherpe wijze bespreekbaar maken. Waar als het ware sprake is van interactie op mentaal niveau. Bij autochtonen zie je bijvoorbeeld een positieve verschuiving naar cabaret en kleinkunst na het 25e jaar. Deze ontbreekt bij allochtone groepen, die echter met toneel - ik noem het liever theater - in de pas blijven.

Maar reflecteren standup comediens, rappers en hiphoppers - denk aan de Woorddansers, die de lezing openden - ook niet voortdurend op de samenleving? En stemt een film als Shouf, Shouf Habibi die naar een tv-serie wordt omgewerkt, niet tot nadenken bij zowel allochtonen als autochtnen? Het maken van televisieprogramma’s en radioprogramma’s door jongeren is sowieso een emanciperende activiteit, omdat voor de programmering en interviews heel goed over zichzelf en anderen nadenken. Ook standup comediens - Raymann - en cabaretiers als Najib Amhali reflecteren voortdurend. Zij ontstijgen probleemloos de benauwde tegenstelling tussen allochtonen en autochtonen.

Hoe werken zulke reflecties door en hoe zijn deze te bevorderen? Naast de hooggeschoolden, waar ik hiervoor over sprak, is er een veel grotere groep middelbare scholieren, variërend van VMBO tot VWO, die in Rotterdam 2025 zullen bewonen en bewerken. Ook zij participeren aan de cultuur. Niet alleen in popconcerten en danceparties, maar vooral op school. De meesten passief binnen vakkenprofielen van Kunst en Kunstzinnige Vorming door bezoeken aan kunst- en culturele instellingen. Uit de tussentijdse rapportage van het CKV Volgproject bleek dat allochtone leerlingen in het voortgezet onderwijs even actief zijn als hun autochtone medeleerlingen: "Allochtone jongeren bleken met andere woorden even vaak aan klassieke en populaire cultuuruitingen deel te nemen als autochtone jongeren met hetzelfde opleidingsniveau en ouders die in dezelfde mate cultureel actief zijn". Het opleidingsniveau van ouders blijkt altijd weer doorslaggevend, ook al kan ik u uit eigen ervaring verzekeren dat dit geen wet van Meden en Perzen is.

Een groot aantal jongeren is echter ook actief. De SKVR speelt de laatste jaren een belangrijke rol in het stimuleren van wat ‘urban culture’ wordt genoemd: rap, hiphop, breakdance. De term ‘urban’ is overigens al weer door insiders uitgebannen en vervangen wordt door ‘eclectic’. Maar ‘what’s in a name?’ Het uitbaten van talenten van al deze jongeren gaat makkelijker naarmate zij worden uitgedaagd en gestimuleerd hun skills te tonen. Performance van skills produceert respect. Iedereen wil serieus genomen in zijn kwaliteiten. Uiteindelijk is dit de basis van respect. Voor het ontwikkelen van zelfrespect en respect voor anderen - om het maar eens in termen van het normen-en-waarden debat te formuleren - zijn open communicatie en gezonde competitie onontbeerlijk.

Ooit was er sprake van hoge en lage cultuur, maar door de beeldcultuur met zijn entertainment en terreur van de kijkcijfers loopt dit allemaal door elkaar. Sommige cultuurdragers betreuren dat. Maar ze vergeten dat het alleen in geldtermen om een keuze gaat en zien over het hoofd dat creativiteit is gedemocratiseerd. Dat zou wel eens de betekenis kunnen zijn van een ogenschijnlijk terloopse opmerking van Landry in The Creative City, namelijk dat creativiteit niet in de kern maar aan de grenzen moet worden ontwikkeld: daar waar we op de andere botsen en niet in het uitgeholde zwarte gat dat we zo graag ons ‘zelf’ of onze ‘identiteit’ noemen.

In de urbane straatcultuur van ‘rappende’ jongeren heet dat simpelweg ‘battlen’. In Eminem’s film 8Mile wordt dat schitterend neergezet. Wat Idols voor SMS-end televisiekijkend Nederland is, is dan de ‘poetryslam’ voor de urban culture. Dat Passionate dit organiseert, ligt voor de hand. En poetry slam zal onvermijdelijk een onderdeel worden van Poetry International. Deze ‘hybridisering’ kan binnen elke kunstdiscipline worden waargenomen. De schone letteren heeft zelf allang ingezien dat er met schrijvers als Abdelkader Benali, Hafid Bouazza, Khalid Boudou, Semira Dallali, Mustafa Stitou en Ayatollah Musa allang een verschuiving heeft plaatsgevonden. De truc is natuurlijk deze te laten ‘doorwerken’. Zoals allochtonen moeten inburgeren, zo moeten autonome kunstenaars geleidelijk aan omburgeren. Kunst en openbare ruimte zijn een nieuw verbond aangegaan.


3. Geen normen, maar waarden

Wat in ‘schoon, heel en veilig’ over het hoofd wordt gezien, is het belang van cultuur voor reflectie van of het nadenken over de interculturele problemen. Bij cultuur gaat het over waardevolle inzichten in wat mensen van zichzelf vinden, hoe ze tegen de wereld en hoe ze tegen elkaar aankijken. Deze waarden vinden we terug in hun oordelen en gedragingen, meestal als vooroordeel. Waarden sturen dit gedrag aan. Culturele integratie, erkent het rapport Rotterdam Zet Door, "heeft te maken met opvattingen en gedrag van mensen. Wanneer die te veel afwijken van de gangbare normen en waarden beginnen doorgaans de problemen".(41) De overheid kan zich hier niet te veel mee bemoeien, omdat het strijdig zou zijn met de constitutionele grondrechten van individuen. Waarden, daar moet je blijkbaar vanaf blijven. Daarom richt de overheid zich op uitingen en gedrag: op normen. Het openbaar gedrag wordt ge’norm’aliseerd. De blik van de filosoof Foucault is niet langer de strenge blik van de ouders of de leraar, maar die van de bewakingscamera. ‘Normaliteit’ wordt gereguleerd op al die plaatsen waar de overheid iets in de melk te brokkelen heeft: de straat, de school en in gesubsidieerde instellingen.

Deze waarden krijgen we mee met de opvoeding en tijdens de scholing, maar ook in de vormingsfase van jongeren die aan het experimenteren slaan. Zoals gezegd in de openbare ruimte. Interessant is echter een opmerking in Rotterdam Zet Door over "tekenen van demografische modernisering". Deze zou merkbaar zijn in de gezinsvorming onder allochtonen: er wordt later getrouwd, later gemoederd en er komen minder kinderen, ook al is het percentagegewijs meer. Het rapport vermeldt dat dit "voor een deel berust op acculturalisatie, maar waarschijnlijk heeft de snelle aanpassing vooral te maken met het verlangen naar materieel comfort"(34). Hieruit mag je concluderen dat het ontbreken van materieel comfort de integratie blokkeert. Een open deur, maar het blijft een vermeldingswaardig inzicht.

Maar als we het over allochtone jongeren hebben, over wie praten we dan? Vanuit veiligheidsoogpunt komen altijd weer de half-criminele allochtone jongeren naar voren. In Rotterdam Zet Door worden als tegenkracht succesrijke allochtonen als een kans gezien voor de stad, maar het is de vraag of hier werkelijk werk van wordt gemaakt. Als "ambassadeurs van een kleurrijke stad" zouden zij via hun voorbeeldfunctie de verwarring over "Nederlandse culturele waarden en normen"(19) kunnen opheffen. Zo wordt er in dit programma enerzijds naar de halfcriminele stadsdesperado’s verwezen, anderzijds naar de moreel hoogstaande succesvollen.

Maar normale - dat wat in overeenstemming met de normen is - allojongeren zijn blijkbaar niet interessant. Toch zijn het deze jongeren - de grote middenmoot - die voor een exponentiële groei van de Rotterdamse bevolking in 2025 gaan zorgen. Het zullen hun kinderen zijn die de openbare ruimte van Rotterdam 2025 zullen bevolken. Wie zijn dit? Op de nationale publieke tv zenders komen ze nooit sensationeel in beeld, maar doordat de Islam na september 2001 tot favoriet spookbeeld is verheven en de hoofddoekaffaire ongekende sentimenten heeft losgemaakt, zie je ze wel meer. Een maand geleden bij B&W met Inge Diepman. Diepman heeft de prettige gewoonte haar gesprekspartners volkomen serieus te nemen. In de uitzending had ze een aantal slimme, urbane, goedgebekte en wat ik zou willen noemen: ‘nedochtone’ jongeren uitgenodigd. Meiden met en zonder hoofddoeken die zich - om het maar eens door en door nederlands te stellen - door niemand de kaas van het brood laten eten. Jongens die weliswaar minder vooruitstrevend waren, maar ook niet verkaasd. Niet geïsoleerd, niet geassimileerd, maar gewoon geïntegreerd.

Het gesprek kreeg een hoogst interessante wending toen Diepman aan hen vroeg of ze met een autochtoon wilden trouwen. Zowel de jongens als de meiden sloten dit uit. De meesten gaven de voorkeur aan wat ik een ‘nedochtone’ allo zou willen noemen. Geloof blijkt doorslaggevend: twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen, heette dat ooit in goedgelovig Nederland dat toen ook nog hoofddoekjes droeg. Op de vraag of ze met een willekeurige allo wilden trouwen, antwoorden ze echter resoluut ‘nee!’. Een Marokkaanse wil niet met een Turkse jongen trouwen, een Turkse jongen niet met een Marokkaanse meid. Geloof werd overruled door het argument: "maar dat is een andere cultuur". Cultuur blijkt nu doorslaggevend, niet religie. Maar waar ze eigenlijk op doelden, waren precies de waarden die in die culturele vorming worden verinnerlijkt.

In de Rotterdam Jongeren Survey van 2000/2001 - dus even voor de aanslagen in september 2001- onderzoekt onder andere Han Entzinger de belevenis van de Islam onder Turkse en Marokkaanse jongeren. In vraaggesprekken en via vragenlijsten zijn 300 Turken en 300 Marokkanen van 18 tot 30 jaar onderzocht op hun betrokkenheid bij de Islam. Hun antwoorden zijn vergeleken met 300 autojongeren met een zelfde sociaal-economische achtergrond. Zowel sociale ongelijkheid als cultuurverschillen zijn vanuit de belevingswereld van jongeren onderzocht. Uit het onderzoek blijkt dat er een enorme diversiteit van geloofsbelevingen onder allochtone jongeren bestaat.

 


Persoonlijke betekenis Islam 2000/2001
                                                                                Marokkaans     Turks                Auto/s
type 1: 65% individualisten                                      56%                                         74%
type 2: 34% conformisten                                         44%                                         26%
 
Politieke betekenis van de Islam/het geloof
                                                                                Marokkaans    Turks                 Auto’s
type 1: a-politieken  59%                                          57%                  80%
type 2: pluralisten  30%                                            27%                  15%
type 3: islamisten/fundi’s                                            1%                    3%                   4%
 
Publieke steun jongeren voor Islam 2000/2001
                                                                                Marokkaans     Turks                Auto's
type 1: 34% ongebonden                                         22%                                          43%
type 2: 54% kritisch                                                   56%                                          50%
type 3: 12% loyaal                                                     22%                                            7%


Dit rapport bevestigt op een lokaal niveau wat de Franse Islam-kenner Olivier Roy in zijn recente boek De globalisering van de Islam (2002) beweert: er ontwikkelt zich een typisch Europese Islam waarin de westerse waarden doorwerken. Nog een andere conclusie van Olivier Roy is instructief. Hij laat zien dat zowel de islamitische als de westerse wereld in een normen en waarden debat verwikkeld zijn als gevolg van de globalisering. Deze twee herorientaties zouden niet tegenover elkaar uitgespeeld moeten worden, maar er zou gezocht moeten worden naar paralelle ontwikkelingen.

In Entzingers rapport komen verschillende houdingen van jongeren tegenover de Islam naar voren: de ‘individualisten’ die aan hun geloof een persoonlijke invulling geven (65%, 56% M, 74% T), en de ‘conformisten ‘ (34%, , 44% M, 26% T), die geheel de formele regels van het geloof volgen. Wat voor soort steun geven deze jongeren in het openbare leven, in de publieke of politieke sfeer aan de Islam? Drie groepen zijn te onderscheiden: de loyale, de kritische en de ongebonden moslimjongeren. De loyale moslims verlenen volledige steun aan de Islam ook in het openbaar. (12%, 22% Marok. 7% Turks) Daaronder bevindt zich een kern van fundamentalistische en extreem-nationalistische jongeren, die echter - let wel: in 2001 - slechts 5% van alle jongeren uitmaakt.

De overgrote meerderheid is apolitiek of pluralistisch: ze accepteren andere opvattingen naast hun eigen inzichten. De kritische moslims zijn selectief in hun publieke steun (54%, 56% Marok. 50% Turks). De openbare ruimte is voor hen de plaats waar integratie plaatsvindt. De ongebonden moslims verlenen echter publiekelijk geen steun aan de Islam en zijn op zoek naar een eigen invulling. Ze zijn voorstander van vrije partnerkeus, vrije omgang tussen mannen en vrouwen en vrije meningsuiting. (34%, 22% Marok. 43% Turks) De grote scheiding tussen de groepen loopt tussen enerzijds de ongebondenen, anderzijds de kritischen en loyalen. Het lijkt mij dat de vanoorsprong conservatieve moskeevereniging Milli Görüs onder leiding van de huidige directeur Haci Karacaer deze dubbelheid in zich draagt.

Uit het onderzoek komen voor de hand liggende conclusies naar voren. Zo blijkt dat intercultureel contact met de Nederlandse cultuur, een etnisch gemengde vriendenkring, een tolerante houding ten aanzien van abortus en euthanasie kenmerkend is voor de ‘individualisten’. (165) Uit het onderzoek komt echter ook iets vreems naar voren: intercultureel contact stimuleert bij Turkse jongeren het individualisme, terwijl het bij Marokkaanse jongeren juist het aanpassen aan het geloof in de hand werkt. Maar een haast zijdelingse opmerking wint na de gebeurtenissen in september 2001 een haast voorspellende waarde. Ongebondenen, zo meent het rapport, staan door hun openheid wel eerder bloot aan discriminatie. Zodra die te indringend wordt, neigen ongebonden ertoe om te slaan naar loyaliteit aan de Islam. Zodra de openbare ruimte niet meer open is, maar voortdurend wordt afgegrendeld door vooroordelen en angsten, gaat de deur dicht en wordt indirekt bewaarheid waar we bang voor waren. Het gevoel van onveiligheid heeft onveiligheid gecreëerd.

Ik sluit af. Kleurloos Rotterdam 2025. Justus Veenman eindigde zijn lezing met de uitspraak 'Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst'. Ik zou er in deze tweede Rotterdam aan willen toevoegen, dat de toekomst nu begint. Het gaat in onze globaliserende en multiculturele samenleving niet om het gescheiden naast elkaar bestaan van statische culturele, etnische, raciale, nationale of religieuze identiteiten, allen opgesloten in hun privéwaan. Als het over waarden gaat, dan moeten we deze niet in mensen, maar tussen mensen situeren. Dat is de grondbetekenis van inter-esse: er tussen zijn, zoals in de openbare ruimte. Bij gebrek aan interesse is de typering ‘multicultureel’ politiek-strategisch uitgewerkt. Waar het echter om gaat zijn de minder voorspelbare, maar realistischer spanningen tussen al oude allochtone en autochtone identiteiten die langzaam aan het leeglopen zijn. Laten we daarom maar over ‘intercultureel’ spreken. Spanningen die nu eenmaal met deze tussenposities gepaard gaan onderdrukken, werkt alleen maar averechts. Dit ‘tussen’ of ‘inter’ is de onvoorspelbare kwaliteit waar het in de toekomst wel eens op aan zou kunnen komen. Het is onze opgave dit ‘inter’ artistiek, intellectueel en politiek op de kaart te zetten.
 

 

Dr. Henk Oosterling is universitair hoofdocent filosofie


tevens verbonden aan het  Centrum  voor  Filosofie en Kunst  van de Faculteit der Wijsbegeerte van de Erasmus Universiteit Rotterdam